[3], De cirkelbewoners. Een model, Sybren Polet - DBNL (2024)

[pagina 10]

[p. 10]

[3]

draaide zijn nek om, iets te abrupt / dacht dat iemand hem groette - niemand te zien, althans niemand die hij kende / weinig mensen op straat / geen bewegend hoofd achter een van de vensters van de lage huizen - en het was of er iets verschoot (in zijn blikveld? in zijn hoofd?), verschoof - een sensatie die hij wel vaker had gehad maar nooit zo indringend als nu: even leek het of alles a-synchroon begon te lopen: :voetgangers wandelden een centimeter naast hun vorige gestalte; auto's, vensters kregen een doorzichtige schaduwrichel boven, naast hun oude omtrekken, ogen een soort oogschaduw net boven de ogen.

De geluiden die hij, plotseling heel bewust, opving hadden een ijle zingende boventoon die zo ging domineren dat de oorspronkelijke klank er onwezenlijk door werd en voornamelijk als ondertoon leek te fungeren van de bijna tot hoofdklank geworden boventoon. Enkele seconden duurde dit. Daarna klikte alles weer op zijn plaats, beeld en klanken, met dit verschil dat de verschuivingen zich leken te hebben gehandhaafd en tot eindvorm waren gepromoveerd, zoals ook de nieuwe boventonen definitief in de, gewijzigde, hoofdklank waren opgenomen: dit gevoel had hij tenminste, want uiterlijk leek alles normaal en hetzelfde gebleven.

Verder lopend wilde hij zijn gedachten hernemen waar ze een moment tevoren afgebroken waren - de vergadering over een nieuw sportcomplex waar hij als pr-man van de gemeente aan had deelgenomen, met de wethouder van Onderwijs & Sportzaken, de toekomstige directeur van het complex en nog een aantal andere figuren waarvan hij de namen al weer vergeten was maar die hij met initialen en al keurig genoteerd had staan op een lijst die hij in zijn tas droeg - toch had hij de grootste moeite zich het besprokene te binnen te brengen alsof de vergadering niet zojuist, maar een maand of nog langer geleden had plaatsgevonden. Zelfs de gezichten leken vervaagd.

Toen hij een minuut of twintig later zijn voet op de stoep zette van het als een school uitziende gebouw waar zijn kantoor was ondergebracht - de gemeentediensten lagen door ruimtegebrek in het oude raadhuis over de hele stad verspreid - had hij het stellige gevoel zelf die middag helemaal geen vergadering te hebben bijgewoond, maar dat hij er bijvoorbeeld over had horen vertellen of iets dergelijks op de film of de televisie had gezien.

De typische schoollucht die zijn neusgaten binnendrong: geur van geslepen potloden, al werden er weinig potloden meer gebruikt, meest kogelpennen / slecht handschrift, bijna niet te lezen soms, schrijfmachines verplicht stellen zou beter zijn / zweetlucht van sterk transpirerende pubers, afscheiding op onderbroeken, afgewerkte adem.

De directeur stond demonstratief op zijn horloge kijkend in de hal op hem te wachten. (Weer?) U bent ruim een kwartier te laat meneer Perdok. Ik had de leerlingen dit uur juist vrijaf willen geven. Stotterend, meer uit bevreemding dan uit verlegenheid. Mompelend enkele zinnen over opgehouden zijn door een brug die opgehaald was - wat de waarheid was - een lange sleep boten. Daar hoort u rekening mee te houden. Als de leerlingen met dit excuus aankomen neemt u er geen genoegen mee. Ik wel, dacht hij. Dacht, ik heb me

[pagina 11]

[p. 11]

vergist, een onbegrijpelijk misverstand, maar iets (in hemzelf) dwong hem door te lopen naar waar (hij wist dat) zijn klaslokaal was. Voor de deur, buiten het gezicht van de directeur bleef hij even staan en wreef zich met zijn zakdoek over het klamme voorhoofd. Toen legde zijn hand zich ongewild op de deurknop. Nee, nee - Het grootste sportcomplex tot nu toe in Amsterdam gebouwd - overdekt zwembad - trampolines - zelfs een aparte zaal voor hometrainers, fietsen (monarkcrescent, ergometercycle), roeiapparaten (vagatore stiff), waarom herinnerde hij zich deze details wèl? Misschien omdat ze hem persoonlijk geïnteresseerd hadden in verband met zijn eigen conditie die de laatste tijd te wensen overliet. Zit- en autobuikje. Bovendien waren het harde feiten, geschikt om aan journalisten te verstrekken als er een persconferentie gegeven werd.

Voor werkelijke conditietraining waren de binnenhuisfietsen te prefereren boven de roeiapparaten; de laatste werkten alleen maar spierversterkend. De fiets daarentegen stimuleerde het zuurstoftransport van hart en bloedsomloop door middel van tijdelijke overbelasting. Het effect was: een kalmere polsslag en een affectievere werking van de hartspier. Bij een goede conditie kon men zijn hart 10.000 tot 20.000 slagen per dag besparen. Alsjeblieft. Het voorbeeld werd gegeven van een proefpersoon wiens zuurstofopname in 2 maanden tijd gestegen was van 2.7 tot 4 liter per minuut, terwijl zijn polsslag daalde van 170 tot 135. Bij twee andere proefpersonen, een man en een vrouw, was de capaciteit tot zuurstofopname eveneens in 2 maanden toegenomen met resp. 6% en 12%. Beiden hadden zich tijdens de testmaanden 5 tot 10 jaar dichter bij hun geboortedatum gefietst.

Ik zou er zelf ook een moeten aanschaffen herinnerde hij zich gedacht te hebben. En nu - In ieder geval zorgen vanavond tijdig aanwezig te zijn bij de uitreiking van de gemeentelijke kunstprijzen, niet weer een berisping oplopen, alsof hij een kleine jongen was. Duwde de deurknop omlaag. Groette. Liep naar de tafel. Nam plaats. Ontsloot zijn tas, haalde de geschiedenisboeken eruit die -. O god, dacht hij. Het angstzweet brak hem uit dat hij met zijn mond vol tanden zou staan tegenover een gehoor van grijnzende, grinnikende gezichten. Geen orde kunnen houden. Maar het geroezemoes verstomde als door magie toen hij zijn hoofd ophief; slapende, onvermoede gedachten verhoogden hun toerental onafhankelijk van hem. Zijn mond begon te spreken als een mechanisme dat niet door hem in werking was gezet // ... de zeventiende eeuw / gouden eeuw ... het sociale beeld dat wij ervan hebben is anders dan onze voorouders het gezien moeten hebben ... een deel van onze welvaart berustte bijvoorbeeld op het feit dat wij tot de grootste slavenhandelaars van de wereld behoorden, en nog zo'n paar van die dingen. / Het beeld dat wij van de geschiedenis hebben moet voortdurend herzien worden, zei hij, herschreven vanuit een nieuw verworven inzicht. De gebeurtenissen die zich hebben afgespeeld richten zich als ijzervijlsel naar het nieuwe perspectief ... hangt ervan af hoe je de magneet houdt. Geschiedenis manifesteert zich per definitie achteraf, maar ze manifesteert zich niet één keer, doch steeds opnieuw en steeds anders... veldslag om de

[pagina 12]

[p. 12]

geschiedenis, gestreden in het heden ... dat maakt de geschiedenis tot een hedendaagse werkelijkheid en net als deze is ze voortdurend aan veranderingen onderhevig ... // Jezus, dacht hij, waar haal ik de woorden vandaan - en die docerende toon ... / Bracht een hand naar zijn voorhoofd waar het allemaal vandaan kwam, als om te voelen of althans de buitenkant werkelijk was: vel, bot. Zei: - Ik heb wat illustratiemateriaal meegenomen ... / Zijn hand zocht tussende boeken, pakte feilloos het juiste exemplaar dat hij, meende hij, nooit eerder onder ogen had gehad (of toch?), sloeg het open waar het papiertje lag, las /

De auto waar zijn voeten hem ondanks zijn bijna onmerkbare weerstand heenvoerden, slepende schoenzolen - (softly, softly) - was van een ander merk dan hij vanmorgen bezat maar het sleuteltje dat hij in zijn zak vond paste in het slot. Zijn aanvankelijke gealarmeerdheid nam nog toe. Hij stapte in en reed met scheurende banden naar huis. Parkeerde de auto. Stapte echter uit zonder het portier af te sluiten. Op de muur naast de buitendeur hing een groot naambord: j.l. pordekkio, stukadoor. Werktuiglijk liep hij terug en nam weer plaats achter het stuur. De gordijnen in de vensters waren hem volmaakt vreemd, evenals de bloemen. Enkele ogenblikken bleef hij totaal verwilderd zitten, probeerde na te denken wat hem te doen stond. Ten slotte kreeg hij een ingeving. Haalde zijn portefeuille uit zijn binnenzak, trok het rijbewijs eruit, las. Dat de naam dezelfde was als de zijne stelde hem gerust, al was het niet meer dan een bevestiging van wat hij al wist: de directeur van de school had hem met die naam aangesproken, maar zelfs hier was hij niet meer zeker geweest. Het woonadres echter verschilde. Hij reed erheen.

De stijl van het huis was eind negentiende-eeuws, goedburgerlijk en degelijk, met hoge ramen. Hij kende het soort huizen wel, de straat zelf trouwens ook, een van de weinige met bomen in deze wijk. Veel artsen, juristen, leraren, zakenlieden, een enkele goed verdienende ambachtsman. Gemoderniseerde interieurs.

Het op zijn rijbewijs vermelde adres was een benedenhuis: twee woonlagen, waarschijnlijk een kelder eronder; daarboven nog twee woonlagen, plus een zolder met een of twee extra slaapkamers. Dit keer sloot hij de auto af. Liep traag op het huis toe.

Aarzelen. Ten slotte toch, nieuwsgierig, een van de sleutels in het deurslot passen - hij had eerst willen aanbellen maar zijn hand bijtijds weten terug te trekken, niemand belt aan bij zijn eigen huis, tenzij men de sleutel vergeten heeft - dan naar binnen gaan.

(Treurig treurig, dacht hij. Voor het eerst in mijn leven had ik het naar mijn zin - pr-man voor het gemeentebestuur van een grote stad, afwisselende baan: de publiciteit verzorgen van de gemeentemusea en andere culturele instellingen, sportzaken, het algemene beleid van de gemeenteraad uiteenzetten en soms verdedigen wanneer de burgerij zich ten onrechte ongerust maakt, feestelijke evenementen inleiden, het bezoek van buitenlandse gasten voorbereiden, cadeaus voor hen bedenken, enzovoort - het was een verademing geweest na de periode dat hij op een reclamebureau had gezeten, steeds meer

[pagina 13]

[p. 13]

weerstand opbouwend tegen het soort werk dat hij moest doen - voor het eerst in mijn leven had ik het naar mijn zin en nu ben ik leraar, leraar geschiedenis nog wel.)

In de hal aarzelde hij opnieuw op het ergste voorbereid. Ongeveer tegelijk met zijn nieuwe baan was hij van vrouw gewisseld, zonder ruzie overigens; ze waren gewoon op elkaar uitgekeken en uit elkaar gegaan. Mirjam was een aardige vrouw geweest die veel voor hem had betekend en hij zou best eens weer met haar naar bed willen als het zo uitkwam - ze was zelf ook hertrouwd of woonde met iemand samen. Geen gek idee om bij iedere nieuwe periode in je leven van partner te wisselen, iedere nieuwe baan, hield de sjeu erin.

Aan de kapstok hingen jassen als levenloze figuren die hij niet herkende, althans nog niet. De typische huisgeur die zijn reukzenuw prikkelde kwam hem echter vaag bekend voor: de diverse soorten lichaamsuitscheidingen, waaronder die van het toilet (een nieuwe luchtververser zou geen overbodige luxe zijn.) De barometer. De met een kleurige loper belegde trap die naar de bovenverdieping voerde. De hallamp. Het gegons van de koelkast in de keuken.

De vrouw die hij in de huiskamer aantrof was niet de zijne, zoals hij ook nauwelijks meer verwacht had, maar ze had het kunnen zijn. Ze was hem vreemd en niet-vreemd tegelijk en hij had het gevoel dat hij haar spoedig zou kunnen herkennen, resp. in een snel tempo aan haar kunnen wennen. Zijn initiale verzet hiertegen liet hij na enkele seconden varen. Besloot het spel mee te spelen, ook al was hem duister welk spel. Haar naam. Ze noemde de zijne. Wilde gekust worden. De smaak van nieuwe lippen. Hij ging zitten. (Nee, geen thee. Liever sherry.) Nam een krant om zich erachter te verschuilen en de kamer rond te kijken, bladerde er afwezig in. (Moe? / Gaat wel.) Ze komt naast hem staan. Hand. Hij strijkt haar even over de billen, moet zich daarna inhouden om niet verder te gaan. (In jezusnaam, waar ben ik in verzeild geraakt dacht hij. Dacht, vooral niet te lang achter elkaar nadenken, er niet te lang over nadenken, het leidt tot niets, ik weet het van tevoren. En inderdaad, hij wist het, met een fatalisme dat hem op zichzelf meer verwonderde dan de situatie waarin hij verkeerde.) Ze bleef naast hem staan, had kennelijk behoefte om aangehaald te worden. Terecht. En terwijl hij haar met zijn ene hand nog wat streelde, kuiten, bovenbenen, buik, bijna gedachteloos, en in zijn andere hand het sherryglas hield inspecteerde hij verder de kamer, - aan de tuinzijde, zon -, de voorwerpen erin grondig verkennend in een vertwijfelde poging althans enkele ervan thuis te brengen, te bezetten, naar zich toe te halen. Ondertussen kreeg hij een formidabele erectie, merkte het pas toen het te laat was, want had het niet gewild uit verzet tegen de hem opgedwongen situatie.

De inrichting van de kamer was niet onsmaakvol, hoewel niet direct zijn keuze. Er stonden een paar voorwerpen in waarvan hij zich bijna blozend afvroeg of hij ermee ingestemd had dat ze gekocht werden - de gashaard van bruin koper - de schemerlamp met rijstpapieren kap - het vloerkleed dat waarschijnlijk een gemoderniseerde pers was. Bekeek de stoelen, de tafel, de kleine antieke sécretaire, de wandbekleding / als voor het eerst.

[pagina 14]

[p. 14]

(Thessa heeft gebeld dat ze een halfuur later thuis kwam.) Jezuschristus, daar had hij nog niet aan gedacht dat hij nog kinderen zou kunnen hebben ook, hoewel hij de twee ingelijste meisjesfoto's al op het dressoir had zien staan. Drie had hij er, twee dochters en een zoon, wist hij ineens, een weten dat niet van buitenaf kwam maar dat al in hem zat; ook dit werd hij zich bewust. De gedachte was zo overrompelend dat hij het niet kon opbrengen haar voor te stellen mee naar boven te gaan, wat hij anders ongetwijfeld gedaan zou hebben, desondanks. Vanavond misschien. Groot feest. Iedere keer de eerste keer. In dit geval wel tenminste. Hij haalde zijn hand onder haar rok vandaan.

Stond op, Sorry, zei hij, ik wou even gaan liggen. Vermoeiende dag gehad. En hij wist ineens hoe ze heette.

Slaapwandelend loopt hij rond op de bovenverdieping, opent deuren. Ziet de slaapkamer van zijn kinderen, uitgeknipte weekbladfoto's aan de wand, primitieve tekeningen, bijna uit rotsholen gekopieerd, een diploma met rood lakzegel en lint, een zeilpetje, een mascottepop, boeken, twee eenvoudige grammofoons - beneden hoort hij zijn nieuwe vrouw Ingrid naar de keuken gaan / Ingrid - hij weet zeker dat hij vanmorgen nog het lieve talismannetje van Fried was / ‘Wanneer hebt u voor het laatst uw vrouw aan het lachen gemaakt?’/ Gaat naar hun eigen slaapkamer, haalt het trouwboekje uit de linnenkast. Ze heet inderdaad Ingrid, zoals zijn bewustzijn hem al had ingegeven, zelfde leeftijd als hij, negentien jaar getrouwd, god zij ons genadig. Oudste dochter Thessa, 18 jaar, zoon Daco 16 jaar, jongste dochter Stelleke 9. Zijn hoofd schuddend als een hond om de onwerkelijkheid in dikke druppels van zich af te werpen opent hij de hangkast en trekt een spijkerbroek aan. Past niet helemaal bij zijn leeftijd maar hij is het blijkbaar gewend te doen. Gaat dan naar zijn studeerkamer die een verbindingsdeur heeft naar de slaapkamer. Groot bureau met bureaulampje. In de hoek een hometrainer. Hij kijkt naar het merk dat hem bekend voorkomt. Het is een Monark-Crescent, ergometerfiets. Op de deur van een kast geprikt een grote poster van Che Guevara. Welwel. Ik ben toch progressiever dan ik dacht, denkt hij. Vreemde peer die leraar die ik ben.

Strekt zich uit op de divan naast de boekenkast - honderden boeken, meest geschiedenis natuurlijk en politiek. Probeert zijn gedachten te ordenen. Het spel meespelen is één ding, weten welk spel een ander. (Wie is de speler, wie de gespeelde?) Hij hoort zeer verontrust te zijn maar is het vreemd genoeg niet erg, eerder onverschillig, mat. Een grote inertie neemt bezit van hem maar hij dwingt zich de noodzakelijke vragen te stellen. Fried. Waar was Fried? En waar hun dochtertje (7 jaar) dat ze uit haar eerste huwelijk meegenomen had? Hij was van het kind gaan houden alsof hij het zelf voortgebracht had, en misschien wel méér. Zeker was dat hij ze vanmorgen beiden in goede gezondheid en materieel redelijk verzorgd achtergelaten had, zoals het behoort; hij had beiden gekust, eerst zijn dochtertje, daarna zijn vrouw, de laatste zoals hij het vaker deed: met zijn wijsvinger haar onderlip omlaag en naar buiten drukkend had hij zijn lippen op het zachte vochtige vlees gezet dat bloot kwam te liggen. Nu,

[pagina 15]

[p. 15]

hoeveel uren later, is de opgeroepen nasmaak nog zó reëel dat het wel werkelijkheid geweest moet zijn. Vervolgens is hij naar zijn kantoor gegaan. Correspondentie doorgenomen, telefonisch een kunstredacteur van de Volkskrant te woord gestaan over de prijsuitreiking van vanavond, ten slotte in het begin van de middag de vergadering over het nieuwe sportcomplex met ... Hij kon het toch onmogelijk allemaal gedroomd hebben? In dat geval zou hij zijn hele voorafgaande leven gedroomd moeten hebben en dat was een soort filosofie waar hij niet van hield, niet in geloofde. Hij probeert meer feiten naar boven te halen, verder terug te gaan in de tijd, maar het vermoeit zijn hoofd zo dat hij, hoewel fervente pogingen doend om wakker te blijven, van het ene moment op het andere in een diepe droomloze slaap wegzinkt.

Au! Zijn oudste dochter wekt hem op een charmante manier door aan een haartje te trekken dat uit zijn linkerneusgat steekt. Hij grijpt haar vast bij haar arm, een goed in het vlees zittend meisje met een mini-jurk aan. Als het zijn eigen dochter niet was -/

Aan tafel, tussen half- en driekwart vreemden. Zijn vrouw Ingrid eet, eet met haar mond, hij kijkt haar aan of hij voor 't eerst iemand ziet eten / de meest intieme bezigheid van de mens, stoelgang uitgezonderd / iedereen die geobserveerd wordt tijdens het eten voelt zich betrapt / ze brengt het voedsel naar haar mond of het grote, ronde bonbons zijn, kauwt met volledig gesloten lippen, alsof ze er veel moeite voor moet doen, slikt, en slikt met moeite als hij blijft kijken, de neergang van het voedsel in de keel is met het oog te volgen, 't lijkt wel of ze haar adamsappel heeft ingeslikt - vrouwen hebben een kleinere adamsappel dan mannen -, dan neemt hij voor 't eerst gedetailleerd het overige zichtbare deel van haar lichaam op. Het gezicht, met de niet meer weg te werken, weg te denken rimpels, één diepe horizontale groef in het voorhoofd, de ongeproportioneerd dikke neus (duidde vroeger op sterke seksuele aanleg), de hals, klein bloeduitstortinkje aan de linkerkant alsof iemand er zijn zuigmond op gezet heeft (hij?), de borsten, de blote bovenarmen waarvan het vel een beetje los zit met hier en daar een rood pukkeltje erop (kan ze ook niks aan doen, niemand is volmaakt; voor de rest mag hij niet ontevreden zijn, trouwens een uur geleden heeft hij al -)

God pap, zegt zijn oudste dochter Thessa, alsjeblieft niet aan tafel. Jullie mogen wel vast opstaan als - / Zoon Daco lacht grimmig, verachtelijk, - kleine puritein, het zou hem niet verwonderen als de jongen niet zijn zoon was maar het ondergeschoven kind van een ander. / Ingrid wordt kwaad, de jongste begrijpt het nog niet en kijkt met nieuwsgierige ogen van de een naar de ander. Aardig gezin. / Ben Roothaan heeft nog gebeld, je had hem vanmiddag terug zullen bellen. (Ingrid) / Ik ben het vergeten, antwoordt hij automatisch, ik zal hem vanavond - Nee vanavond moet ik weg ... / En hij had plotseling een duidelijk beeld van Ben. Ben. Trefwoord: politiek. En weg. Weg beeld. Hij wuifde het van zich af of het een dikke bromvlieg was die voor hem in de ruimte zweefde.

Hoe is het vandaag gegaan op school? (tegen Daco.) Vreemde naam, kon zich niet indenken dat hij hem die toebedacht had. Eigenlijk zou ieder kind bij de geboorte x

[pagina 16]

[p. 16]

genoemd moeten worden, zodat het later zelf zijn naam kon kiezen. Vind je het leuk dat je Daco heet, vroeg hij. Nee, zei Daco. Maar Lokien, zegt Ingrid, je hebt zelf toch ook niet over je naam te beslissen gehad. Laten we daar nou niet weer over beginnen. / Nee, je hebt gelijk, zei hij. / Zoon Daco zegt: Zelfs als ik een andere naam zou aannemen dan nog zit ik er voor de periode dat ik hem gedragen heb aan vast; voorgoed. Ook met een nieuwe naam kun je de vorige niet uitvlakken. / Spottend: Dan zit er niets ander op dan dat je je naam een nieuwe inhoud geeft. / Zoon Daco op zijn beurt kwaad; dreigt van tafel op te staan. Ingrid. Kijkt hem aan met een blik van: je bent zelf ook net een kind.

Hoe is het vandaag gegaan op school, vraagt hij opnieuw om het goed te maken. Geen antwoord. (Godchristus nogaantoe denkt hij, waar ben ik -)

*begin*Mijn kamer heeft vier wanden. Ze zijn mooi glad en wit, zeer wit zelfs. Ik vraag mij af of je er blind van kunt worden als je er lang naar kijkt. Ik neem aan van niet, anders zouden ze niet zo wit zijn. Ik weet mijn kamer heeft vier wanden, hoewel ik ze niet alle vier tegelijk kan zien, anders zou ik ook kijkholen in mijn achterhoofd moeten hebben. Dat ik het weet is een wonder, ja zelfs als ik mijn ogen gesloten houd, en dat is een nog groter wonder.

Wel vraag ik mij af of er ook kamers met drie wanden zijn of met twee wanden. Die er in woont zou dan heel dun moeten zijn. Ik moet lachen. Overigens bedenk ik dat mijn kamer niet vier maar zes wanden heeft. Ik zou me dus in de eerste plaats af moeten vragen of er ook kamers van vier wanden bestaan en daarna pas van drie en van twee wanden. Het is een probleem dat ik niet op kan lossen en dat dus wel niet zal bestaan. Ik hoef het trouwens ook niet op te lossen, ik zal het kunnen constateren als ik mij naar buiten begeef.

In mijn kamer staat weinig: een krukje, een strozak om op te slapen, een pot. Te weinig. Misschien zijn er mensen die méér hebben of zelfs teveel. Ook dit zal ik moeten zien uit te vinden.

In de ene wand, de wand waar ik nu naar kijk zit een klein raampje waar de zon doorheen schijnt. Dit is zeer aangenaam. Als de zon schijnt is het warm, ik ontdek dit. Zon schijnen warm. Zon warm. Dit is het oorzakelijk verband. Ik hoop dat ik mij duidelijk genoeg uitdruk. Ik zou het ook anders kunnen zeggen, maar dat is niet nodig, ik begrijp wat ik bedoel.

Als ik op het krukje ga staan kan ik door het raampje naar buiten kijken, zodat ik ook iets anders kan zien dan de zon en mijn stromatras en de pot. Ik heb het nog niet gedaan, omdat mijn nieuwsgierigheid nog niet is ontwaakt. Dit komt later. Ik voorvoel dit. Tot nu toe ben ik tevreden met wat ik heb: een kamer die mij beschermt tegen weersinvloeden, een stromatras, een pot, een krukje. Verder hoor ik geluiden die mij met de buitenwereld verbinden, zodat ik mij niet alleen hoef te voelen en weet dat ik niet de enige ben op de wereld. Het is een goedaardig idee. Als ik wel de enige was zou ik me denk ik alleen voelen. Nu niet. Daarom is alles wat mijn

[pagina 17]

[p. 17]

gehoorgaten opvangen aangenaam om te horen.

De meeste geluiden komen van achter de wand waarin het raampje zit, daarna door de wanden aan mijn linkerhand en aan mijn rechterhand. Heel weinig komt door de achterwand en nog minder door de bovenwand en geen enkel geluid door de onderwand. Zodoende weet ik dat er niemand onder en boven mij woont. Ik weet nu al betrekkelijk veel. Ik zal morgen kijken of mijn zekerheid door de werkelijkheid wordt bevestigd. Ik ben nu moe van het waarnemen en het denken. Ik zal nu wat uitrusten in horizontale stand. Ook is er een licht gevoel van honger in mij, dat zich evenwel gemakkelijk laat onderdrukken. Een gevoel van voldaanheid is ongetwijfeld aangenamer.*einde*

Meteen na het eten ging hij weg. Het is nog voor half acht als hij bij het huis van Pordekkio aanbelt, nadat hij eerst thuis het telefoonnummer heeft gecontroleerd, dat een ander blijkt dan het zijne, het zijne staat voor zijn eigen naam op het adres waar hij nu is. Een grijsharige vrouw van in de zestig doet open, slierten los haar neerhangend tot over haar schouder. Haar gelaatstrekken hebben iets on-Europees en suggereren, net als de naam, een verre geboortestreek als Armenië of zoiets. Hij staart haar aan, vraagt beleefd of ze hem kan meedelen wie de vorige bewoners van het huis geweest zijn. Haar ogen worden wantrouwig, zo absurd komt de vraag haar blijkbaar voor. Ze weet niet nee wie de vorige bewoners van het huis waren en als ze het wel geweten had zou ze het al lang vergeten zijn want ze wonen hier al dertig jaar. Haar man? Die is twee jaar geleden gestorven. Hij probeert langs haar heen te kijken in de gang maar ziet niets dat hem bekend voorkomt. Een zoon? Ze heeft geen zoon, alleen een schoonzoon die het bedrijf overgenomen heeft. Daarna, omdat hij de gang in blijft kijken, beëindigt ze het gesprek en duwt de deur voor zijn neus dicht.

Hij blijft een lang ogenblik besluiteloos staan rondkijken in de straat waar hij drie jaar meent te hebben gewoond, herkent niets of niemand, of alleen vaag - de huizen bijvoorbeeld - maar het kan ook zijn dat hij ze herkent van vanmiddag of van enkele minuten geleden toen hij ze voor het laatst/eerst zag of omdat hij er vroeger al eens doorheen is gelopen.

Dan gaat hij naar de telefooncel op de hoek, draait bij wijze van wanhoopsdaad het nummer van Mirjam. De verbinding klikt. Wie zegt u? - Daarna de nummers van een paar oude vrienden - Bender, Gijs Kuyken, René Schillemans, Sybe Minnema en ten slotte zelfs de bejaarde heer Breekwater met wie hij jaren geleden een tijdje heeft opgetrokken maar die hij daarna uit het oog heeft verloren. En overal antwoorden andere stemmen. -

Verkeerd verbonden. Hij is nauwelijks meer verwonderd en neemt niet eens de moeite in eigen persoon naar de adressen te rijden, maar rijdt langzaam naar de straat waar in het begin van de middag iets heeft plaatsgevonden, hij weet niet wat, maar in ieder geval iets dat zijn bestaan volledig veranderd heeft / probeert de exacte plaats te lokaliseren. - Als hij die denkt gevonden te hebben / draait zijn nek met een ruk om in de hoop hiermee hetzelfde effect te bewerkstelligen of het tegenovergestelde, tweemaal, driemaal, tienmaal. Er

[pagina 18]

[p. 18]

gebeurt niets, hij wordt er alleen duizelig van en het enige dat hij er verder mee bereikt is dat er iets gesuggereerd wordt dat hij misschien die middag moet hebben gevoeld, maar dan niet bewust en zeker niet in die mate (als nu) en dat hij nu (na)voelt, veel sterker navoelt, zij het mogelijk alleen op grond van de situatie waarin hij nu verkeert. Het is (nu) als het kijken in een groot borrelend gat of in een naaldfijn gat van laaiende intensiteit, het is beide hetzelfde. Ook vanmiddag heeft het oppervlak misschien geborreld, een fractie van een seconde lang, maar er is hem niets van bijgebleven; het kan dus zijn verbeelding achteraf zijn die hem parten speelt; het zou net zo goed een kalm rimpelloos vlak geweest kunnen zijn, vergelijkbaar met een zwart watervlak of een heldere speldeprik van licht zonder meer. Of helemaal niets.

Toen hij zijn hoofd stilhield ging het over. De weg terug leek voorgoed afgesloten. De gedachte maakte hem niet zozeer wanhopig als wel mateloos melancholiek. Een heel, ruim veertigjarig verleden dreigde verloren te gaan. Hij zou frenetieke pogingen moeten doen het na te trekken, het te achterhalen, maar zijn wil lijkt verlamd en opnieuw komt er een grote lethargie over hem alsof hij opziet tegen een opdracht die ver boven zijn vermogen gaat. En waarom zou hij ook? Was het niet beter het hoofd in de schoot te leggen, te berusten, zich neer te leggen bij iets dat sterker was dan hij en waar hij toch niets aan kon veranderen. En nogmaals, waarom zou hij? Was iemands persoonlijke verleden wel zo belangrijk als de meeste mensen vonden? Eigenlijk zou een mens bij iedere levensfase niet alleen van beroep of/en van vrouw moeten wisselen, maar ook van verleden: een nieuw verleden opbouwen / blanco beginnen: een 40-jarige puber, een 60-jarige baby, zoals je als 17-jarige soms een vermoeide senex kon zijn, een 30-jarige man van middelbare leeftijd ∷ het nieuwe verleden dat wordt tegenover het oude verleden dat is.

Toch besloot hij nog een laatste poging te wagen.

Wanneer hij bij het Stedelijk Museum aankomt waar de kunstprijzen zullen worden uitgereikt is hij bijna verwonderd dat hij niet voor een gesloten deur komt en dat er op dit moment / ooit een prijsuitreiking plaatsvindt. Hij is te laat voor de plechtige overhandiging van de oorkonden-in-kokers van de kunstenaars - schrijvers, componisten - en het daaropvolgende ten gehore brengen van een bekroonde compositie, het vertonen van een kort filmwerk of/en het voordragen uit een bekroonde poëziebundel.

Als hij de hal binnengaat - er wordt nooit om toegangsbewijzen gevraagd, hij heeft er niet een - verlaten de genodigden juist de aula om zich naar de koffiekamer te begeven waar een feestelijke receptie aangeboden door het gemeentebestuur de avond zal besluiten. Hij blijft staan aan de deurzijde van de hal om het laatste deel van de stroom langs zich heen te laten gaan. Tussen de bijna allemaal glimlachende gezichten is er niet een die hem herkent; een enkele maal meent hij zelf met iemand bekend te zijn - een bekendheid die varieert van vrij goed tot uiterst vaag - maar als hij een stap in zijn richting doet kijkt de persoon in kwestie hem met nietziende blik aan.

Hij wordt nerveuzer en nerveuzer. Slechts eenmaal wordt

[pagina 19]

[p. 19]

hij aangesproken door iemand die hem herkent, die hem aanspreekt bij zijn naam. Opluchting. Dan onmiddellijk erop de ontnuchtering. / Wat doe jij hier? Sinds wanneer interesseer jij je voor kunst? / Hij mompelt wat over kunst als achterhaalde geschiedenis, een kunstwerk is geschiedenis op het moment dat het vervaardigd is, maar de sophisticated grap komt niet over. En even plotseling als vanmiddag bij Ingrid weet hij wie het zijn, de man, de vrouw, waar hij ze moet plaatsen. Een jongere collega van dezelfde school waar hij aan verbonden is - leraar Nederlands met zijn vrouw. De rest blijft wazig. Heb je Ingrid niet meegenomen? Nee, ze had geen zin. / Hij maakt zich van het paar los en gaat naar de koffiekamer, wadend door de mensenmassa, de waterachtig aanvoelende stemmen, het vloeibare gelach. Neemt een glas jenever van de met een wit laken bedekte tafel en laat zich het hoofd van de afdeling Kunstzaken aanwijzen, de heer J.R. Buytendijk met wie hij vrijwel wekelijks en zeker eenmaal in de veertien dagen contact had. De man herkent hem niet eens, hij hem trouwens ook niet. Er komt iets fatalistisch over hem dat hem mat maakt, weinig opdringerig, hersenmoe. Hij vraagt de heer Buytendijk of deze hem voor wil stellen aan de public-relationsman van de gemeente indien deze aanwezig is. Het hoofd van de afdeling Kunstzaken schudt niet begrijpend zijn hoofd, haalt zijn wenkbrauwen op. De gemeente beschikt helemaal niet over een public-relationsman, was het maar waar, iedere afdeling behartigt zijn eigen belangen. Overigens vindt de heer Buytendijk het een voortreffelijk idee, waard om als voorstel naar voren gebracht te worden op een volgende raadsvergadering. Hij verlaat de koffiekamer. Waarom heb ik eigenlijk naar mijzelf gevraagd, denkt hij, waarom? Ik wist toch dat -

Buiten loopt hij nog wat rond in de koele avondlucht alvorens in zijn auto te stappen, niet lang als in een moderne Italiaanse film, maar toch zeker een kwartier. Ben Roothaan wéér niet gebeld denkt hij, morgen /

Ingrid is al naar bed als hij thuiskomt. Het interieur komt hem reeds bekender voor dan van de ene keer dat hij er vanmiddag geweest is, een haast koesterende sensatie na de desoriëntatie van de afgelopen uren waaraan hij zich zonder verzet overgeeft; binnenhuiswarmte. Onmiddellijk daarop ervaart hij het ook als iets lafs, alsof hij zijn lot al te gemakkelijk accepteert, zoals sommige mensen weerstand menen te moeten bieden aan comfort dat hen inkapselt. Hij schenkt zich nog een glas jenever in / zijn vingers weten de fles zonder zoeken te vinden / drinkt het staande leeg. Dan gaat hij naar boven, nee eerst naar het toilet, er is een nieuwe luchtververser neergehangen, het ruikt er fris en neutraal, de vloer is schoon. Je kunt er rijst van eten.

Dan ongehaast de trap op, vannacht zal hij naast een nieuwe vrouw slapen, het windt hem niet bovenmatig op. Even kijkt hij nog in de slaapkamer van zijn jongste dochtertje, de enige bij wie hij het kan doen, de beide anderen zullen als ze wakker worden vragen wat hij in hun kamer uitvoert. Hij blijft lang boven het gezicht van het halfvreemde kind staan kijken. Alleen de neus schijnt te slapen, ze heeft haar oogleden half

[pagina 20]

[p. 20]

open maar ziet niets, misschien misschien zou ze gaan schreeuwen als ze hem zag staan, zoals hij vroeger toen ... // De twee pyjama's als witte kaarsen naast zijn bed; de borende ogen van zijn broer Klooster die zich los schijnen te maken uit zijn hoofd en fluisterend op hem afkomen / ik heb het niet gedaan roept hij / zijn moeder die komt toegelopen in haar nachtjapon / je hebt gedroomd zegt ze / je moet wakker worden, vlug / hij draait zijn hoofd af, weg van de borende ogen die hem beschuldigen / ik kan toch niet mijn hele leven wakker blijven zegt hij klagend, het kómt terug! // Hij breekt de gedachtenbeelden af, het is verwarrend, verwarrend. Ik heb helemaal geen broers gehad denkt hij, ik ben altijd enig kind geweest. Ben ik? / Verlaat de kamer van zijn dochtertje.

Zijn vrouw slaapt nog niet. Hij kleedt zich uit, pakt zijn pyjama onder het hoofdkussen vandaan waar hij, schuin achter haar hoofd staande, eerst aan ruikt. Schuift onder het laken, trekt het licht uit.

Is er iets? Je was zo afwezig vanmiddag. / Nee, ik zat wat te piekeren over .../ Hij trekt haar naar zich toe, vreemd nieuw vlees. Streelt haar linkerborst. Als zijn hand naar de rechter zoekt ontmoet deze niets, er is geen andere borst. Hij schrikt zo dat zijn spierspanning wegebt. Ochgod, denkt hij. Denkt: ze is twee jaar geleden geopereerd, de stakker, tot nu toe is alles verder goed gegaan, geen uitzaaiingen, laat het zo blijven.

Om niet te laten merken dat zijn erectie is afgenomen beweegt hij zijn geslacht met zijn andere hand snel een aantal keren op en neer tot het zich hersteld heeft.

Hergeboorte. Niet alleen dat niemand bepalen kan óf, waar en wanneer hij geboren wordt, hetzelfde geldt voor zijn hergeboorte, óf, wanneer, waar / ooit, nooit / niemand die het weet. Hier ligt hij naast de vrouw die hem toegevoegd is als een soort menselijke BTW. Iedere keer de eerste keer. Uitvinden hoe haar lichaam reageert op zijn strelingen, op zijn woorden, waar ze gevoelig is op haar huid, in haar geest, hoe/wie zijn kinderen zijn, wie/hoe hij zelf is/was. Er zat iets boeiends in. Maar Fried, denkt hij, hoe moet het nu met ... / Wie is Fried? - dan laat het over zich komen - het.

*begin* Ik open voorzichtig de deur. Geluid komt in golven en losse klanken op me af, slaat me bijna terug. Ik blijf even staan om eraan te wennen, houd me aan de deurlijst vast. Mijn huid en hoofd absorberen een deel van het geluid en werpen de rest terug: onbruikbaar, niet te duiden. Dan kijk ik om de deurlijst, naar links en naar rechts. Zie. Tweevoeters als ik. Hun hoeveelheid overstelpt me. Ik verman me en laat de deurlijst los, sluit de deur. Ik ben bang. Hopelijk zal het overgaan als ik aan hun aanwezigheid gewend ben.

Schuifelend beweeg ik mij zo dicht mogelijk langs de huizen, waar de meeste kans is dat ik niemand aan zal raken of niemand mij, wat op hetzelfde neerkomt vrees ik.

Voor ik de hoek omga blijf ik een korte tijdsduur staan om de spanning uit mijn lichaam te laten wegebben, als dit

[pagina 21]

[p. 21]

tenminste mogelijk is. Een viervoeter die ik voorlopig maar hond zal noemen bij gebrek aan nadere informatie houdt zich in mijn buurt op; ik stel daar geen prijs op. Misschien naderhand, als ik over meer informatie beschik zal het er geen blijken te zijn en had ik mij niet hoeven op te winden.

Terwijl ik verder loop probeer ik zo nu en dan een tweevoeter aan te kijken bij wijze van experiment, maar het lukt mij niet de blik van één van hen, hetzij man of vrouw, langer dan twee tellen vast te houden, dan moet ik mijn ogen neerslaan. Bij sommigen breng ik het niet verder dan één tel, zo sterk is hun blik. Ik zal mij er in moeten oefenen ofwel mijn eigen blik sterker maken. Het zou goed zijn als ik iets blinkends had zodat ik mij zou kunnen bekwamen door mijzelf in de ogen te kijken.

Ik sla een tweede hoek om, dan zie ik wat ik nodig heb. Het ligt in kisten en kleine manden en er zijn er veel van. Ik wacht tot ik niemand hoef aan te raken of wég te kijken, wat ik niet kan. Dan pak ik een vrucht en een stuk gele eetwaar en loop door. Het is wonderlijk zo snel als mij namen te binnen schieten voor dingen waar mijn aandacht zich op richt, ook zonder dat ik erover nadenk. De vrucht noem ik voorlopig peer tot ik hem geproefd heb en de smaak ervan zijn naam zal hebben bevestigd. D eetwaar noem ik tot nader order kaas. Er is niemand die mij het bezit van de vrucht en de kaas betwist, dus zijn zij van mij. Om die reden ben ik heel vrolijk. Misschien bedenk ik zijn ze altijd wel van mij geweest zonder dat ik het wist, want ik heb al geruime tijd honger. Ik moet nu mijn hol terug zien te vinden.

Ik zie en herken de deur. Dat ik mijn hol zo spoedig hervind dank ik aan mijn eenmalige ervaring. Ik ben er trots op. Voor ik naar binnen ga, vlug, want niemand mag mij hier te lang zien staan anders zou misschien mijn hol hun begeerte kunnen opwekken, werp ik meen blik omhoog en omlaag. Het is zoals ik voorspeld heb: er woont niemand boven mij, niemand onder mij. Ik geloof dat ik zelden een fout zal maken.

De vrucht smaakt zeer lekker en proeft inderdaad als een peer. Het moet dus een peer zijn. Zij is sappig, haar vocht druipt over mijn kin waar ik met mijn tong niet bij kan. De kaas is ook zeer lekker en smaakt naar kaas. Ik kan de dingen die ik zie of meeneem voortaan beter direct benoemen, zonder te aarzelen of over hun naam te twijfelen; twijfelen maakt mij onzekerder.

Tussen mijn kamer en de buitendeur is een klein halletje dat ik ontdekt heb toen ik naar buiten ging. Tegen de achterwand bevond zich een kraan. Ik ga er heen en draai de kraan open. Er komt water uit, waarin ik mijn handen was. Het is zeer aangenaam water in huis te hebben. Als ik mijn handen gewassen heb en mijn mond gespoeld draai ik de kraan vlug dicht want ik weet niet of het water zal blijven stromen.*einde*

Het kost mij betrekkelijk weinig moeite aan mijn nieuwe omgeving te wennen, het gaat snel. Ik hoef in feite zelfs geen

[pagina 22]

[p. 22]

inspanning te doen om me in te leven, het komt gewoon over me; het komt over me als een natuurlijke zaak en op sommige momenten vraag ik me af of het niet altijd zo geweest is als nu. Misschien herinner ik me over een maand of drie al niet meer dat het ooit anders is geweest. Het. Ik lijk wel op een herstellende zieke die nooit ziek geweest is. Dat ik het gevoel heb een aantal jaren ouder te zijn dan ik ben/was neem ik maar op de koop toe. Wat betekent tijd tenslotte voor wie er zich niet van bewust is. Misschien is mijn nieuwe milieu iets burgerlijker en regelmatiger dan ik lange tijd gewend was maar ook dat levert geen onoverkomelijke moeilijkheden op, ik pas me blijkbaar (blijkbaar) gemakkelijk aan. Nooit geweten. Aan de andere kant komt het mij, komt het ons (ons) goed van pas: ik moet zo weinig mogelijk opvallen. Burgerlijkheid als mimicry. Op school ga ik zelfs door voor een tamelijk beheerst man; onder het lerarenkorps, vooral onder de jongere collega's zijn er die naar buiten toe veel vooruitstrevender lijken dan ik. Het is opvallend hoe dit de laatste jaren veranderd is (weet ik weet ik weet ik); er zijn er zelfs twee met lang haar en enkelen die een corduroy broek dragen. Ik niet, ik ben correct gekleed en draag mijn haar kort geknipt. Ik heb bijna iets robotachtigs denk ik soms. Ik kom nu ook keurig op tijd op school, van de weeromstuit iets te vroeg zelfs omdat ik er rekening mee houd dat de brug op kan zijn, dat ik een lekke band kan krijgen of een aanrijding, in een verkeersopstopping verzeild kan raken, een steen op mijn hoofd kan krijgen, enzovoort. God mag weten ga ik op den duur wel de indruk wekken een dienstklopper te zijn, het zij zo. In wezen is het minstens zo overdreven om te laat te komen, weet ik nu en bovendien onnodig. Maar afgezien van dit vrijwillige inzicht zal een wat exacter tijdsbewustzijn mij/ons ook in de toekomst van pas komen wanneer het een kwestie van minuten of seconden zal zijn.

De eerste dagen heeft mijn nieuwe bestaan mij overweldigt, het meest wellicht nog tijdens de lesuren, omdat ik daar voortdurend geconfronteerd werd met mijn eigen schoolleeftijd. Herinneringen die ik nooit meende gehad te hebben overstroomden mij als smeltwater van tientallen jaren oude sneeuw. De waanzinnigste beelden doken op. Mijn hoofd soms een heksenketel van mengvormen. Dat is nu al sterk verminderd, zoals ook de melancholie om-wat-geweest-is voor het grootste deel is verdwenen (: het nieuwe verleden dat wordt). Wat mij meer bezig houdt zijn de grote hiaten die daar nog in zijn en die mij soms met een plotselinge angst vervullen dat ik mij verspreek / door de mand val als echtgenoot, vader, collega, kameraad / bijvoorbeeld wanneer in een gesprek zijdelings ter sprake komt waar Ingrid en ik elkaar hebben leren kennen. Paniek. Schandelijk genoeg weet ik het niet (meer). / Maar zoals altijd schiet nauwelijks een seconde later mijn bewustzijn mij te hulp, het heeft me nog geen keer in de steek gelaten, al breekt het angstzweet mij nog steeds uit bij de gedachte dat het kan gebeuren.

(Hun huwelijk een computerhuwelijk, misschien wel het eerste in het land. Ze hadden zich bij wijze van grap opgegeven voor het experiment, zij studente Frans - ze gaf nog steeds 6 uur in de week les - hij studerend aan de 5-jarige

[pagina 23]

[p. 23]

Universitaire Leergangen voor Leraren. Hun voorkeuren waren in ponskaart gebracht / karaktertrekken / idealen / seksuele gedragspatronen / wensen enz. De ponskaarten hadden geklikt, een ongezond grote toevalsfactor was uitgeschakeld. De kennismaking werd onder grote hilariteit aangegaan / voortgezet, tot nu toe. Het experiment kon niet anders dan als geslaagd worden beschouwd. / Afkloppen. / Met hun derde kind lagen ze iets boven het gemiddelde van 2.4 kind dat toelaatbaar werd geacht voor een verantwoord bevolkingspeil maar toch niet zoveel dat ze tot een asociaal gezin konden worden verklaard. Nog niet. Het derde was overigens waarschijnlijk een ongelukje geweest, hij dolf de oorzaken op. Dronken beelden na een feestje. Te lui om op te staan, te trage reactie van zijn kant. Dit was voldoende aanleiding voor het ontstaan van een kind. Treurig treurig. Maar gelukkig kenden ze geen enkele frustratie ten aanzien van hun wijze van kennismaken, zoals bij een paar andere gezinnen waar het spreken over de computer taboe was.)

Overigens had hij het slechter kunnen treffen. Sneller nog dan aan het schoolmilieu en de rest van het gezin raakte hij aan Ingrid gewend. Misschien kwam het omdat ze iets van Fried had, zoals Fried iets van Mirjam had gehad. Het komt vaak voor dat een man eenzelfde type vrouw terugkiest, ook al hangt zijn voorgaande hem de keel uit. Na een week was het alsof hij haar al jaren gekend had en reeds de eerste de beste morgen had hij er zich op betrapt dat hij op dezelfde manier een afscheidskus op haar omlaag gedrukte onderlip plantte als bij -/ Daarnaast nog een paar tics, waarop ze reageerde of hij het al tienduizend keer gedaan had. Overigens had Ingrid meer weg van Mirjam dan van Fried, Fried was duidelijk een tussenfase geweest, dat wil zeggen als hij al eens aan zijn vorige vrouwen dacht, wat zelden gebeurde, dan was het aan Mirjam, niet aan Fried. Mirjam, de herinnering aan een heel oude vriendin. Het kind bestond al bijna niet meer, was vrijwel vervaagd tot niets, Fried zou volgen, daarna Mirjam en de rest van zijn verleden. Spoedig zou hij nooit public-relationsman geweest zijn, nooit copywriter, nooit... Alles wat er nog aan oude herinneringsbeelden in zijn bewustzijn aanwezig was werd opgenomen en omgevormd in het focus van zijn huidige realiteit, samen met de opkomende beelden van zijn nieuwe verleden.

Het geheel was als een zich schoksgewijs vormend mozaïek waarvan de delen nooit in tegenspraak met elkaar kwamen, altijd pasten; het beeld moest fundamenteel juist zijn, werkelijkheid zijn. (Werkelijkheid was nooit in tegenspraak met zichzelf, anders zou het geen werkelijkheid zijn; alleen het beeld dat je je van de werkelijkheid vormde kon een tegenspraak oproepen.) Misschien dat hij zich daarom niet ongerust maakte, omdat de ervaring hem leerde dat de lacunes zichzelf altijd opvulden zodra de situatie het werkelijk vereiste: de juiste beelden kwamen als in een bliksemflits. Het was als iemand die meent aan geheugenverlies geleden te hebben, alleen, hij had niet aan geheugenverlies geleden -, niets in zijn omgeving dat er op wees - hooguit aan werkelijkheidsverlies.

[pagina 24]

[p. 24]

*begin* Avond. Het is donker in mijn hol, alleen door het raampje aan de straatkant schijnt enig licht, maar niet voldoende. Ik had niet zo lang op het krukje moeten blijven staan, ik heb te veel willen zien, te snel willen wennen, waardoor mij geen licht is overgebleven om te doen wat ik had willen doen.

In de wand naast de kamerdeur zit een knopje waarvan ik weet dat het een lichtknopje is. Ik heb het tot nu toe niet durven aanraken. Ik overwin mijn vrees nu, wat mij minder moeite kost dan het mij gekost zou hebben wanneer ik niet meermalen in de buitenwereld was geweest en draai het knopje om. Een groot licht vult de kamer. Ik draai de knop opnieuw om en het wordt, nee is weer donker, donkerder zelfs dan voorheen. Draai ik de knop voor de derde maal om, wordt het weer licht en lichter dan de eerste keer. Daarna blijft het licht op ongeveer dezelfde sterkte. Een groot geluk vervult mij, want het is een prachtig en sterk licht dat alles in de kamer zichtbaar maakt: het zeer witte wit van de wanden, mijn matras, het krukje, de handdoek, het glinsterende blik dat ik meegebracht heb. Ik ben trots op het licht, want al heb ik het niet zelf gemaakt ik heb het wel te voorschijn geroepen. Ik hoop van harte dat het niet snel uitgeput raakt, ik zal het niet onnodig laten branden.

Ik ga op mijn krukje zitten en pak het stuk blik dat het deksel is van een doos die ik leeg gevonden heb. Het blinkt als een spiegel hoewel het geen echte spiegel is, dit weet ik. Ik houd het glimmende deksel voor mijn gezicht en kijk mijzelf strak in de oogholtes. Ik pers mijn lippen stijf op elkaar en tel tot drie, tot vier. Dan sla ik mijn ogen neer. Het is nog niet lang, maar toch langer dan de langste blik die ik buiten heb kunnen weerstaan. Ik mag dus niet ontevreden zijn. Maar om mijn blik krachtiger te maken zal ik veel moeten oefenen.

Na een betrekkelijk lang ogenblik leg ik mijn spiegel weg, moe. Ik heb het tot vijf tellen gebracht en dit is voor vandaag voldoende. Als ik in dit tempo doorga zal ik over een halfjaar iemand onbeperkt aan kunnen kijken.

Voor ik het licht uitdoe bewonder ik nog even mijn handdoek, ik heb hem van een waslijn genomen waaraan er nog vijf hingen, de vrouw zal hem dus niet missen. Ik heb er voor de straat moeten oversteken. Ik zag er zo tegen op dat ik een zeer lange tijdsduur op de rand van de stoep ben blijven staan. Ik ging, ik had het morgen of overmorgen toch moeten doen omdat ik niet steeds mijn eetwaren bij dezelfde huizen kan wegnemen hoeveel er ook ligt.

Nadat ik de straat overgestoken was viel het mij zeer mee, de kans dat men op de middenweg mensen aanraakt is minder groot dan op de stoep. Mijn angst is achteraf zo niet overbodig dan toch te groot geweest, want alleen omdat ik de laatste passen te haastig nam is het mij op het laatste moment toch overkomen. Ik werd getroffen. Door een man. Het was of er een gat in mijn schouder brandde. Ik probeerde het snel weg te wrijven, hoewel de sensatie na het eerste brandgevoel niet onaangenaam was. De plek bleef nog lang nagloeien en werd daarna zwakker. Ik vraag mij af of de aanraking met een vrouw

[pagina 25]

[p. 25]

enig verschil zou hebben gemaakt, ik weet het niet. Gezien het grote aantal soortgenoten dat zich op straat bevindt zal ik het ongetwijfeld spoedig genoeg uitvinden.

In de tuin waar de waslijn hing vond ik ook nog een half opgegeten klein broodje. Het zat in de hand van een kind. Het was zeer smakelijk, brood is een goed voedsel. Ik houd de handdoek voor mij uit en bekijk hem. Het is nu mijn handdoek, ik ben er heel tevreden mee. Voortaan zal ik mijn handen en gezicht kunnen afdrogen als ik ze gewassen heb. Ik zal een spijker moeten vinden om hem aan op te hangen.

Het water heeft tot nu toe niet opgehouden te stromen, maar ik weet nog steeds niet zeker of het zo zal blijven. In verband hiermee heb ik nog een ontdekking gedaan, bij toeval. Toen ik mijn duim op de afvoeropening hield bleef het water in de bak staan. Als ik nu van een stukje hout of het uiteinde van een stok een dop maak en deze als duim gebruik zal hetzelfde gebeuren. Dit betekent minder verspilling van water, ja, ik kan het zelfs meer dan eens gebruiken. Ik vraag mij af of meer mensen dit ontdekt hebben.

Ik draai het licht uit en leg mij neer op mijn matras. Ik sluit mijn ogen. Ik slaap. *einde*

Ben Roothaan komt mij halen in zijn auto. Ben, een rijzige gestalte van een jaar of vijftig met grijzend haar en een gezicht waarvan alle onderdelen duidelijk gemarkeerd zijn als onderdelen maar toch een eenheid vormen zoals op een kubistisch schilderij of een beeld opgebouwd uit voorwerpen, oude machine-onderdelen die, hoe vreemd ook op zichzelf, binnen het kunstmatige geheel uitstekend lijken te functioneren; de bruine ogen wekken vertrouwen op het eerste gezicht. Hij heeft een natuurlijk overwicht dat ik wantrouw maar niettemin moet erkennen. Ben. Eén van die benijdenswaardige figuren aan wie niemand twijfelt. Ambachtsman - heeft een winkel in sanitair annex loodgietersbedrijf, maar waarschijnlijk met een grotere praktische intelligentie begiftigd dan één van ons en misschien wel met en hoger iq, wie zal het zeggen. Als hij een verklaring geeft is het bijna altijd voldoende. Krijgt bijvoorbeeld ook nooit een bekeuring, legt de situatie waarin hij verkeerde voordat hij de overtreding beging nauwkeurig uit, liefst staande en kijkt de politieagent met zijn vertrouwen inboezemende ogen ononderbroken aan, daarna is de zaak bekeken en mag hij doorrijden.

Het heeft mij vroeger al met verbazing vervuld. Op de werf van mijn vader waren er ook een paar, arbeiders die ik domweg gehoorzaamde als ze me iets verboden en anderen van wie ik me niets aantrok, dat wil zeggen, het heeft me naderhand verwonderd toen ik een jaar of zestien zeventien was. En soms nog, nog steeds steekt rancune zijn kop op wanneer er in mijn nabijheid naar iemand geluisterd wordt omdat hij zijn woorden met meer klem, nadruk, overtuiging of gewoon zonder meer uitspreekt, terwijl het gelijk of méér gelijk of het grootste gelijk aan de kant van een ander, aan mij is en de rest van het gezelschap dit weet. De machteloze intellectueel met zijn zachte stem wordt hooguit beleefd

[pagina 26]

[p. 26]

aangehoord, maar zijn gelijk heeft geen enkele implicatie voor de werkelijkheid∷ misschien dat daarom zoveel intellectuelen lid zijn van onze partij en naar verhouding zo'n groot aandeel hebben in de buitenparlementaire acties, hoe machteloos en kinderlijk die soms ook mogen aandoen. Je moet er een zekere verbeten speelsheid voor op kunnen brengen en een soort kinderlijk (bij)geloof, of ongeloof in het resultaat dat van tevoren wordt ingecalculeerd. En als hun actie voortkomt uit gefrustreerdheid, wat dan nog. Wie is niet gefrustreerd? Ben niet nee.

De tweede man bij ons in de auto is Jan de Geus, een jonge machinebankwerker. Hij heeft op het laatste moment de plaats ingenomen van Eline Nimwegen die haar enkel heeft gekneusd. Ik weet dit. Ben rijdt naar Nieuw-West. Hij verwijt me dat ik slordig ben in het nakomen van telefonische afspraken, ik heb hem opnieuw vergeten te bellen, hij vindt dat zoiets onder kameraden gezegd moet kunnen worden. Jan de Geus beaamt het. Ik beloof mijn gedrag te zullen beteren.

Overigens wil het woord kameraad me nog steeds niet over de lippen komen, kameraad Roothaan, kameraad de Geus, kameraad Nimwegen, het klinkt mij te belachelijk in de oren, net zo min als ik in staat ben de Internationale mee te zingen als de gelegenheid zich voordoet, de afschuwelijke larmoyante tekst.

Vroeger al toen ik voor 't eerst een politieke vergadering bijwoonde: de psalmachtige socialistische gezangen die niet over mijn lippen wilden komen, de gezwollen woorden verlamden eenvoudig mijn stembanden // Morgenrood, uw heilig gloeien / heeft mij steeds de dàààg gebràààcht, of iets soortgelijks // ik, toppunt van vooruitstrevendheid toen, vader en moeder bijna in tranen toen ze hoorden dat /

Het is vrij stil op straat, één uur in de nacht, alleen in de hoofdaders heerst nog een vrij druk verkeer. Wij passeren een rondkruisend politieautootje, kijken alle drie achterom, Ben in het binnenspiegeltje. Lachen. Kameraad de Geus slaakt een formule die ik op dit moment niet na kan voelen, maar waar ik toch de invloed van onderga. Een lichte schok van verontwaardiging, juist gericht, dat wil zeggen op het autootje, gepaard gaande met wat extra opgewekte warmte in mijzelf, zoals gewoonlijk gewoonlijk. // Ontwaakt, verworpenen der aarde //

(Van mijn kinderen is zoon Daco duidelijk conservatiever dan ik, ook in politiek opzicht. Hoe zoiets ontstaan kan binnen de commune van een 5-mansgezin is verbazingwekkend. Ingrid deelt mijn politieke opvattingen en kan hem dus niet in tegenovergestelde richting beïnvloeden. Zoon Daco is meer voor gematigde veranderingen in de maatschappij, deze moeten zich geleidelijk voltrekken, jawel. Misschien kijkt hij zelfs een beetje op zijn onbesuisde vader neer. Ik herinner me nu bijvoorbeeld dat hij het overdreven vond toen ik, enkele maanden geleden, een verkiezingsbiljet voor het raam hing van de Revolutionair Socialistische Partij waar ik lid van ben, maar ten slotte wou hij niet achterblijven en hing een klein beschaafd biljetje voor het raam van zijn eigen kamer van D66, waar hij sympathie voor heeft. Hij ergert zich trouwens ook aan zijn zuster Thessa en is er op tegen dat ze de pil gebruikt, ja, het is niet te geloven, hij is in het algemeen zelfs tegen voorechtelijk

[pagina 27]

[p. 27]

geslachtsverkeer, hij heeft mij geprobeerd uit te leggen waarom, maar ik kon er geen touw aan vastknopen. De jongen moet wel erg geremd zijn. Ik zal proberen na te gaan wat de oorzaak hiervan kan zijn wanneer ik voldoende feiten kan achterhalen.

Overigens is hij intelligent genoeg en bij het zelfverzekerde af. Hij weet nu al wat hij later studeren wil, fysische geografie; hij heeft een stenenverzameling die er zijn mag. Een aantal kennissen brengt de meest uiteenlopende gesteenten en aardsoorten voor hem mee als ze in het buitenland zijn geweest, hij brengt ze keurig in kartonnen dozen, doosjes met doorzichtige deksels of apothekersflesjes onder. Een keer in de twee weken, op zondagmorgen onmiddellijk na het ontbijt, stoft hij alles af. Het is een efficiënt baasje. Het liefst zou hij de kinderbijslag die wij voor hem krijgen zelf beheren omdat hij vindt dat hij beter met geld om kan gaan dan zijn ouders, wat op zichzelf niet onjuist is.

Thessa. Hoewel niet dom doet ze het iets minder goed op school dan haar jongere broer, maar ze wordt dan ook genaaid bij het leven: er gaat veel tijd in zitten. Het maakt mij wel eens jaloers, misschien omdat ik haar nog steeds niet helemaal als mijn eigen dochter beschouw, maar mogelijk heeft dat er wel niets mee uit te staan en is het nog zwakke bezitsinstinct van de vader toch al zo sterk dat dit op zichzelf voldoende verklaring is. De godganse avond en ieder weekend hangt er een troep rekels rond voor ons huis, het zal me niet verwonderen als ik er eens een paar letterlijk aan de deur zie snuiven. Op het lyceum is ze berucht maar niet onpopulair, ook bij de meisjes niet, wat iets wil zeggen, en ik weet dat het loeder soms opzettelijk leraren uitdaagt, vooral de gymnastiekleraar. Ze draagt duidelijk geen beha. Het is me gebleken dat ze een paar jaar geleden, toen ze nog geen zestien was, op een bal masqué voor middelbare scholieren ieder die zich in haar onmiddellijke omgeving bevond tussen de benen tastte om te kunnen constateren of het een jongen of een meisje was. Ze zou misschien van school gestuurd zijn als de leerlingen niet gedreigd hadden de directiekamer te zullen bezetten toen er maatregelen tegen haar dreigden genomen te worden, ik mag zoiets wel. Ook een goedburgerlijk milieu heeft zo zijn kleine problemen. Met Stelleke hebben we gelukkig het minst te stellen of liever helemaal niets, dat is misschien de reden dat ik minder verwantschap met haar voel dan met de anderen. Het is een lief kind, erg huishoudelijk en misschien iets te introvert, ze doet niets liever dan de boel beredderen, poppenkleertjes strijken, meehelpen in de keuken. Leuk. Het lijkt wel of het een goed geslaagd nakomertje is van - Maar ik heb geen voorganger, dacht hij, wij zijn binnenkort twintig jaar getrouwd, twintig jaar getrouwd, twintig jaar getrouwd.)

Plotseling stopt de auto, vlak voor een viaduct. Ben blijft achter het stuur zitten, De Geus en ik springen naar buiten, gewapend met stijfselpot, kwast en plakkaat. Even heb ik het gevoel één van mijn eigen kinderen te zijn, maar dan niet Daco. O nee.

[pagina 28]

[p. 28]

*begin* Dit keer heb ik mij verder gewaagd dan ooit tevoren, meer dan drie huizenblokken, ik begin brutaal te worden. Het is hier drukker dan in de straat waar ik woon.

Het is ook een levensnoodzaak dat ik mijn voedselgebied uitbreid, alleen daarom al is het goed dat ik aan meer mensen wen en aan hun nabijheid. Wil ik gevarieerder eten, dan zal ik bovendien in de huizen moeten binnendringen, in winkels.

Ik ben nu veel minder bang op straat sinds ik verkeersregels ontdekt heb en weet hoe zij werken. Als ik er mij aan houd ben ik veilig.

De stoep die een onderdeel van de straat is kan men, hoewel er geen regels voor zijn, zonder gevaar oversteken. De snelheid van de voetgangers is zeer gering en men kan iedereen ontwijken die men wil. Bij de rand van de stoep gekomen blijf ik wachten tot het voetgangerslicht - een klein rood mannetje - op groen springt. Is dit gebeurd, dan stopt het verkeer en is de rijweg vrij. Veilig bereikt men zo de overzijde, mits men niet buiten de witzwart gestreepte strook treedt en zich aan het juiste tempo houdt. Die dit uitgedacht heeft is een zeer verstandig mens. Helaas zijn deze voetgangersoversteken niet overal. Ik zoek ze zoveel mogelijk op. In alle andere gevallen moet ik op mijn eigen oordeel vertrouwen.

Daarnaast is er de politieagent tot wie ik mij kan wenden als er gevaar dreigt. Een agent is herkenbaar aan zijn uniform. Ook dit verschaft mij zekerheid en die deze figuur bedacht heeft is evenzeer een zeer verstandig mens. Misschien is het wel dezelfde man die beide dingen bedacht heeft.

Om sneller aan de aanwezigheid van anderen te wennen stel ik mij op bij een bushalte waar veel mensen wachten. Ik ga tussen hen staan en kijk strak voor mij uit. Angstzweet breekt mij aan alle kanten uit. Mijn lichaam gloeit. Ik word aangeraakt, aan arm, schouders, rug, maar het brandt minder dan de eerste keer. Enkelen praten. Ik probeer hun woorden te volgen..... duurt nu al tien ..... de ....., hij wou niet dat ik het ..... eerste aanbetaling ..... veel en veel economischer .....

Het is mij niet mogelijk hun woorden te duiden en hun weinige gebaren evenmin. Nog niet. Over enige tijd zal mij echter alles duidelijk zijn, wanneer ik over meer luisterervaring beschik. Ik zie uit naar het ogenblik dat het zo ver is.

Mijn lichaam gloeit nog, maar mijn angst neemt langzaam af. Het is minder gevaarlijk gebleken dan ik gevreesd had. Als de bus komt ga ik weg. Ik heb de proef doorstaan, ik mag niet ontevreden zijn.

Hierna neem ik voor twee winkels een aantal eetbare waren weg die mij bekend zijn van vorige malen zodat ik weet dat hun smaak juist is - een krop sla, een doos koekjes, een gerookte worst. In een minder drukke straat eet ik de waren op waarvan de smaak mij juist door zijn bekendheid geen verrassing brengt. Dan zie ik hoe een arm uit een venster steekt en een bord met melk neerzet voor een poes. De onderkant van het raam is bijna op één hoogte met het niveau van de straat. Voor het raam is een traliehek dat openstaat.

Als de arm zich teruggetrokken heeft duw ik het hek dicht, jaag de poes weg en neem het bord. Ik zuig de melk op,

[pagina 29]

[p. 29]

ze is lauw en er zitten kleine stukjes brood in die eveneens naar melk smaken. Het is een zeer goed voedsel dat ik meer moet zien te bemachtigen. Ik wacht even om te zien of er nog een tweede bord komt. Als dit niet het geval is ga ik naar huis. Het bord neem ik mee. Deze nieuwe ontdekte voedselbron moet ik in de gaten houden.

Op weg naar huis kom ik een man tegen met een hond. Een hond is een onrein dier, hij doet zijn behoefte op straat; bovendien is hij niet te vertrouwen zoals mensen. Hij heeft een hondengeest. Zoals gewoonlijk ga ik er met een boog omheen. De man lacht en kijkt mij aan. Ik probeer zijn blik te weerstaan, tel tot twee, drie. Dan sla ik mijn ogen neer. Zijn blik is te krachtig. Ik moet een echte spiegel zien te krijgen om mij te oefenen.

Ik zie hoe de hond die ik in het oog houd zich omdraait en op mij af komt. Radeloos van schrik begin ik te rennen. Hij loopt mij achterna, hij heeft blijkbaar geroken dat ik bang ben. Pas op de hoek van de straat fluit zijn baas hem terug. Ik hoor hem lachen. Hij is dus evenmin te vertrouwen. Hij moet onder invloed staan van de hond. Ik verlangzaam mijn passen, blijf even staan. Trillend over mijn hele lichaam bereik ik mijn hol. *einde*

Volgende week komen mijn ouders op bezoek. Ik ben nieuwsgierig wie ze zijn, al heb ik een vrij duidelijke voorstelling van ze.

Mijn vader houtimporteur - groothandel. Welvarend bedrijf. Er staat mij in de toekomst zo het een en ander te wachten: vanuit mijn politieke overtuiging weet ik nog niet goed wat ik met het geld moet doen, weggeven? in de kas van het actiecomité storten?

(In tegenstelling tot veel van mijn generatiegenoten heb ik niet tegen mijn vader hoeven te rebelleren, alleen tegen mijn grootvader die bij ons inwoonde, een lange grijsharige potentaat die tot op hoge leeftijd alleeneigenaar van de firma bleef en zich bovendien met de opvoeding van zijn kleinzoon meende te moeten bemoeien. Hij beent door mijn jeugd als een soort schaduw-De Gaulle.

Toen ik op mijn zeventiende, aan tafel, meedeelde dat ik besloten had niet/nooit in de zaak te gaan heeft hij me een jaar lang niet aangekeken. Mij een zorg. Om hem te pesten begon ik vanaf die tijd met mijn vader te praten over houtsoorten, die ik alle al kende, en over alles wat met import en verwerking van hout samenhing, zodat hij het des te meer zou betreuren dat ... Ik heb geloof ik zelfs met de gedachte gespeeld de hele boel in de fik te steken om zijn image te verbranden in een vlammenzee van duur hout.)

Beeld dat de laatste weken al duidelijker doorkomt / hoef het niet eens te verifiëren, weet vrijwel zeker dat het werkelijkheid is geweest. De hoge stapels planken, balken, boomstammen, gedeeltelijk in open loodsen, de meeste gewoon in de buitenlucht. Bijna aan het eind van de uitgestrekte opslagplaats heb ik mijn hol binnen in een van de houtstapels. Het gat is ontstaan doordat ik de middelste

[pagina 30]

[p. 30]

planken van de onderste helft wat naar voren en naar achteren heb getrokken na eerst de hele bovenlaag eraf te hebben gehaald vanwege de zwaarte. Vlak boven de grond is een kruipgang uitgespaard tussen de onregelmatig naar voren stekende planken die ik ten dele heb onderstut met dwarsplankjes. De gang valt tussen de andere holtes nauwelijks op voor wie er niet op let. Het is een inspannend werk geweest dat een beetje boven mijn macht is gegaan maar het is ten slotte gelukt. De volgende weken sleep ik er een oude matras naar binnen, een kleine stormlamp en de kampeerprimus die op zolder stonden en ander kampeergerei. Na de ingang vanbinnen afgedekt te hebben met een doek kan ik de lamp aansteken en op de matras gaan liggen. Het ruikt er naar aarde, nat hout en boomschors. Ook kan ik er nu eendeneieren gaan koken die ik tussen het riet vind, kleine vissen braden die ik zelf in de rivier vang en ongestoord onaneren. De enige die ik verder in mijn hol toelaat is Jozientje en mijn hond.

In de loop der jaren heb ik herhaaldelijk van hol moeten veranderen, wanneer het hout voldoende droog is wordt het verkocht of elders opgeslagen, al blijven sommige stapels langer dan een jaar onaangeraakt staan. Mijn zwervend hol, een wandelende woonplaats. Het interieur verandert met de jaren en wordt uitgebreid: een oud radiootje dat niet kan spelen - er waren toen nog geen transistorradio's bedenk ik met spijt, nu -, een lampetkan met water en een emaillen schaal, een kist met een stuk zeildoek erover, een vaasje met pinkster- en boterbloemen of kleine bloeiende takjes van de meidoorn, de vlierstruik of geurige kamperfoelie. Het is er altijd warm binnen en grootvader kan er niet komen, zelfs als hij het wist en zou willen, de ingang is te klein. Op de duur ontdekt het personeel het natuurlijk toch, maar als ze er ooit iets over tegen mijn vader gezegd hebben heeft deze het niet laten merken; ook de portiers weten het en ik heb het vermoeden dat een van hen er wel eens met een meisje in is geweest, 's avonds; hij is klein van stuk.

Beeld van mijn tweede hol, althans het tweede dat ik mij herinner. Jozientje en ik. Ik heb een stuk zeep meegebracht dat ik in staafjes snijd en met mijn mes rond en glad maak. Daarna trekken we beiden onze broek uit en bewegen het zeepstaafje bij elkaar op en neer in de poepopening zoals we dat vroeger bij kleine baby's hebben zien doen die hun ontlasting niet kwijt konden. Nadat ik het bij mezelf heb uitgeprobeerd heb ik ontdekt dat het een heel aangename prikkeling teweegbrengt, zozeer zelfs dat mijn pikje er stijf van gaat staan.

Weer iets later doen we het bij elkaar met een vinger na hem eerst in de slaolie te hebben gedoopt die ik speciaal voor dit doel heb meegebracht. En weer later ... ik herinner mij, herinner mij met schaamte ... de eerste en enige kip die ik geslacht heb (10 jaar). Veel eieren heb ik al in mijn hol gekookt - eendeneieren minstens vijftien minuten, anders kun je er tyfus van krijgen -, eigenhandig gevangen witvisjes schoongemaakt en gebraden en samen met Jozientje verorberd. De kip heb ik uit ons eigen kippenhok geroofd. Terwijl ik de hals tegen de grond duw zet ik er mijn scherpe padvindersmes in en snijd de kop er in één haal af. Het bloed spuit uit de nog bewegende hals als uit een fontein. Dan

[pagina 31]

[p. 31]

ineens vaart een kleine duivel in me, de geest van de geslachte maar nog half levende kip. Ik richt de spuitende hals op haar blote lichaam - vaak kleedt ze zich ongevraagd uit -, terwijl ik op de romp van de kip druk als tegen een blaasbalg. Het bloed druipt van haar gezicht, over haar borst en tussen haar benen.

Onmiddellijk spons ik haar met rivierwater uit de lampetkan schoon. Ze neemt het me niet eens zo erg kwalijk, het arme kind. Nu ik aan haar terugdenk zou ik met haar willen trouwen om het goed te maken. De kip heb ik in de rivier gegooid, we hadden hem zullen koken.

Jozientje is later met een vrijzinnig protestantse dominee getrouwd, daarna blijk ik haar uit het oog verloren te hebben (tenzij mijn geheugen mij in de steek laat).

*begin* Ik ben kalm. Straks zal ik een groot avontuur ondernemen, mijn gedurfdste tot nu toe. Ik heb het mij gisteren voorgenomen, maar blijf rustig liggen op mijn matras tot de tijd daar is. Dan sta ik op en begeef mij direct naar het doel dat ik heb uitgekozen, een winkel van groot formaat in het vijfde huizenblok vanaf mijn hol. Voor de ingang blijf ik staan en bijt mijn tanden op elkaar. De drukte en de nabijheid van de mensen zal vele malen die van het groepje bij de bushalte overtreffen, maar wat ik te zien zal krijgen zal ook grootser zijn dan alles wat ik voor kleinere winkels bijeen heb gekeken. Ik verman mij en ga door de draaideur naar binnen.

Warmte en stemmen en geschuifel van voeten omhullen mij. Ik beweeg mij langzaam voorwaarts tussen de vreemde lichamen. Ik word voortgeduwd in de rug, ellebogen, armen, schouders schampen mij, een voet trapt op mijn tenen. Mijn onderlichaam raakt de achterzijde van een vrouw en ineens wordt mijn lid hard en stijf. Het is een vreemde sensatie die niet onaangenaam is, maar ik vraag mij af of hij ooit weer zal worden zoals hij was.

Langzaam raak ik aan het branden van mijn huid gewend en hervind ik de rust om mijn ogen te laten kijken. Wat ze zien overtreft wat ik mij voorgesteld had. Op lange rijen toonbanken liggen de meest uiteenlopende waren uitgestald in de grootst denkbare hoeveelheden. Vorken, tandenborstels, zeep, pannen, tafellakens, spiegels, bezems, oorringen, hamers, spijkers, verfpotten, schrijfpennen, boeken, kachels, van alles veel. Er valt ongetwijfeld niets te bedenken dat hier niet aanwezig is, behalve levende dieren die ik niet zie. Daarom noem ik het een warenhuis, het moet het juiste woord zijn. Maar hoewel ik er zeker van ben dat niemand een voorwerp tussen de vele hier aanwezige dingen zal missen waag ik het niet er een weg te nemen. Het spijt mij dat ik met lege handen het gebouw moet verlaten, maar de ontdekking van deze onvoorstelbare rijkdommen heeft mij zeer tevredengesteld, voorlopig althans. Ik weet nu waar ik zoeken moet wat ik blijk nodig te hebben. Het enige wat mij verontrust is dat mijn lid groot blijft. Ik moet er iets aan zien te doen.

Als ik de deur van mijn hol open ligt er een krant op de

[pagina 32]

[p. 32]

vloer, een reclamekrant. Ik beschik nu ook over papier. Van nu aan kan ik mijn zitvlak afvegen als ik mijn behoefte gedaan heb, dat is zindelijker. Het moet een aardige man zijn die mij deze krant gegeven heeft. *einde*

..... In de meest uiteenlopende houdingen zitten ze in hun stoel te hangen, wenden voortdurend hun hoofd zijwaarts naar het raam, vrijwillig gekooiden, maar nooit helemaal zonder spijt - op hetzelfde moment dat ze naar me luisteren ontgaat hun iets anders - alsof de wereld voor hen gefixeerd is in het 2-dimensionale glasvlak van de ruit en samengesteld uit losse geïsoleerde flitsen, wat de wereld in werkelijkheid natuurlijk ook is, zij het meestal met meer diepte en soms met de 4-de dimensie van de tijd erbij: geschiedenis. Mijn vak: ik ben gekozen. Het is nog steeds een dagelijkse verrassing, maar dan, al mijn herinneringen zijn verrassingen of het nu oude geschiedkundige zijn dan wel recente persoonlijke; aangename, neutrale of onaangename, ik heb niet te kiezen, ze zijn er ...

Het is net als met mijn bibliotheek die ik met een zekere verbetenheid exploreer / sommige boeken die ik tevoorschijn haal lees ik voor het eerst of niet voor het eerst maar met nieuwe ogen / hele brokken geschiedenis ontstaan voor mij uit het grijze niets van hun ongelezen of slechts halfgelezen bestaan, alsof ze gewacht hebben om hun inhoud, het werkelijk gebeurde, tot geschiedenis te maken / of omgekeerd. Soms, terwijl ik aan mijn leerlingen de inhoud van een boek vertel hoor ik het door mijn eigen oren werkelijkheid worden. Politieke mimicry. Mijn methode is de indirecte, net als bij schrijvers. Niet dat ik bang ben voor didactiek, tenminste niet méér: didactiek is niet anders dan het doorgeven van ervaringen, bewustzijnsexploraties die de moeite waard zijn, maar - /

Bij tijd en wijle word ik onpasselijk bij het lezen - zien doe ik weinig of niets, behalve soms op de televisie als ik tijd heb - van alle smeerpijperijen, martelingen, uitbuiterijen, pesterijen, agressie, corruptie, zowel in het verleden als nu en voel ik het bloed letterlijk naar mijn gezicht trekken of naar de hartstreek, maar dan aan de buitenkant alsof mijn hart op mijn huid zit of vlak eronder. Ik ben blij dat ik het grootste deel van de geschiedenis niet geleefd heb, noch de zin ervan hoef te ontdekken want die is er niet ...

Ik nodig ze uit te berekenen hoeveel generaties het geleden is dat onze / hun voorouders in de achttiende, zeventiende eeuw, de Middeleeuwen leefden. Om de een of andere reden zijn ze aangenaam verrast als blijkt dat het er minder zijn dan ze verwacht hadden, vooral wanneer ze niet het generatiegemiddelde aanhouden maar de eeuwen omrekenen in grootvaders van zeventig jaar, wat natuurlijk onjuist is, maar het binnengesmokkelde effect blijft nawerken. Het is of het verleden plotseling veel dichterbij is komen te liggen, minder uitsluitend geschiedenis is.

Didactiek. Sommige dingen zijn al geschiedenis voor ze zich goed en wel hebben afgespeeld, zeg ik, andere worden het nooit. Neem dit bijvoorbeeld, dit is geen

[pagina 33]

[p. 33]

geschiedenis, dit is realiteit; nog steeds. // honger. // Eeuwenlang zijn de boeren in Europa uitgebuit, behalve toevallig in Nederland, maar de rest had nauwelijks te eten. Toen ze in het begin van de zestiende eeuw in Duitsland in opstand kwamen werden ze op een gruwelijke manier afgeslacht. Strafbelastingen werden opgelegd die hun het allerlaatste ontnamen wat ze nog hadden, zelfs hun dekens, ze woonden in stallen en sliepen op de kale lemen vloer, ook 's winters. Na 1525 ontstaat dan in heel Europa wat men het ‘boerenkarakter’ noemt: het duistere-achterbakse, het geslotene, het norse - maar ook hebzucht, sluwheid en al die andere voortspruitselen van oude noodweerinstincten. Eeuwenlang heb je de nawerking van de ellende op hun gezichten kunnen aflezen, en soms nóg ... De woorden van een jonge boer op het marktplein van Stuttgart, enkele ogenblikken voor hij onder het beulszwaard zou vallen: ‘Wee mij! Ik moet al sterven, en ik heb mij mijn leven lang nog geen tweemaal volgegeten aan brood!’ En dat terwijl hij zelf het koren verbouwde ... honger ... Hij las verder. - Voorheen waren hongersnoden altijd tijdelijk en plaatselijk beperkt geweest. In de Middeleeuwen werd dat anders. Voor de eerste maal zien we daar de honger als verschijnsel van lange duur optreden ... In Duitsland waren er in de twaalfde eeuw vijf lange hongersnoden ... in de volgende eeuw worden in Engeland vijftien hongersnoden gemeld ... brood van gemalen eikels en gras ... men verwerkte ook bloembies en riet ... Erger nog was het als de mens om ogen en tanden te bedriegen dingen meebakte die in de maag helemaal niet thuishoren. De monsterlijkste broden die ooit in tijden van nood gebakken werden stammen uit Zweden; zij worden vandaag de dag nog in musea bewaard. Het zijn broden die voor negentig procent uit dennenschors en stro bestaan ... wat maar enigszins op graan leek was welkom. In Hongarije, Thüringen, Denemarken trokken de boeren het stro van de daken ... anderen liepen door honger gedreven de weiden op; zij vraten als vee rauw kruid en onkruid en stierven aan buikloop ... In Frankrijk vermengden de mensen omstreeks 840 aarde met wat meel en aten het daarna in broodvorm. Kwam de kracht van het graan niet uit de aarde, was de aarde niet ons aller moeder? De geschiedschrijver Martin von Troppau beweert dat in Hongarije de mensen lange tijd aarde van een berg hebben gegeten, fijne pijpaarde, en daar lang van hebben geleefd ... Maar het menselijk instinct zocht betere dingen om het brood voedzaam te maken; en zo kwam een gebruik uit de oertijd weer tot leven: men bakte gedroogd dierenbloed mee in het meel. De vlaas die zo ontstonden bleven jarenlang ‘eetbaar’. In heel Duitsland at men ‘bloedbroden’ en zakte daarmee af tot ... Als wolven vraten de mensen in die hongertijden van de achtste tot de veertiende eeuw alles wat binnen hun bereik kwam: van paarden tot ratten ... kannibalisme ... Moordenaarsbenden overvielen eenzame kooplieden of rondreizende handwerkslieden op de landwegen of in het bos. Kermisgasten die van stad naar stad trokken werden soms met hun kleine kinderen gedood, geslacht, gekookt en op de dichtstbijzijnde markt verkocht ... Boeren verlieten hun hutten voor wekenlange hongermarsen tot ze eindelijk halfdood bleven liggen. Als gieren werden ze gevolgd door mensenjagers, die de slachtoffers de schedels insloegen en het kostbare vlees in een naburige plaats verkochten**

[pagina 34]

[p. 34]

..........Honger**

**

*begin* Het donker is donkerder naarmate er minder licht is. Ik heb dit ontdekt nu ik voor 't eerst 's avonds buiten ben. In plaats van te gaan waar het drukker wordt ben ik de tegenovergestelde richting ingeslagen. Ik schuifel langs de huizen, blijf staan voor verlichte vensters om te zien wat zich in andere kamers bevindt en wat er zich afspeelt. Soms verschijnt een man of een vrouw achter het glas die mij met zijn hand wegwuift. Een paar maal blijf ik waar ik ben en kijk hen strak in de ogen. De kleur van hun gezicht wordt bleker, zij roepen iets dat ik niet versta, dan ga ik weg. Mijn oogkracht begint toe te nemen. Verder merkt ik op dat de mensen 's avonds over het algemeen minder beweeglijk zijn, zowel buiten als binnen, het donker heeft een vertragende werking. Dan ben ik bij de rand van de stad. Zwart overvalt mij en maakt mij onbeweeglijk. Toch ben ik niet zo bang als ik verwacht zou hebben, het donker lijkt op het donker van mijn hol. Ik schuifel voorzichtig nog enige passen voorwaarts om mijzelf op de proef te stellen en boks met mijn gebalde handen tegen het donker als tegen een groot zwart dier. Het wijkt terug.

Ik kan nu iets meer zien. Ik zie enkele gebouwen, huizen van nog donkerder zwart, rode achterlichten, een zwaaiende lantaarn, dan ineens een stuk maan. In het donker lopen is niet onaangenamer dan in het licht en men komt er weinig mensen tegen. Ik keer om.

Op de terugweg als ik minder dicht langs de huizen schuifel en mijn blik vrijer is ontdek ik nog iets. Veel bewoners hebben bakken met vuilnis buiten gezet en sommigen hun overbodige huisraad. Het is een bron van gebruiksvoorwerpen van een zo fantastische omvang dat het mij overweldigt. Binnen de lengte van één enkele straat zie ik een staande schemerlamp zonder lamp erin, twee kistjes, lege flessen, een gordijnrail. Ik open een vuilnisemmer. Naast afval bevat hij een grote hoeveelheid papier en doeken van verschillende soorten stof. Ik zal nooit meer gebrek aan papier hebben. Ik steek een paar zuiver wollen lappen bij mij. Wat zal ik verder meenemen? De mogelijkheden verwarren mij. In de loop van de volgende dagen zal ik een lijst moeten opstellen in mijn hoofd van wat ik nodig heb. Voor vanavond kies ik een kleine tafel met drie poten die ik in de buurt van mijn huis aantref. Ik zal hem als tafel gebruiken zodra ik iets heb om hem als tafel te gebruiken. Het is onbegrijpelijk dat iemand hem weg heeft gedaan. Opgewonden draag ik hem naar binnen. Daarna keer ik terug om een paar planken te halen en een lege bus. Voor vandaag is dit genoeg.

Vol trots bekijk ik mijn bezit. Ik was mijn handen en droog ze af aan een zachte doek. Daarna snuit ik mijn neus in de doek.

Het water uit mijn kraan stroomt nog steeds en mijn lamp

[pagina 35]

[p. 35]

brandt onverzwakt als ik het knopje omdraai. Ik mag nu veilig aannemen dat ze nooit meer zullen stoppen. *einde*

Ik herken ze onmiddellijk. Luister met open oren naar wat ze te vertellen hebben, vooral over mijn persoon. Hoor wat ik al weet/wist. Natuurlijk voor de duizendste maal het verhaal dat ik op mijn achtste jaar een vlot gebouwd heb van een kostbare houtsoort waarop ik de rivier ben afgedreven. Het vlot moet duizenden guldens waard geweest zijn. Ik bouw het. Een zomerse dag. Zon. Een klein door struiken omzoomd zandbaaitje aan het einde van de werf. Ik sleep de balken aan over het gras omdat ze te zwaar zijn om te dragen. Timmer ze met planken aan elkaar. Een stok met een vlag eraan, een oude doek. Twee kisten om op te zitten. Natuurlijk mijn hengel en een doosje met wormen. Als leeftocht een mandje met droog brood en een halve fles melk. Jozientje.

Nadat werf en huis uit het gezicht zijn verdwenen gebied ik haar haar kleren uit te trekken zoals we dat hebben afgesproken. Naakt als inboorlingen zullen we de laatste kilometers afleggen die ons nog scheiden van het meer waar we eieren zullen gaan zoeken tussen de waterplanten en het riet en grote vissen zullen vangen. We zijn te opgewonden om op de kisten te gaan zitten.

Een goed halfuur later stoot het vlot stuk tegen de kop van een pier. Het heeft geen roer, daar heb ik niet aan gedacht. We zwemmen naar de pier toe, waar we even later worden opgepikt door een kleine vissersboot. Het hout heeft zich verspreid over de stroom en het meeste is niet meer te bergen. Dit kleine avontuur dat mij een berisping van mijn vader oplevert en een afstraffing door mijn grootvader wordt naderhand onder grote hilariteit verteld aan ieder die het horen wil, maar mijn kinderen kunnen er niet meer om lachen, ze hebben het te vaak gehoord ... Mijn moeder glimlacht alsof ze het nog maar voor de tweede maal gehoord heeft. Slimme vrouw, die haar leven lang gedwongen is geweest tussen twee elementen heen en weer te hoppen om de vrede te bewaren, als een amfibie tussen land en water, zichzelf nergens in mengend, zich van de domme houdend. ‘Ik heb alleen maar lagere school gehad’ - wat niet helemaal waar was en in feite was ze waarschijnlijk de intelligentste van de drie. Het is verbazingwekkend wat een aanpassingsvermogen sommige mensen hebben, dacht hij. Zie ze daar zitten, het is niet te geloven dat ... /

Mijn vader, breeduit in zijn stoel, te breed, een man die te laat zelfstandig is geworden en die toen mijn grootvader stierf er eigenlijk geen zin meer in had het allemaal voor eigen verantwoording te doen. Ik blijk toch het timbre van zijn stem overgenomen te hebben én dat van mijn grootvader trouwens, hoezeer ik ook mijn best heb gedaan anders te spreken dan hij - herinner ik mij -, oefenend voor de spiegel, mijn mond vertrekkend, mijn lippen tuitend naar buiten buigend om ze zinnelijker te doen lijken -, het heeft niet geholpen. Vraag: in hoeverre ben ik verder nog door mijn vader beïnvloed zonder dat ik het weet? Ik herinner mij hoe hij zich terugtrok op enkele zelfontworpen, zinloze,

[pagina 36]

[p. 36]

machteloze bastions en bijvoorbeeld uitgesproken niet van enkele etenswaren hield waarvan mijn grootvader wél hield - zo vond hij raapstelen afschuwelijk - wat ze zijn - en weigerde hij macaroni met ham te eten waardoor deze gerechten vrijwel nooit op tafel verschenen; daarnaast had hij enkele grillige voorkeuren, bijvoorbeeld voor een bepaalde kleur (geel) en een bepaald merk bier, dat in werkelijkheid niet van sommige andere was te onderscheiden, ik herinner mij ... ik herinner mij ...

De kinderen slapen, Ingrid is naar bed, ze heeft morgen vier uur les en wil uitgerust zijn. Een laatste sigaret. Mijn vrouw en kinderen zijn niet langer vreemden voor mij, zelfs Daco niet, al heb ik ook niet het gevoeld dat we ooit grote vrienden zullen worden, althans niet van zijn kant. De kamer is me nu vertrouwd alsof ik er jaren in gewoond heb; de patronen van het tapijt kan ik met gesloten ogen voor me zien, het hout van de trapleuning voelen zonder het aan te raken, de indeling van het huis blindelings in stappen uitmeten. Huis van voetstappen, oogreacties, gehoorreacties, tot op de centimeter, de seconde te voorspellen. Het doet me denken aan een artikel dat ik onlangs gelezen heb over de guerrilla-activiteiten van de Vietcong in Zuid-Vietnam. De wasvrouwen en schoenpoetsertjes die dagelijks de kampen van de Amerikanen bezoeken worden grondig getraind in een eenheidsstap die ze toepassen op weg naar hun werk: zoveel eenheidsstappen van dit punt naar dat gebouw, zoveel naar de poort van het kamp, enzovoort. Het aantal stappen wordt een groot aantal malen genoteerd en op deze wijze worden weglengte naar en indeling van de aan te vallen doelen onopgemerkt in kaart gebracht en de tijdsduur voor de aanval berekend; ze schijnen er een grote mate van nauwkeurigheid mee te bereiken.

Zoals de wasvrouwen en de kleine schoenpoetsers van de Vietcong zal ik ook mijn verdere leven moeten verkennen, stap voor stap, ontdekken wie ik ben. Wie ben ik? Een onzinnige vraag eigenlijk. Het enige dat je je af zou kunnen vragen is: wie ben ik gewéést of wie ben ik bezig te wórden, en het is de vraag of iemand er ooit helemaal achter komt. Hooguit zal ik op een bepaald moment denken dat ik een zeker iemand ben/geweest ben: over enkele maanden, enkele weken. Ik zie het ogenblik met een zekere angst tegemoet, maar ook met verwachting.

*begin* Als ik 's avonds terugkeer van mijn vindtocht, want zo noem ik hem, ontmoet ik de man met de hond die mij heeft doen vluchten. Ik zie hem pas als het te laat is. Wanneer ik in een boog om hen heen wil lopen glimlacht hij vals en zegt iets tegen de hond die op mij afspringt. Verlamd van angst blijf ik staan, zelfs vluchten kan ik niet meer.

Als hij vlak bij mij is word ik wakker. Ik hef mijn been en geef een zeer harde trap tegen zijn keel. De hond jankt even, valt om. Ik trap tot hij stil blijft liggen. Daarna richt ik mijn aandacht op de man die tierend op mij afkomt. Met zijn geschreeuw zal hij de mensen uit hun huizen lokken.

Als hij mij genaderd is en zijn hand opheft om mij te

[pagina 37]

[p. 37]

slaan geef ik hem een stomp op zijn neus. Bloed spuit over mijn handen. Dan leg ik mijn handen om zijn keel om het schreeuwen af te knijpen.

Wanneer hij stil is laat ik hem op straat zakken en wil mij weghaasten. Dan bedenk ik mij en haal de portefeuille uit de plaats waar ik weet dat een man zijn geld bewaart. Ook dit is nu een gevonden voorwerp en ik zal het gebruiken waarvoor het dient. Daarna haast ik mij weg. Ik heb vuile handen gekregen. Ik zal ze moeten wassen, maar niet in vuil water, anders worden ze weer vuil.

Ik neem die avond geen andere gevonden voorwerpen mee naar mijn hol, zozeer ben ik geschrokken van de hond. Ik zal mij met de voorwerpen die ik reeds bezit bezighouden.

Eindelijk is het zover dat ik durf. Ik duw het handvat omlaag, open de deur en ga naar binnen. Ik heb gewacht tot er niemand anders in de winkel is. Ik wijs aan wat ik hebben wil en zeg: brood. Meteen leg ik een geldbiljet uit de portefeuille dat ik los heb meegenomen op de toonbank. Ik krijg een brood. Daarna schuift ze me een handvol grote en kleine munten toe die ik opstrijk en in mijn zak stop.

Het brood is zeer bros van buiten en zacht van binnen. Het is zeer smakelijk voedsel. De helft verorber ik, de andere helft bewaar ik voor morgen. Ik heb nu tenminste zekerheid. Tenzij muizen het brood opeten, bedenk ik; ik moet lachen. Ik heb er tot nu toe maar één gezien.

In mijn buik heerst een zeer voldaan gevoel. Toch kan ik beter niet dikwijls doen wat ik met de man gedaan heb, alleen als het dringend nodig is. Beter kan ik gevonden voorwerpen zoeken, 's avonds of overdag. Ik moet dus zo lang mogelijk met mijn geld zien rond te komen en alleen kopen wat niet te vinden is en dan nog uitsluitend het hoogstnodige. Het is kostbaar geld. Ik kijk of het er nog ligt onder mijn matras. Het ligt er nog.

De hond ben ik bijna vergeten en de man, ik zou niet eens meer weten hoe hij er uitzag, zelfs al zou ik hem morgen weer tegenkomen. Wat niet kan. Het is een vreemde gedachte, waar ik om moet lachen. *einde*

Hoewel het tamelijk donker is op die plaats, een lange fabrieksmuur even voor het Schapenburgerpad, er brandt geen lantaarn, herken ik hem direct aan zijn houding: de wat voorovergebogen schouders, nu nog verder in elkaar gedoken, de armen aapachtig als nog niet volledig bestuurbare ledematen schuin voor het lichaam hangend, uitdragerskleding vol gaten, veel te grote schoenen die niet bij elkaar passen. (Dezelfde wat onwezenlijke figuur die hij al verscheidene malen door de straten had zien zwerven, schichtig en op zijn hoede alsof hij zijn omgeving niet helemaal vertrouwt, schuin onder zijn zware wenkbrauwen uit loerend, aarzelend de rijweg overstekend / de eerste maal dat de man zijn aandacht had getrokken had hij hem als een uitgehongerd dier op een bordje met melk zien

[pagina 38]

[p. 38]

toeschuifelen dat een vrouwenarm juist buiten het raam van een souterrain had gezet / de kat aan de kant duwend nam hij het bordje weg en droeg het als een kleinood met zich mee, beide handen er beschermend omheen / twee huizen verder slurpte hij de melk begerig op. Een vreemde ontroering had zich van hem meester gemaakt en daarna iedere keer als hij de man zag, half jakkerend alsof hij haast had, soms de meest uiteenlopende prullen met zich meeslepend, een kapotte stoel, een plank, een stapel oude kranten, een pan met een oor eraf. Zijn medelijden was zo groot geweest dat hij hem graag geld had willen geven als hij de man dicht genoeg had kunnen naderen, maar deze liet zich niet naderen, vroeg trouwens nergens om. De ogen had hij zelfs nooit te zien gekregen noch zijn hele gezicht dat hij altijd afgewend hield naar de huizenkant of weg van de plek waar zich de meeste mensen bevonden. Kwetsbaar schuim van de maatschappij.)

Nu perst hij zich tegen de muur als een radeloos dier dat geen enkele richting uit kan, omringd door de vier jongens die met stokken naar hem prikken alsof hij een aap in een kooi is of in vroeger eeuwen een gek in het spinhuis die het geëerde publiek op zondagen tegen betaling mocht bezichtigen en mocht plagen, bespuwen, steken. Eén arm houdt hij beschermend voor zijn gezicht, waarschijnlijk bang dat ze in zijn ogen zullen prikken, de andere voor zijn buik waar een tweede stok hem raakt, daarna voor zijn scrotum, tegen de lies de buik de borst / probeert zijwaarts weg te schuifelen, nog verder voorover gebogen en het gezicht afgewend alsof hij aan zijn belagers denkt te kunnen ontkomen door ze niet te zien, maar de jongens springen lachend om hem heen en steken van twee kanten tegelijk zodat hij niet weet waar hij heen moet. Het tafereel gaat mij door merg en been. Wit van drift ren ik op de groep toe, ontruk een van de jongens een stok en sla, trap waar ik ze raken kan, onderwijl de sterkste krachttermen uitstotend die een machteloos intellectueel hoofd weet te bedenken. De man zelf heb ik geen kreet horen slaken, maar nu van dichtbij stijgt er een zwak ingehouden gebrom uit zijn keel op dat mij meer aangrijpt dan luide hulpkreten. De rotzakken.

Minder vanwege mijn kracht of overmacht dan mogelijk geïmponeerd door mijn woede of uit een zeker schuldgevoel bieden de jongens weinig tegenstand maar gaan na een halfhartig verzet aan de loop. Nog steeds navloekend en met mijn stok zwaaiend achtervolg ik ze nog een eindje. Als ik me daarna omkeer om mij het lot van het slachtoffer aan te trekken blijkt deze inmiddels de benen genomen te hebben. Zo nu en dan angstige blikken over zijn schouder werpend is hij al halverwege de straat. Bij de muur waar hij gestaan heeft ligt een donkere plas urine.

Kom, roep ik, kom. Wil hem achterna gaan, maar als de man dit ziet verdubbelt hij zijn vaart en een paar seconden later is hij om de hoek verdwenen.

*begin* Vermoeid ga ik op mijn matras liggen. Ik heb vier nieuwe huizenblokken verkend vandaag, mijn ervaring neemt dagelijks toe. Aan het drukker worden van de straten maak ik

[pagina 39]

[p. 39]

op dat ik het centrum nader, ik heb dit geconcludeerd. Ik kijk en luister scherp, vergelijk om zoveel mogelijk te weten te komen. Sommige gebaren kan ik al duiden denk ik en in overeenstemming brengen met het gesprokene, indien er gesproken wordt. Ik weet niet goed of dit de juiste woorden zijn voor wat ik bedoel. Anders zal ik mij corrigeren. Ik zou ook mijn gedachte kunnen veranderen en de woorden handhaven, maar dit is waarschijnlijk onjuist. Voor alles bestaat het juiste woord en dit moet ik zien uit te vinden. En ik kan het alleen uitvinden door het te gebruiken. Dit denk ik. Het komt ook de veiligheid van mijn voedselgebied ten goede dat zich steeds verder uitbreidt. Bovendien versterkt het mijn zelfvertrouwen, hoewel dit door de aanval van de vier jongens opnieuw is verzwakt. Toch ben ik minder bang dan tevoren en durf ik de man van wie ik iets wegneem, heb weggenomen dan wel hoop weg te nemen nu al vijf of zes tellen in de ogen te staren.

Liggend kijk ik in mijn kamer rond naar wat ik reeds bezit. De tafel met de drie poten. Een stoel met een rechte rugleuning waar de zitting van stuk is. Twee korte planken, een kartonnen doos, een mes (gekocht), een hamer (gekocht). Een echte spiegel, papier. Een klein paardje van hout (ik neem aan dat het ook paard genoemd mag worden hoewel het niet levend en van hout is). Drie lege flessen, twee lege blikken, een pispot. Ik bezit dus al betrekkelijk veel, ik moet nu nog spijkers kopen en dik touw. Die durf ik niet weg te nemen. De spiegel zal ik aan de wand slaan zodra ik een spijker heb, ik zal dan staande kunnen oefenen.

Plotseling wordt er gebeld. Ik verstijf op mijn matras. Ik heb vergeten er aan te denken dat er ook een bel naast mijn deur zit. Wat moet ik doen? Wie is het? Wie? Als ik liggen blijf zullen ze misschien zelf de deur openen en mij alles afnemen wat ik gevonden heb. Of mij hier wegjagen. Ik neem een besluit. Ik sta op, pak het mes en ga naar de deur. Ik open hem voorzichtig terwijl ik het mes achter mijn rug houd.

Buiten staat een man. In zijn uitgestoken hand houdt hij een klein pakje margarine. Hij zegt: Alstublieft. Gratis, een nieuw merk margarine. Ter kennismaking. Ik pak het snel aan, ruk het uit zijn hand, maar nog voor ik de deur weer heb dichtgegooid is hij al verdergegaan. Een ongevaarlijk man.

De margarine is inderdaad zeer smakelijk. Men kan hem ook op het brood eten. Er zijn inderdaad zeer aardige mensen op de wereld. Ik hoop deze margarine vaker te kunnen eten. *einde*

Als hij langs Thessa's kamer komt klinkt er een hartverscheurend gehuil. Geschrokken blijft hij staan, luistert aan de deur. Gierende uithalen van grote smart wisselen zich af met een zacht deinen dat van diep uit het lichaam schijnt te komen. (Mijn god ze zal toch niet zwanger zijn is zijn eerste gedachte, arm kind. Zijn tweede: stommeling, weer een klein kind over de vloer.) Hij opent de deur. Blijft in opperste verbazing staan. Het gehuil komt van een grammofoonplaat. Thessa ligt languit op het divanbed

[pagina 40]

[p. 40]

terwijl de tranen haar over de wangen biggelen.

Hij zet de plaat af. Je hebt me doen schrikken, zegt hij sullig. Thessa droogt haar tranen, begint te lachen. Ik heb hem pas gekocht, had hem vanavond voor jullie willen afdraaien. Het is de nieuwe lach- en huilplaat, weet je wel.

Nooit van gehoord, zegt hij. U bent niet op de hoogte van wat er werkelijk in de wereld gebeurt, zegt Thessa. In één maand tijd zijn er meer dan honderdduizend van verkocht. O. De plaat is uitgebracht door een nieuwe firma, Jagt-Fono nv ., ze zeggen dat een zeventienjarige jongen de eigenaar is.

De naam komt hem vaag bekend voor, al heeft hij het gevoel dat hij het duidelijker moest weten. Wilt u de lachkant ook eens horen? Ze draait de plaat om en zet de naald erop. Een mannenstem als een op hol geslagen tuba, hoge gierende uithalen waarbij andere stemmen zich aansluiten in een natuurlijk aandoend koor, gehik, korte hijgerige plofjes als van mensen die buiten adem zijn van het lachen, en opnieuw het gierende gelach, hysterisch, eindeloos herhaald, hijgend gehik, hahaha. Het is zo onweerstaanbaar dat hij zijn tegenstand opgeeft en mee begint te lachen, eerst zachtjes en ingehouden, dan uitbundig, trompetterend als een olifant, loeiend als een koe, hahaha, tot ook hem de tranen over de wangen biggelen. Stop, zegt hij, ik houd het niet meer. Halverwege de plaat heeft hij buikkramp van het lachen en voegt zijn stem zich onbeschaamd bij het koor van hysterische hikkers op de voortdraaiende schijf. Stop! Stop!

*begin* Ik draag het schilderij voorzichtig voor mij uit naar mijn hol. Wie het naast zijn vuilnisbak heeft neergezet moet een dubbel exemplaar gehad hebben, anders had hij het niet weggedaan. Het is een zeer mooi en kostbaar voorwerp. Ik sla een spijker in de muur en hang het op, zoals het behoort. Ik ben er zeer blij mee.

Het schilderij stelt een rode bloem voor, ongetwijfeld een roos; de roos staat in een fles die groen is; de fles staat op een tafel, of liever op een halve tafel. Noch een dergelijke bloem, noch een dergelijke fles, noch een tafel met een soortgelijk tafelkleed heb ik ooit tevoren gezien en zeker niet in deze combinatie wanneer ik door een venster naar binnen keek. Het is ongetwijfeld het mooiste dat ik tot nu toe onder ogen heb gehad. Ik zal er heel lang naar kunnen kijken.

Ik heb mijn stoel geruild voor een betere stoel waarvan de zitting gaaf is. De oude stoel heb ik neergezet waar de andere stond. *einde*

*begin* Als ik vlak achter haar ben grijp ik haar vast met mijn ene hand. Mijn andere leg ik op haar mond zodat ze niet kan schreeuwen. Ze spartelt wild maar ik laat haar niet ontsnappen, ik wist dat ze het zou proberen. Zo, half dragend en terwijl haar voeten over de grond schuren, sleep ik haar

[pagina 41]

[p. 41]

naar mijn hol. Ze verliest een schoen, ik laat hem liggen, ze heeft hem niet meer nodig.

Ik open de deur met mijn vrije hand. Op dat moment bijt ze in de hand die op haar mond ligt, maar ik laat haar niet los. Zij is het die ik wil hebben. Drie keer heb ik haar gezien en meteen de eerste keer wist ik het al. Voor iedere man bestaat een vrouw. In de hal rukt ze haar hoofd opzij en schreeuwt toch, ik stop mijn zakdoek in haar mond en sleep haar aan haar haar over de drempel van de kamer. Daar laat ik haar op de grond vallen, haal de zakdoek uit haar mond en bind er een grotere doek voor die ik klaar heb gelegd.

In de vloer heb ik vier grote nagels geslagen. Met het touw dat ik gekocht heb bind ik haar vast, haar armen gestrekt aan de twee bovenste nagels, haar benen gespreid aan de twee onderste. Ze ligt nog steeds spartelend op de vloer. Ik bekijk haar. Ze is mooi. Dan pak ik mijn mes en snijd haar kleren los. Vanavond zal ik ze in de vuilnisbak gooien, dat wil zeggen in de bak van een ander. Ze is naakt en nog mooier.

Ik kan mij niet langer inhouden en ga tussen haar gespreide benen liggen terwijl ze zich blijft verweren met haar buik. Dan komt het. Het komt en even is het of het niet wil ophouden met stromen. Dan houdt het op. Het is inderdaad zeer lekker, zoals ik verwacht had. Het is zeer aangenaam. Het is aantrekkelijk en zeer plezierig. Ik hoop dat het terugkomt, zoals het water is teruggekomen tot nu toe en het licht. In dat geval kan ik het iedere dag doen, of misschien wel twee keer per dag als zoiets mogelijk is, ik moet dit zien uit te vinden, want het is zeer lekker ja, het is aantrekkelijk en zeer genoeglijk.

Ik ga op mijn hurken zitten om haar te bekijken. Ze is nu van mij. Ze is zeer mooi. Ze ligt stil nu. Ik bevoel met mijn vingers voorzichtig de rode knopjes op haar borsten. Ze zijn zacht en vlezig en ook op zichzelf genomen zijn ze zeer aantrekkelijk. Dan open ik de spleet tussen haar benen waar ik in geweest ben. Het vlees ervan is vochtig en warm en sluit zich om mijn vinger, wat eveneens prettig aanvoelt, hoewel minder dan daarstraks. Ik breng mijn gezicht dichter bij de opening en verwonder mij erover dat zo iets eenvoudigs zoveel aangenaams kan veroorzaken.

Dan voel ik dat ik alweer een tweede keer kan. Ik doe het onmiddellijk voor het voorbij is. Het is bijna nog plezieriger dan de eerste keer. Ik knor, ik grom. Het is zeer lekker. Misschien kan ik het wel vaker dan twee keer per dag, misschien wel vier keer of tien keer. Ik ben zeer tevreden dat ik dit ontdekt heb, ik ben zeer dankbaar gestemd.

Ze ligt nog steeds stil, de ogen gesloten. Misschien vindt ze het even lekker als ik. Ik zal haar nu vrij laten zodat ze in de kamer kan rondlopen. Maar als de touwen losgeknoopt zijn springt ze op en rent als een kat naar de deur. Tot mijn spijt moet ik haar weer vastmaken. Bovendien heeft ze me in het gezicht gekrabd, iets dat ik haar nooit zal doen.

Ik ga op een stoel zitten en kijk. Ik kan uren naar haar kijken. *einde*

[pagina 42]

[p. 42]

Soms, op straat lopend in de pauze tussen twee lesuren of onderweg naar huis, heb ik ineens het gevoel dat ik op weg ben naar een bespreking met de wethouder van onderwijs of de directeur van het vvv-kantoor om overleg te plegen over ... een campagne te bespreken die ... Duw geschrokken mijn onderarm tegen het lichaam. Mijn tas. Ik ben hem verloren / vergeten, ben vergeten waar de bespreking over gaat. Angstzweet breekt me uit. Vage beelden die opkomen (nooit gekleurd, altijd in tinten van grijs, uitgezonderd rood als ik vertwijfeld op mijn oogballen druk), die iets duidelijker worden, halfwerkelijk, bijna herkenbaar en dan weer wegzinken of oplossen in de werkelijkheid van nu. Onmiddellijk daarop ben ik weer op weg naar school, naar huis. Het is een verwarrende sensatie. Ik houd niet van dit soort onwerkelijkheid, het is ook niet goed dat onwerkelijkheid een te werkelijk karakter krijgt; het een óf het ander, maar niet beide tegelijk, het is een kwestie van zelfbehoud.

Gisteren met mijn zoon Daco door de buitenwijken gereden, gewoon om te zien wat er het laatste halfjaar bijgebouwd is. Het is een van de weinige interesses die we gemeen hebben en op ongeregelde tijden gaan we de fantastisch snel voortwoekerende woonklonteringen bekijken, gefascineerd en met afkeer tegelijk; we doen het niet vaak, zodat het verrassingseffect groter is - het is te vergelijken met een versnelde film maar dan duizendmaal realistischer.

Als we de buitenkant van West bereikt hebben wordt mijn aandacht plotseling getrokken door een reusachtig sportcomplex dat ik tot in details meen te herkennen hoewel ik het nooit eerder heb gezien. De indruk is van een etsscherp droomkarakter.

Ik rijd er langzaam omheen: het moderne hoofdgebouw, bestaande uit een aantal tegen elkaar geschoven onregelmatige doosblokken, de langwerpige sportvelden op het gladgeschoren gras met hier en daar kleinere verkleedgebouwen, springbakken, asfaltbanen, doelen. Het is een warme dag; op ongeveer alle velden wordt gespeeld - goed rendement - en door één van de deuren die openstaan zijn turners te zien in smetteloos witte pakken, in een andere zaal trappen een aantal mannen als bezetenen op hometrainers. Zo te zien zijn het dezelfde apparaten als waarvan ik er één thuis heb staan op mijn werkkamer, helaas maak ik er maar al te zelden gebruik van.

Ik vraag aan Daco wanneer het complex gereed gekomen is. Ongeveer een halfjaar geleden, zegt hij, had u het nog niet eerder gezien? Nee, zeg ik, ik geloof van niet.

Avond. Zittend tussen de voltallige leden van het gezin - een van de weinige avonden thuis de laatste tijd - een goed huisvader. Zet koffie, schenk frisdrank in, bij wijze van zelfbestraffing. (Mimicry.) / Ingrid prepareert haar lessen aan haar antieke sécretaire. / Thessa heeft haar gezicht voor de gelegenheid, zoals ze zelf zegt, feestelijk beschilderd met uitbundige hippykleuren, een aardige attentie waar alleen Daco met principieel misprijzen naar kijkt (soms krijg ik de indruk dat hij iedere dag met zijn blik haar buik inspecteert of ze nog niet zwanger is); mijn eigen verrichtingen slaat hij met zijn gewone milde wantrouwen gade alsof ik een ondergeschoven vader ben die het allemaal nog moet leren. / Stelleke speelt

[pagina 43]

[p. 43]

lief met haar poppenhuis. Het bestaat uit twee woonlagen plus een kleine zolder onder het zadeldak die ze heel realistisch heeft opgevuld met stukjes oude rommel, snippers textiel, een paar propjes krant, een ingedeukte vingerhoed, gebroken staafjes uit een Japans latjesgordijn. De kamers beneden maken een ruime indruk door de proporties van de meubeltjes en de kleine bewoners; behalve de poppen zelf had er een aantal witte muizen in kunnen wonen of zelfs een goudhamster. Vingerkootjesbrede trappen leiden naar boven, naar slaapkamers, speelgoedkamer en dak. In de keuken een klein aluminium fornuis met twee pannetjes erop, op het aanrecht ander kookgerei, een theepotje, gebruikte kopjes, enzovoort. De zaklantaarnlampjes die overal precies in het midden van de kamers hangen branden nog niet, ze is blijkbaar bang dat de batterij te vlug uitgeput raakt, economisch bewust vrouwtje, en het open interieur baadt zich in het late ondergaande lamplicht van de grotere huiskamerwereld. Een vlieg snort door de speelkamer bij wijze van vogel, een zwarte enorm verkleinde kanariepiet.

In rust een brokje stilleven maar nu, na haar ingreep, vol zinvolle activiteit. Ze verkleedt de popjes die bijna menselijke gezichten hebben, spreekt ze toe, manipuleert ze, verplaatst ze naar andere kamers, steeds met een duidelijk geformuleerde reden, maar zonder met uur en logica rekening te houden, zodat het lijkt of in ieder vertrek een aparte tijd heerst en min of meer een andere moraal (wanneer ze niet zo'n door en door humanistisch wezentje was zouden de verschillen groter zijn); als het beneden bedtijd is voor de een (avond) wordt boven de ander wakkergemaakt (ochtend) en krijgen weer andere leden van de commune vast voedsel of de borst. Wordt de ene berispt om iets (het laten vallen van een miniem kop-en-schoteltje), een volgende wordt om een veel ernstiger vergrijp verontschuldigd omdat hij/zij er niets aan kan doen. De tijd wordt nu eens vertraagd en uitgerekt, dan weer drastisch versneld als een elastiek dat wordt uitgetrokken en losgelaten al naar het uitkomt. (Individuele tijd en interne reden, willekeurige oorzaak en gevolg.) De vlieg tenslotte wordt weggejaagd omdat het geen kanariepiet is maar gewoon een vlieg. Het is haar ‘wereldspel’.

Als haar eigen fantasie uitgeput raakt zegt ze: - Jij een verhaal vertellen, over het poppenhuis.

- Wat voor verhaal dan, zeg ik wat onnozel, ik weet niks.

- Je kunt best wat bedenken.

- Nou goed zeg ik, ik zal het proberen.

Veronderstel je komt huilend naar me toe, terwijl je op je vinger zuigt. Wat is er, vraag ik. Je laat me een klein brandplekje zien op je vinger en zegt: Eén van de popjes in mijn poppenhuis heeft met een geweertje op me geschoten. Dat kan niet zeg ik, die poppen hebben geen geweren, het zijn vreedzame wezentjes, ze leven niet eens. Ze leven wel zeg je. Goed zeg ik, ga dan maar mee dan zullen we samen eens poolshoogte nemen.

Het huis staat er nog precies zoals ik het een uur geleden gezien heb. Welke is het vraag ik. Je wijst hem aan. Ik buk me. Kijk maar zeg ik, ik steek mijn hand uit en wil een van de poppen oppakken. Maar op dat moment haalt hij achter zijn rug een straalgeweertje tevoorschijn dat hij op mijn hand

[pagina 44]

[p. 44]

richt. Ik trek hem pijnlijk getroffen terug, kijk. Precies op de top van mijn middelvinger zit een kleine brandblaar. Wel allemachtig zeg ik hij leeft, inderdaad, en ik steek opnieuw driftig mijn hand uit om hem te pakken, maar dan beginnen plotseling ook de andere poppen te bewegen, toveren geweren en straalpistooltjes tevoorschijn waarmee ze op me schieten. Mijn hele hand zit nu onder de brandblaren en er zijn gaatjes in een deel van mijn mouw; het ruikt branderig in de kamer. We springen achteruit.

Het zijn wezentjes van een andere planeet die bezit hebben genomen van het poppenhuis zeg ik en dan zien we ook in de linkerslaapkamer boven hun ruimtevaartuig staan. Het kan gevaarlijk worden roep ik, ze kunnen ons hele huis bezetten en ik ren weg om een bijl te halen. Voor ik de kamer uitga zie ik hoe ze razendsnel als vonken door de kamertjes schieten, kluwen draad achter zich aanslepend en kleine apparaatjes die er uitzien of ze van zilver zijn. Als ik terugkom zwaai ik de bijl hoog boven mijn hoofd en laat hem met grote kracht neerkomen, maar ongeveer een decimeter boven het dak stuit hij op weerstand, hij wil niet verder. Ik probeer het opnieuw en opnieuw, ook aan de voorkant en de zijmuren, maar het is of ik met een veer op diamant sla. Ze hebben een energiekoepel opgetrokken zeg ik, daar kom je nooit doorheen ...

En verder? vraagt ze ademloos. Verder weet ik het niet zeg ik, hier laat mijn fantasie verstek gaan, misschien dat Daco ... Maar Daco schudt al van nee, het is hem waarschijnlijk te weinig realistisch.

Stelleke vindt het maar griezelig, is bang geworden voor haar eigen poppenhuis. - Ik durf er niet meer aan te komen, zegt ze.

- Komkom zeg ik, je hoeft niet bang te zijn, het zijn maar dode popjes. Kijk maar.

Om haar gerust te stellen steek ik mijn hand uit en wil er een pakken. Maar als mijn hand de ruimte van het poppenhuis binnengaat voel ik plotseling een hevige pijnscheut in mijn middelvinger.

Stilte. Een paar minuten later is ze voor haar huis in slaap gevallen, een heel jonge vrouwelijke Gulliver. Ik draag haar in mijn armen naar boven en het is of ik door een reusachtig poppenhuis loop.

*begin* Dit keer heb ik heel lekkere dingen voor haar meegebracht, die ik in een winkel heb gekocht. Ik hoop dat ze deze eet. Drie dagen heeft ze nu al voedsel geweigerd en ik ben bang dat ze dood zal gaan als ze dit blijft volhouden. Desnoods zal ik het eten met geweld in haar mond duwen en haar neus dichtknijpen zodat ze moet slikken. Als ze het dan doorgeslikt heeft zal ze merken dat het lekker is wat ik meegebracht heb en méér willen eten.

Ik maak de touwen los. Ze gaat rechtop zitten en wrijft over haar polsen en enkels. Ik leg het brood, de bokking, de wortel, de kaas naast haar neer. Ik wijs ernaar met mijn vinger en zeg: lekker! Ze kijkt of ze er graag van wil eten. Ik haal vlug de doek voor haar mond vandaan en blijf vlak bij

[pagina 45]

[p. 45]

haar staan zodat ik hem weer om kan doen als ze begint te schreeuwen. Ze aarzelt, wacht nog even en pakt dan de kaas. Goed, zeg ik, goed! Ze kijkt mij kwaad aan maar eet. Ik ben blij. Misschien als ze merkt dat het lekker is zal ze me niet langer kwaad aankijken. Ze eet de helft van de kaas, een stuk brood en de bokking. De wortel laat ze liggen.

Met de monddoek in de hand ga ik op de stoel voor de kamerdeur zitten. Binnen drie passen ben ik bij haar als het moet. Ik kan nu rustig kijken hoe ze zich beweegt en haar behoefte doet. De pot heb ik schoongemaakt en naast haar neergezet. Ze schuift hem met haar voet naar een hoek van de kamer. Dan kijkt ze naar mij over haar schouder en loopt erbij vandaan, maar ik weet dat ze niet langer meer kan wachten.

Als ze eindelijk gaat zitten met haar rug naar mij toe sluip ik net als gisteren dichterbij. Ik draai haar rond op de pot en duw haar knieën van elkaar om te kijken hoe het eruit komt. Als ze het probeert in te houden duw ik tegen haar buik. Dan komt het. Het is een interessant gezicht. Ik geef haar een stukje papier. Als ze klaar is en opstaat pak ik de pot en kijk er in. Tussen het water ligt een kleine drol. Niet veel, maar genoeg; ze heeft dagenlang niets gegeten. Ik zet de pot in de hal.

Dan, nog voor ik me opgericht heb probeert ze opnieuw langs me heen te slippen, maar ik heb het verwacht. Ik moet lachen. Ik grijp haar bij haar middel en leg haar neer op de stromatras. Nadat ik de doek voor haar mond heb gebonden ga ik in haar. Het is de derde keer vandaag. Ze stribbelt voor het eerst niet tegen. Dat komt waarschijnlijk omdat ze lekker gegeten heeft. Ik zal goed voor haar zorgen. Hoe heet je? vraag ik vriendelijk. Ik wijs naar haar. Naam? Ze antwoordt niet. Daarom noem ik haar voorlopig Edde, want ze moet een naam hebben en waarschijnlijk heet ze ook zo, anders zou ik het niet denken.

Edde loopt heen en weer door de kamer. Ze is heel mooi als ze loopt. Haar borsten maken bij iedere stap kleine wipjes. Ik moet lachen. Ze kijkt naar het raam. Ik heb er een doek voorgespannen, een gordijn. Ik wil haar ook vrolijk maken. Ik haal de doek weer voor haar mond vandaan.

Ik ga naar de lichtschakelaar en draai hem om, twee maal. Licht aan. Licht uit. Kijk zeg ik, leuk! Ik wijs naar de lamp. Licht aan, licht uit. Dit doe ik een paar maal, al sneller en sneller zodat het op een knipoog likt. Maar ze moet er niet om lachen, hoewel het op zichzelf toch een grappig gebeuren is. Daarna ga ik naar het schilderij en wijs wat erop staat. Ik zeg: Mooi! Maar ze wil er niet naar kijken. Dan laat ik haar het houten paardje zien. Ik houd het voor mij uit op mijn hand. Ze wendt haar hoofd af. Meer heb ik niet om haar te tonen. Ik zal nieuwe voorwerpen moeten halen, ze vindt blijkbaar andere dingen mooi dan ik. Hierna ga ik slapen. Ik bind haar dit keer niet vast aan de vloer, maar laat haar naast mij liggen, een van haar polsen vastgebonden aan de mijne. Morgen zal ik een zachtere matras voor haar zien te vinden. Daarna ga ik voor het laatst in haar. Ik ben zeer tevreden met haar. *einde*

[pagina 46]

[p. 46]

Het is hier om te stikken. Onze vijf lichamen wasem*n zweet en angst uit die in een dikke walm door het hooi moet trekken en buiten ruikbaar zijn. We zitten allemaal onder de hooimijt, krabben ons furieus en zonder ophouden, ademen het fijne stof in dat onze kelen droog maakt, onze neuswortels prikkelt. Hoesten. Proberen het te onderdrukken, een keelworsteling die uitmondt in een korte droge kuch die onmogelijk buiten gehoord kan worden maar waarvoor we toch bang zijn. Praten durven we nauwelijks, hoewel de wanden dik zijn als fortmuren en het hooi het geluid dempt; bovendien ligt de hond voor of in zijn hok; hij zal beginnen te blaffen zodra er iemand aankomt. Maar wat ons vooral angstig maakt is het gerucht dat de Duitsers ervan op de hoogte zouden zijn dat onderduikers zich in uitgeholde hooibergen verschuilen. Tweemaal heb ik bij het construeren van zo'n schuilplaats meegeholpen: een ronde schacht van bovenaf in een halve of driekwart opgetaste hooiberg uitgestoken tot op de bodem, daarna op stahoogte kruisbalken aangebracht, deze bedekt met planken en het uitgegraven hooi weer in het gat gegooid en aangestampt. Vervolgens op de grond een horizontale gang gegraven die in de holte uitkomt, de achterwand van het hondenhok verwijderd en het hok tegen het open gat geplaatst met losse achterwand. / Zo zijn we ook naar binnen gekropen. Een ingenieuze uitvinding wanneer we niet gehoord hadden dat de Duitsers in het hooi schieten en soms hooibergen in brand steken. Waarschijnlijk is dit laatste een loos gerucht zoals er zoveel in omloop zijn, maar zeker weten doen we het niet, we weten niets zeker. Zelfs dat kogels niet door zo'n dikke hooilaag dringen kunnen we alleen maar veronderstellen, hopen. Als ik eraan denk, en het is niet de eerste keer, stel ik me vreemd genoeg altijd voor dat ze me in een oog raken. De enige zekerheid die we tot nu toe hadden is dat we iedere dag voldoende te eten kregen ... te eten ... te eten ...

Ik leef gezond ... zo nu en dan wat hout hakken, het erf en de stallen schoonvegen, moestuintje schoffelen tot aan de heg, veel verder kunnen we ons niet bewegen omdat we dan zichtbaar zouden zijn vanaf de weg. / Veel eten, vier keer per dag, met veel vet en peulvruchten, borden havermoutpap en soms, nog hongerig vanwege de vele ingezogen buitenlucht, proberen we nog rauwe wortelen, eigenhandig uit de grond geplukte onder de pomp schoongespoeld ... te gezond, er valt niet tegen te onaneren. Soms is midden overdag de drang zo sterk dat ik bezem of bijl in de steek laat en me achter een struik aftrek. Het is in vijf tellen gebeurd. Maar nu Sara in het donker naast me zit heb ik zelfs geen lust om haar aan te raken. We zitten allemaal stijf rechtop, luisteren, ademen. Voor Sara staat er het meeste op het spel, ze is joods en als we ontdekt worden ... Als ik het me voorstel wat er met haar zal gebeuren verzinkt de angst in de vlammen om te komen er bij in het niet; zelfs als we als wormen door het hondenhok naar buiten kruipen wanneer het hooi in brand wordt gestoken zullen we nog een kans van overleven hebben, zij niet. Ze is met twee van de andere jongens ondergedoken op een naburige boerderij, alleen Eelco en ik wonen hier.

(De eerste keer dat ik haar zag was toen ik een bezoek

[pagina 47]

[p. 47]

bracht aan de veel grotere boerderij waar ze, samen met nog een twaalf à vijftiental andere ondergedoken zat, zij het enige meisje. In het begin, herinner ik mij, deden we dit nog, de andere terpen bezoeken die als eilanden lagen in net niet ondergelopen land. De boerderij was een waar fort, grote schuren met dubbele zolderingen en vloeren waartussen bij onraad onderduikers zich verscholen als ze niet weggekropen zaten in uitgespaarde gaten tussen de honderden pakken geperst hooi. Op zolder was een permanente uitkijkpost ingericht die de hele omgeving bestreek terwijl een andere groep onderduikers bezig was een vluchtgang te graven die moest uitkomen in een varkenshok verderop in het land. Ook waren er wapens. De boer, een formidabele patriarch, was een belangrijk verzetsleider. Sara herkende me, zei ze, van een keer dat ze me in de kerk had gezien, ik was zeer gevleid. En geschokt. Ze is een van de vijf of zes joden waarvan ik weet dat ze christelijk zijn geworden - uit dankbaarheid tegenover hun beschermers of uit angst of uit mimicry. Destijds ging ik zo nu en dan nog mee met mijn vaag christelijke ouders, meer uit verveling dan uit overtuiging. Maar als ze gepakt wordt zal haar christelijkheid haar niet helpen.) ... ik herinner me ...

Eelco houdt een dagboek bij waaruit hij 's avonds op verzoek van de boer soms voorleest; hij noteert precies wat er die dag gebeurd is, nooit meer, zelfs geen gedachte voegt hij eraan toe en toch is het hele gezin iedere keer diep onder de indruk: alleen al het feit dat iets dat hun aangaat of wat ook zij gezien hebben onder woorden is gebracht is voor hen een avontuur van de eerste orde, zoals ook het magere schetsje dat hij van de boerderij heeft gemaakt voor hen bijna nog mooier is dan de boerderij zelf. Ze hebben het laten inlijsten ... ik herinner me ...

de door weer en wind uitgebeten markante kop, als een aardappeleter van Van Gogh maar veel minder afgestompt, intelligenter, goediger, vader van drie zoons en twee dochters, waarvan één getrouwd / man van een vrouw / aanhanger van een onvoorstelbaar zware protestantse sekte; het enige dat thuis gelezen wordt zijn, naast de oude statenbijbel, de hel-en-verdoemenis-preken van een zeventiende-eeuwse boeteprediker, Smijtegelt ... zoon Koert hoor ik op zondagochtenden de nette-kamer vullen met een zwaar rollend gedreun dat aan onweer doet denken ... ik herinner me ... Eelco verwonderd toen de boer hem op de eerste zondag verbood zich te scheren: rustdag des Heren; maar hij weigert ook de vogels weg te jagen die zijn pas uitgezaaide zaad onder zijn ogen wegpikken, want vogels zijn ook schepselen gods die te eten moeten hebben ... de boer ... bijna krijg ik tranen in mijn ogen als ik aan hem denk ... ik herinner mij ... twee dagen en twee nachten heeft de alarmtoestand nu al geduurd, ze zijn inderdaad bezig de streek uit te kammen, niet systematisch maar stootsgewijs, zodat je niet weet waar je aan toe bent. De eerste avond zijn we het land ingevlucht, ik geloof wel met z'n twintigen uit de buurt. Liggend in greppels of achter kleine hooiheuvels, wilgenstruiken hebben we verspreid over het land de nacht doorgebracht, het regende zachtjes maar het was niet koud.

Tegen dat het licht werd zijn we weer naar onze schuilplaatsen op de boerderij teruggeslopen. De tweede nacht

[pagina 48]

[p. 48]

al bleven de meesten gewoon thuis, dat wil zeggen in hun bed, terwijl één op de uitkijk stond ... ik herinner mij ... de ene idioot die midden op het vel een sigaret aanstak, de ontzagwekkende heldere vlam van de lucifer ... gevloek ... de sigaret werd hem uit de hand geslagen ... Het is beter dat mijn vader mij deze week niet komt bezoeken, het is te onrustig in deze buurt en de kans is groot dat hij zijn kostbare fiets met gummibanden kwijtraakt ... Ik zal erover moeten gaan denken ergens anders onder te duiken ... ik heb het nu zo warm en benauwd dat ik het gevoel heb tweemaal mijn eigen lichaamsomvang te bezitten, we krijgen enige frisse lucht door een gat in de achterwand van het hondehok maar het is het stof dat het hem doet, en de hooimijt. In de dikke walm van zweet onderscheid ik de nog zwaardere vrouwelijke lucht van Sara, of verbeeld ik het me? en hoewel we beter onze ogen gesloten kunnen houden weet ik dat we ze allemaal wijdopen hebben. Dan begint de hond te blaffen, hysterisch ... Naast mij hoor ik Sara zachtjes huilen ... ik herinner me ...

*begin* Ik leg de voorwerpen aan haar voeten. Een stuk zeep, een lippenstift, een flesje nagellak. Ik weet dat deze dingen door vrouwen gebruikt worden, en hoe. Toen ik het stuk zeep aanwees zei de juffrouw in de winkel: Is het voor u zelf? Ik heb niet geantwoord maar haar alleen maar aangekeken, waarna ze het vlug heeft ingepakt. Hoe kan nu iets voor mij zijn als het tegelijk voor een ander is?

Ik wijs eerst naar de voorwerpen en dan naar Edde. Ik zeg: Voor jou. Ik heb de touwen en haar knevel losgebonden.

Eerst wil ze er niet naar kijken, maar dan kijkt ze toch en neemt de voorwerpen een voor een in haar hand. Ik zeg: Mooi? Ze knikt. Ik zeg: Voor jou.

Dan gaat ze naar de tafel waarop ik een schaal met water voor haar heb klaargezet en een kroes met water om van te drinken en enige etenswaren. Ze wast zich met de zeep en het water uit de schaal, ze wast zich helemaal, ook binnen in haar oren en haar borsten en het haar op haar buik en de holte tussen haar benen. Ik ga iets dichter bij haar staan om beter te kunnen kijken. Ze ruikt lekker nu en de kamer ook. Als ze klaar is met wassen gaat ze op de springverenmatras zitten die ik voor haar heb gevonden en verft haar lippen rood en daarna de nagels van haar vingers en tenen. Ze is nu zeer mooi. Ze staat op en bekijkt zichzelf in de spiegel. Een kam heb ik helaas vergeten. Morgen, denk ik. Dan houd ik het niet langer uit en ga in haar nadat ik haar voorzichtig op de matras heb gelegd. Het komt meteen. Ik grom. Ze trekt haar mond scheef, maar het is niet omdat ze lacht. Ze stoot een zachte kreet uit en knippert met haar ogen.

Mooi, zeg ik als ik weer overeind zit en naar haar kijk. Ik zeg: hoe heet je? Ik kijk haar niet lang aan, hoewel ik het langer zou kunnen als ik wil, ze hoeft niet bang voor me te zijn. Als ze niet antwoordt vraag ik het opnieuw: Hoe heet je? Edde? Haar ogen worden groot van verbazing. Hoe weet je dat, vraagt ze. Ik weet veel, zeg ik. Ze wijst met haar vinger naar mij. En hoe heet jij? Kilo zeg ik. Een gekke naam, zegt ze. Een naam, zeg ik.

[pagina 49]

[p. 49]

Mag ik nu een jurk aan, vraagt ze? Nee, zeg ik. Ze heeft niet eens kleren en zonder kleren is ze mooier. Ik moet nu weg om eten te vinden, zeg ik. Ik bind haar vast op de stoel en doe de doek voor haar mond.

Misschien komt er een tijd dat het niet meer hoeft. *einde*

Wanneer ik de gamellen tot op het laatste voedselrestje leeggegeten heb en daarna schoongespoeld, plof ik doodmoe en verzadigd neer op mijn bed. Soep, aardappelen, een speklap, andijvie. Niet slecht nu driekwart van de bevolking honger lijdt; zelfs ontvangen wij één keer in de week nog een half pond boter om ons brood mee te besmeren, wat verder niemand krijgt, ook niet op de voedselbonnen. Daar bovenop nog een potje jam en een kwart kilo suiker. Genoeg brood. Nooit een hongerig gevoel. En toch zijn er die op de uitdeelavond hun hele pakje boter in een keer opvreten. Ook bij ons op de kamer is er één. Voordat hij de spullen in zijn kastje wegbergt snijdt hij van het pakje boter een flinke klont af en rolt die om en om in de suiker. Dan lippensmakkend langzaam in de mond laten oplossen, eventueel nog een lepel suiker op de tong nagestrooid wanneer de boter langzamer wegsmelt dan de suiker oplost. Boterbonbon is de naam. Er zijn er meer die dit doen, ik ook wel eens, ik heb soms een enorme behoefte aan zoetigheid. Kastje op slot, sleutel in de zak. En dan zien we gebeuren waarop we wachten. Na een minuut of vijf lui op bed gelegen en waarschijnlijk aan niets anders gedacht te hebben staat hij weer op, opent het kastje. Een nieuwe boterbonbon wordt klaargemaakt en smakkend verteerd / verzaligd kijken / zuchten als bij het hoogst denkbare genot / kastje op slot, terug op bed. Hij neemt zich nu voor dat het absoluut de laatste is, anders moet hij weer de hele week zijn brood droog wegkauwen en pap zonder suiker eten. Een moedige worsteling speelt zich af in zijn binnenste, die dit keer maar drie minuten duurt. Dan richt hij zich steunend, quasi-moeizaam en een beetje vernederd weer op. Zelfde ritueel. Kastje op slot, weer gaan liggen. Opstaan, smakken, liggen.

Wij lachen hem niet eens meer uit en hij geneert zich nauwelijks meer, behalve misschien voor zichzelf. Als het pakje half op is geeft hij zich gelaten gewonnen en plaatst de boter op een tinnen bord naast zijn bed evenals de suiker en eet de rest in een kalm tempo achter elkaar op. Als het mes voor het laatst afgelikt is lijkt hij opgelucht, laat een boer. Ik heb het al vier keer zien gebeuren. Ik steek een sigaret op en rook liggend, de enkele dagen grondwerk hebben me grondig gemangeld en ik heb zelfs geen puf om naar de kantine te gaan. (De eindeloze kleivelden van de nieuwe polder, de al even eindeloze velden moerasandijvie, het onafzienbare stelsel van greppels dat wij graven waar de draineringsbuizen in komen te liggen - de grotere sloten en vaarten zijn voorgebaggerd toen het land nog onder water stond -, de vochtige klei die aan de laarzen zuigt, smakkend met grote zuigmonden. En dan, vrijwillige slavenarbeid, maar ik voel me verder gezond, nooit ziek tenminste. Er is zelfs een licht gevoel van pioniersgeest in ons wanneer één van de

[pagina 50]

[p. 50]

eerste bouwsels vlakbij ons kamp de vorm gaat aannemen van een boerderij: over een jaar, hooguit twee jaar zal hier graan groeien, even onafzienbaar als het waardeloze moerasonkruid nu.)

Een laatste grappenmaker blaast op de rug van zijn hand. Nauwelijks het eten verorberd, beginnen de eerste scheten al te komen. Het is de grote wintersport hier, die tot vlak voor het inslapen voortduurt. Ik heb er een enorme hekel aan, kan er niet tegen, verberg mijn neus onder de dekens. Als het veesten afneemt begint het vozen, de krakende bedden, het gekreun en gezucht dat nagebootst wordt door wie het niet doet. Dan eindelijk rust. Maar ik kan van vermoeidheid niet slapen. Het is trouwens nog te vroeg.

Ik ga toch maar naar de kantine, wil het nieuws van radio Oranje liever niet missen. Ik trek mijn laarzen aan. Loop door de druilregen. Bij de toegang naar het kamp een bouwsel van hooiblokken - voedsel voor paarden - met de ingang aan de achterkant en een kijkgat aan de voorkant. Om de beurt houden we er 's nachts de wacht. Volmaakt zinloos. De Duitsers hoeven de twee of drie toegangswegen naar de polder maar af te sluiten en we zitten in de val, aan alle kanten omgeven als we zijn door het water van het IJsselmeer en door de brede ringvaart. En als ze op ons kamp afkomen is het te laat. Trouwens waarheen zou je moeten vluchten in dit vlakke land zonder struiken en oneffenheden. We leven in een fuik en weten het. Iedereen is ervan overtuigd dat dit de reden is dat de Duitsers ons met rust laten, hoewel ze op de hoogte zijn van het grote aantal onderduikers dat hier werkt. De heren zijn zo zeker van hun zaak dat ze zelfs toestaan dat er iedere avond openlijk door duizenden mannen naar de verboden Engelse zender wordt geluisterd, het kan niet anders of ze weten dit, overal zijn verklikkers. / Ik blijf even staan om een praatje te maken met de uitkijkpost, staar in een absoluut oorlogsdonker: nergens een lamp, geen sterren, geen maan, niets. / Vader mag blij zijn dat hij een administratieve post heeft gekregen op het distributiekantoor, beter dan met gebroken ledematen in de grond te wroeten, een schop als derde been waar je niet op kunt staan. Mijn moeder natuurlijk in angst met haar eeuwige intuïtie die nooit uitkomt/nog niet is uitgekomen ... ook op de boerderij heeft ze voor niets over me ingezeten ... god moet een enorme intuïtie gehad hebben, hij heeft alles voorvoeld, jawel ... Iedereen voorvoeld dat de oorlog nu vlug afgelopen is ... ze voelen het al drie jaar ... ik herinner mij ...

... de kantine ... vochtige warmte van uitwasem*nde mannenkleding ... een honderdtal rode koppen, brillen ... in de onwezenlijke stilte de nog onwezenlijker radiostem van de Engelse zender, te hoog, hij lijkt vanuit het gehemelte te komen. Iedere avond zijn we opnieuw ontroerd, lachen en juichen bij elke overwinning van de geallieerden. Het kan niet lang meer duren. Ik ga bij Eelco staan die tegelijk met mij werk heeft gezocht in de polder en die op dezelfde kamer slaapt ...

De volgende ochtend heel in de vroegte - het is nog schemerig - worden we gewekt. Opstaan / aankleden. De Duitsers zijn in het kamp. De uitkijkpost heeft kennelijk geslapen. We zullen

[pagina 51]

[p. 51]

allemaal naar Meppel gevoerd worden, ongeveer dertig kilometer hier vandaan. We weten wat het betekent. De fuik heeft zich gesloten. Mijn moeder heeft gelijk gehad, maar als duizenden moeders dag in dag uit dezelfde intuïtie hebben krijgen er altijd wel een paar gelijk, ik herinner me dat ik dit gedacht heb ...

*begin* Ik kijk hoe Edde het water warmt op het gas. De aardappels schilt ze met een klein mesje. Het blik maakt ze open met een blikopener. Het zijn handige voorwerpen die mij veel geld gekost hebben, het meeste heb ik niet kunnen vinden of wegnemen: een tweepitsgastoestel, een ijzeren fles met gas, twee pannen, een braadpan, vorken, lepels en nog een mes, de blikopener. Ze heeft me voorgezegd wat ik moest kopen. Alleen een pan en de braadpan heb ik kunnen vinden, een bord heb ik weer weggenomen van een poes. Ik heb nu niet erg veel geld meer over en zal dus spoedig aan nieuw moeten zien te komen, nieuw geld.

Ik heb ook een plant voor haar gekocht die geranium genoemd wordt en die het daarom ook wel zal zijn. Deze plant leeft van water. Hij staat precies midden op tafel. Tweemaal per dag geeft Edde hem te drinken uit haar drinkkroes. Alles tezamen genomen bezit ik dus al vrij veel, ik ben er trots op.

Haar die ik mijn vrouw noem zit nu op haar eigen stoel voor het gasstel. Als ze zich voorover buigt hangen haar borsten naar beneden zodat het lijkt of ze eraf gaan vallen, in de pan bijvoorbeeld. Ik houd mijn hand eronder, maar ze duwt hem weg. Nu niet, zegt ze.

Als het eten klaargekookt is verdeelt zij het in twee helften op de borden die ze op tafel klaar heeft gezet; de vorken messen en lepels liggen ernaast. Dan gaan we recht tegenover elkaar aan tafel zitten.

Het voedsel is warm en smakelijk. Het is van hoge kwaliteit. Ik zal haar zeker in staat stellen dit vaker voor mij te koken. Aardappelen, gaargekookte bonen en hachévlees. *einde*

Een kilometerlange tienduizendpoot van slavenarbeiders kronkelt zich door het landschap: je kunt het zien omdat de weg zelf kronkelt, voor een deel loopt hij nog over een dijk ook, geen bomen, links en rechts de ondergelopen weilanden. De Duitsers hebben deze zomer de dijken doorgestoken en het hele gebied tot defensieterritorium verklaard.

Austreten! Honderden verlaten de stoet en halen in de smalle berm hun pik tevoorschijn ∷ een geluid als van vele wateren. Een betrekkelijk klein aantal met geweren gewapende soldaten houdt ons in bedwang. Eén joodse jongen hebben ze er al uit geplukt, er zijn er meer. Langs de weg liggen kleine gehuchten, een enkel dorp. Als we erdoor trekken zijn de straten massaal gevuld; de inwoners kijken toe op de stoep, sommige vrouwen huilen, de eerste gewaarschuwde ouders staan er al, verloofdes, echtgenotes met pakjes levensmiddelen en kleding. Er is gelegenheid tot vluchten. Sommigen maken er

[pagina 52]

[p. 52]

gebruik van, glippen een zijstraat in, ik niet. Ik vertrouw het niet, het gaat te gemakkelijk en ik vermoed dat ze straks de gehuchten zullen afzetten en uitkammen.

Aan het eind van de middag, even voor we ingekwartierd worden in een tweetal scholen, zie ik mijn vader staan, fiets aan de hand, een pakje op de bagagedrager. Nadat hij het me overhandigd heeft blijft hij de stoet volgen om te zien in welke school ik word ondergebracht. Daar blijft hij staan wachten voor het hoge raam tot ik de kans krijg een ander van zijn te lang bezette plaats te verdringen. Maar tegen die tijd is hij zelf inmiddels naar achteren geduwd en we slagen er niet in meer dan een paar woorden te wisselen. Hij vraagt ook nog waar Eelco is. Ik weet het niet, ik heb hem uit het oog verloren. Omdat hij voor spertijd thuis moet zijn moet hij nu terug.

We slapen op de houten vloer of rechtop zittend met de rug tegen de muur. We zijn minstens met z'n vijftigen, alleen al in dit ene lokaal. Warm.

De volgende dag arriveert de kop van de duizendpoot vroeg in de middag in Meppel waar we voorlopig zullen worden ingekwartierd om daarna op de trein te worden gezet voor tewerkstelling in Duitsland. De school is nieuw en helder, grote lage ramen, veel ruimte. We krijgen stromatrassen. De speelplaats ligt aan de straatkant en we mogen er vrij rondlopen. Mijn vader staat al aan het hek. Ik herinner me niet meer waarover we gepraat hebben. Wel kom ik te weten dat er gisteren geen razzia's zijn gehouden zodat ik mijn kans voorbij heb laten gaan om te vluchten. Nu zal het moeilijker zijn. Er staan twee gewapende soldaten op wacht die de hele voorkant bestrijken. Er heerst een gelaten stemming, niet zozeer een sombere. Ik rust uit en slaap goed. Eelco zit in dezelfde school als ik, zelfde lokaal.

Tweede dag. We krijgen bezoek van het Rode Kruis, ik heb kleren genoeg, een warme jas, dekens en vraag alleen maar om een boek, het doet er niet toe wat. Ik krijg er nog een ook, een schooluitgave van de Gysbrecht van Aemstel. De Duitsers zijn welwillend, tenminste degenen die hier toezicht uitoefenen. Vrouwen worden toegelaten in de schoollokalen, echtgenotes, moeders, verloofdes. Enkelen hebben een extra stel vrouwenkleren bij zich; ongeschminkt lopen de verklede jongens en mannen langs de schildwacht, die nauwelijks kijkt, de vrijheid tegemoet.

In ons lokaal wordt een hoek van de zaal afgeschermd met een oud gordijn, de getrouwden trekken zich erachter terug, de jongeren verlaten meestal uit zichzelf het lokaal. Ik hang wat rond op het speelplein en taxeer welke kans ik heb. Voor een nekschot voel ik niet veel, dan liever een overlevingskans in Duitsland, hoewel er in de streek waar wij heen zullen gaan zwaar gebombardeerd wordt. Mijn vader verschijnt weer voor het hek, nu samen met de vader van Eelco; hij ziet er vermoeider uit dan ik, is zulke lange fietstochten niet meer gewend en zijn angst om mij moet groter zijn dan mijn eigen angst. Ik zie zo nu en dan iemand over de houten zijschutting glippen die niet al te hoog is en de wacht heeft nog geen keer geschoten, het is of ze het niet willen zien, misschien zijn het goede Duitsers. Of ze hebben geen transportmogelijkheden

[pagina 53]

[p. 53]

genoeg en laten oogluikend toe dat een deel van ons ontsnapt, de brutaalsten. Ik wacht tot mijn vader weg is, ik heb hem geloof ik zelfs weggestuurd, hij: mag: het niet zien als er iets gebeurt.

Ik zeg tegen Eelco wat ik van plan ben. Hij raadt het me niet af maar zal het zelf niet doen.

Op een moment dat de schildwacht niet kijkt waag ik de sprong, balanceer met mijn buik op de rand van de schutting, wacht op een schot, draai me om, kijk snel, laat me vallen. Vrij. Zo simpel is het. Terwijl ik het nog steeds niet kan geloven ren ik de hoek om, vlucht een kerk binnen. Ik heb daarstraks gehoord dat er waarschijnlijk razzia's zullen worden gehouden en dat bij de uitgangen van de stad soms wordt gecontroleerd. De stad is omringd door water. De pastoor. Uitleg overbodig. Hij informeert voor mij bij een elektriciteitswinkel in de buurt waarvan hij weet dat de eigenaar te vertrouwen is. Deze stuurt zijn dochter mee die voor mij uit zal lopen tot de rand van de gemeente; de streek zelf ken ik verder vrij goed.

Dezelfde weg terug, aan weerszijden water, nergens een schuilmogelijkheid.

Achter mij komt een ravitailleringswagen van de Duitse weermacht met een paard ervoor aansukkelen. De soldaat op de bok ziet er menselijk uit en ik vraag of ik achterop mag staan, de wagen gaat sneller dan ik. Hij stemt toe. Grote manden met donkerbruine broden, aardappelen, groente, eieren, maar ik heb geen honger. De wagen is mijn behoud. Even later komen we een officier van de Groene Politie tegen met drie agenten, allen op de fiets. Ze kijken even naar me maar rijden door. In de vaart naast de weg tuft een binnenvaartschip, op het dek in de zon een aantal ontsnapte medegevangenen die ik herken, ze zingen luidkeels, alsof we al bevrijd zijn. Ik zwaai met mijn arm.

De wagen gaat helaas niet verder dan Zwartsluis, het eerstvolgende dorp. Als ik de rest van de weg moet lopen haal ik het nooit, nog afgezien van de geruchten dat er een strenge controle op komst is bij het veer verderop dat ik moet passeren. Met grote moeite en niet dan na mijn bonkaarten afgegeven te hebben als onderpand krijg ik een fiets te leen van een fietsenmaker die toevallig mijn familie in Kampen kent. Ik beloof op mijn erewoord dat mijn vader hem morgen terug zal brengen; hij heeft namelijk echte banden en is dus een klein kapitaal waard. Goed mens, toch. 's Avonds hoor ik dat nog geen uur nadat ik met de pont het Zwarte Water ben overgestoken de militaire politie bij het veer post had gevat.

De dijk, een andere nu. De weilanden zijn hier niet geïnundeerd zodat mijn ontsnappingskansen groter zijn. Ik kan de dijk over een grote lengte overzien en als het nodig is zijn er tientallen landwegen die ik in kan slaan. Er zijn wat struiken, boerderijen, riet, dat wil zeggen aan mijn linkerhand, rechts ligt weer de onvermijdelijke vaart. Ik durf nu voor het eerst weer verder te denken dan het stuur van mijn fiets, verheug me op de gezichten die ze straks zullen trekken als ik thuiskom; de intuïtie van mijn moeder is toch gebrekkig gebleken, godsvertrouwen is beter. Maar mijn benen zijn nu zo allejezus moe van de doorstane spanning dat ik bijna niet meer

[pagina 54]

[p. 54]

vooruit kom, er zit lood in mijn voeten, mijn kuiten zijn krachteloos; het is als in een nachtmerrie, alleen duizend maal werkelijker. Een honderd meter houd ik het nog vol, dan kan ik niet meer en laat mij van mijn fiets glijden, bijna misselijk van teleurstelling. Ik val meer dan ik loop de dijk af, verberg me zo goed mogelijk achter één van de vele rietschelven die er staan, droog riet, kunnen beter weggehaald worden bedenk ik nog, zijn lekker om te stoken, dan val ik in slaap.

Ik word wakker door een geluid van knappende rietstengels en zie een Groene Politieman boven mij staan. Hij vraagt om mijn persoonsbewijs. Als ik overeind ga zitten zie ik even verderop tegen de dijk zijn fiets liggen, hij heeft alle riethopen gecontroleerd of heeft staan wateren en mij toen ontdekt. Op het laatste moment nog.

Ik ben klaarwakker nu, maar sta quasi slaapdronken op, wankel en laat mij tegen zijn romp vallen. Stoot hem dan met alle kracht die in mij is in de vaart, waar hij een kleine meter van de walkant terechtkomt. Hij spartelt als iemand die niet zwemmen kan / kan niet zwemmen / roept luidkeels om hulp.

Ik kijk om mij heen. Twee boeren die op uiteenliggende plaatsen op het land staan en die het tafereel moeten hebben gezien draaien zich om en lopen snel verder de weilanden in. Ik pak een roestig stuk ijzer op om het op zijn hoofd te gooien, ook kan ik hem met een stok onderduwen, maar ik breng de moed/lafheid niet op. Veel kans om te overleven heeft hij trouwens niet.

Bijna emotieloos duw ik mijn fiets tegen de dijk op. Voor ik opstap draai ik mij nog eenmaal om: nog steeds wild met zijn armen in het water slaand en met ogen die uit hun kassen puilen van angst is hij verder de vaart ingedreven. Ik wiel aan de andere kant de dijk af en rijd over kleinere binnenwegen naar de stad, voortdurend blikken over mijn schouders werpend.

Twintig minuten later bereik ik ons huis. Open het hek en loop naar de achteringang, zet mijn fiets tegen de muur. Door de ruit zie ik ze alledrie zitten, mistroostig. Ik ga de keuken binnen, de gang, waar ze alledrie al staan. Zelfs mijn grootvader heeft vochtige ogen. Maar op dit moment voel ik mij van niemand een zoon, laat staan een kleinzoon; misschien morgen, misschien later, veel later, als ik weer minder volwassen zal zijn ... ik herinner mij ... / nee, ik herinner het mij fout, ik was eerder terug dan mijn vader die nog uren naar mij gezocht heeft. Pas tegen de avond keerde hij terug, over zijn zenuwen. Toen hij mij zag zitten moest hij zich vasthouden aan de deur ... ik heb mij een aardig verleden opgebouwd ... /

*begin* Op Eddes verzoek heb ik een lap stof gekocht die ze nu bezig is te knippen en te rijgen. Zo ontstaat een jurk. Ik heb het toegestaan omdat ze zei dat ze het koud had, wat waarschijnlijk onjuist is. Het is niet koud. Op de stof zitten gekleurde bloemen. Zodra ik thuis ben moet ze de jurk weer

[pagina 55]

[p. 55]

uittrekken en indien nodig de kamer verwarmen met een gasvlam. Ook heb ik beloofd niet meer te zullen kijken als ze haar behoefte doet. Soms kijk ik toch, maar ik heb niet de indruk dat ze het vervelend vindt; integendeel, het vermaakt haar geloof ik, maar ik laat niet merken dat ik het doorheb.

Van haar kant heeft ze beloofd niet meer te zullen schreeuwen als ik haar zonder doek rond laat lopen. Alleen als ik wegga bind ik haar nog vast en knoop de doek voor haar mond. Ze heeft gevraagd dit niet te doen maar ik neem geen risico. Ik wil haar niet missen.

Als de jurk geregen is legt ze hem weg en gaat op haar stoel zitten om wat in een tijdschrift te bladeren dat ik voor haar gevonden heb. Ze bekijkt de plaatjes en leest wat eronder staat. Er ligt nog een hele stapel op de vloer zodat ze voorlopig voort kan. Kennelijk amuseert haar dit meer dan het aan- en uitknippen van het licht of het schilderij. Misschien als ik niet meer zo op mijn hoede hoef te zijn dat ik ook een tijdschrift zal inzien. Ik zal mijzelf geweld moeten aandoen, ik kan me niet voorstellen dat iemand leest waar een vrouw bij is. Maar als zij het wenst zal ik het doen, we hebben dan samen iets om over te praten.

Ik kijk naar haar. Haar lippen bewegen, de wimpers van haar ogen trillen vaak op en neer, haar borsten rusten op het tafelblad. Als ze zit breiden haar billen zich uit in de breedte, bijna tot over de rand van de stoel. Van tussen haar gesloten dijen klimt het krullende buikhaar naar boven tot aan haar navel. Ik volg al haar bewegingen, hoe klein ze ook zijn. Ik merk dat mijn lippen de bewegingen van de hare nabootsen en de woorden spellen die ze zonder geluid spreekt. Ik weet dus niet welke het zijn. Ik zal er haar straks naar vragen. *einde*

Op de vluchtheuvel van de tram blijft hij staan. Stelt zich na een korte aarzeling - zijn grote schoen de laatste stap schuin achter zich aanslepend als een lamme vleugel - op voor een man en kijkt hem recht in de ogen. Ik steek de straat over en vat post op de kop van de vluchtheuvel half verscholen achter de wachtenden.

De man is een jaar of vijftig, hoed, wandelstok aan zijn arm. Hij knippert met zijn ogen, voelt zich kennelijk niet op z'n gemak met de zwijgende gestalte en de kijkende ogen tegenover zich. Opent zijn lippen. - Zocht u iets?

Hij antwoordt niet, blijft hem aanstaren met strakke, borende blik. De man neemt hem, voor zover dat van zo dichtbij mogelijk is, op: de afgedragen kleren, het open overhemd zonder das, de veel te grote schoenen. Weigert uit trots een stap achteruit te doen, of zijwaarts. - Waarom kijkt u mij aan? (Geen antwoord.) Slikt. Krijgt een rode kleur. Wendt zijn hoofd naar rechts, maar kan dit niet eindeloos volhouden, dan naar links, idem. Kijkt vervolgens met opgetrokken wenkbrauwen omhoog naar de blauwe lucht alsof daar iets te zien is, zuigt zijn rechtermondhoek naar binnen, strijkt zich nadenkend met de hand over zijn kin.

Kijkt weer naar de ander. Loopt opnieuw rood aan. Barst uit: - Nu is het mooi genoeg geweest! Draait zich dan, gefrustreerd omdat hij ertoe gedwongen wordt, een

[pagina 56]

[p. 56]

kwartslag om, weg van de blik. Het zweet staat op zijn voorhoofd.

Maar ook de ander verplaatst nu zijn voeten en stelt zich opnieuw frontaal voor hem op, de schouders iets meer naar voren gebogen; de blik is intenser geworden, niet loerender, maar indringender.

Het hoofd van de man beweegt zich nu nerveus heen en weer als de kop van een gekweld dier dat niet weet welke richting het uit moet kijken, de hand strijkt weer over de kin.

Dan neemt hij een besluit en erkent zijn nederlaag. Draait zich met een ruk om en loopt mopperend (-Idioot-) naar de andere kant van de vluchtheuvel. (-Idioot.)

Een triomfantelijke glimlach plooit zich om de mond van de ander, die langzaam weghobbelt, de schouders rechter. Er is een licht gevoel van hilariteit in mij alsof ik zelf een kleine overwinning heb behaald. Ik volg hem op enige afstand, nieuwsgierig.

Als tweede proefpersoon, althans de tweede waarvan ik getuige ben, kiest hij een winkelende vrouw van een jaar of vijfendertig uit. Zoals te verwachten is dit experiment sneller beëindigd, vrouwen zijn gewend indringend aangekeken te worden. Ze draait zich gewoon, nauwelijks gekwetst of geïrriteerd, een paar maal op haar hielen om en loopt dan schouderophalend weg. Opnieuw de overwinningsglimlach.

Gedurende het volgende uur haalt hij de grap nog een keer of acht uit, waarbij we een groot deel van de stadswijk doorkruisen. De reactie van de mensen, meest mannen, varieert van een gegeneerd schouderophalen en verlegen wisselen van kleur tot woede-uitbarstingen en gevloek en soms zelfs totale verwildering. Eenmaal krijgt hij een klap in het gezicht van een vrouw. Allen lopen op den duur weg, niemand houdt het uit, op één na: de laatste. Deze bleef gewoon terugkijken tot de ander zijn ogen neersloeg en afdroop. Daarna geeft hij het op, de geleden nederlaag heeft hem kennelijk opnieuw onzeker gemaakt. Voor mij is het een fascinerend avontuur geweest en ik vraag mij af hoe ik zou reageren wanneer hij mij zou aankijken, ik heb geen idee.

Hij hobbelt verder, onvermoeibaar. Ik blijf hem volgen, in de hoop zo te weten te komen waar hij woont. Maar nu hij zijn concentratie niet langer op anderen richt snuift hij blijkbaar onraad. Zijn gang wordt onrustig; hij kijkt een paar maal half om en dan, zich ten slotte helemaal omdraaiend, ontdekt (herkent?) hij mij en versnelt zijn pas.

Ik wil hem niet angstig maken en opjagen en beëindig de achtervolging. (Als ik het niet zou doen zou ik hem misschien in grote verlegenheid brengen; wegvluchtend zou hij, met zijn kostuum, ongetwijfeld aangehouden worden (dief); ik, met mijn nette kostuum, zou ongevraagd als de bestolene worden beschouwd. De gedachte ergert mij mateloos.)

*begin* Wanneer de straatlantaarns en de lichten in de etalages aangaan lijkt het drukker te worden op straat, ik heb dit verband ontdekt. Ik vraag mij af of het de aantrekkingskracht van het licht is.

[pagina 57]

[p. 57]

Er komt een man op de stoep recht op mij af. Hij loopt wat wankel en dreigt voortdurend te vallen zonder dat hij het doet. Ik blijf staan. Als hij mij bereikt heeft spreekt hij mij vriendelijk toe en legt zijn arm om mijn schouders. Ik vind het niet onaangenaam, hoewel minder aangenaam dan wanneer Edde mij aanraakt of ik haar. Ik meen ook hieruit een conclusie te mogen trekken.

Kom, zegt hij, je krijgt iets van mij. Goed, zeg ik. Ik ben nieuwsgierig wat hij mij ten geschenke wil geven. Met zijn arm om mijn schouder voert hij mij naar wat ik weet dat een café is. Het is er druk, op de tapkast en ook achter de wand staan lange rijen flessen van uiteenlopende vorm en kleur, in het het lokaal hangt veel rook die mij doet hoesten. Toch is het goed dat ik meegegaan ben, ik zal in de toekomst aan meer dan één mens tegelijk moeten wennen.

Wat ik krijg is een glas jenever. Ik vind het niet erg smakelijk maar drink het toch leeg. De man die mij hier gebracht heeft heet Teunis; hij vertelt mij dit. De naam komt duidelijk overeen met zijn uiterlijk, het is een juiste man. Daarna bied ik Teunis op mijn beurt een glas jenever aan. Hij heft het voor zich uit, waardoor ik de indruk krijg dat hij het aan mij wil geven. Maar als ik het wil aanpakken trekt hij het snel terug. Hij begint te lachen en zegt: Jij bent een mooie peer. De andere bezoekers van het café lachen ook. Dan drinkt hij het glas in één teug leeg.

Ik betaal. Ik moet nu naar huis, zeg ik. Teunis zegt iets dat ik niet begrijp. Hij geeft mij een knipoog en de anderen beginnen te lachen. Dit is zonder twijfel een vrolijke gelegenheid en de mensen hier zijn allen zeer vriendelijk. Ik besluit er morgen weer heen te gaan. Waarschijnlijk heb ik nu een vriend, ook wel genoemd kameraad. Morgen zal ik hem vragen of dit zo is. Als ik eraan denk doorstroomt mij een groot geluksgevoel. Ik krijg het plotseling heel warm en voel een grote behoefte Edde aan te raken.

Teunis is mijn vriend niet, ik heb mij vergist. Het spijt mij dit te moeten bekennen.

Ik drink mijn jenever met tegenzin. Evenals de overige bezoekers ben ik echter in een goede stemming. Er is veel muziek. Als deze stopt kijkt Teunis mij aan, te lang. Ik sla mijn ogen neer. Dan raakt hij mij aan met een vinger. Hij vraagt: En heb je lekker gekeesd gisteren? Wat, vraag ik. Teunis lacht. Hoor je dat, zegt hij, hij weet niet eens wat het is. Hij zegt: je hebt toch wel een vrouw? Ik knik. Een echte? Ja, zeg ik.

Heeft ze borsten? Natuurlijk, zeg ik. Ik moet lachen net als de anderen. Hoeveel? Twee. En wat heeft ze nog meer, wil Teunis weten. Ik vind het aardig dat hij zoveel belangstelling voor mij heeft, dit duidt erop denk ik dat hij mijn vriend is. Ze heeft twee benen, vertel ik, en twee armen, en een buik en ze heeft een mooi hoofd. Verder niks, vraagt Teunis. Dat moet een verdomd lekker wijf zijn dat jij hebt. Is het ook, zeg ik. De anderen lachen weer. Aardige mensen.

Teunis zegt: Weet je wat, ik ga straks met je mee naar huis, ik wil dat superwijf van jou wel eens zien. Nee, zeg ik.

[pagina 58]

[p. 58]

Ik ruik onraad. Waarom niet, vraagt Teunis. Omdat ze van mij is, zeg ik, en als je haar ziet wil je haar misschien meenemen. Jij bent godverdomme een mooie peer, zegt Teunis. Hoor je dat? De anderen barsten in lachen uit. Ik voel me niet op mijn gemak.

Kom, doe niet zo lullig, zegt hij, je maakt me nieuwsgierig. Ik hoef er alleen maar even aan te ruiken. Nee, zeg ik. Ze stinkt toch niet? Nee, zeg ik, ze ruikt lekker. Ik betaal en ga weg.

Als ik achterom kijk zie ik Teunis achter me lopen. Hij is dus toch mijn vriend niet. Ik heb me vergist. Ook zijn gezicht is anders dan gisteren, of hij heeft een foute naam opgegeven. Ik word bang, zo bang als ik nog nooit geweest ben. Hij wil haar van me afnemen denk ik, hij volgt me de hele weg tot ik thuis ben. Ik zou een andere weg kunnen nemen, maar er is geen andere weg, er is maar één goede weg die naar mijn huis voert.

Als dit tot mij doordringt besluit ik hem te doden. Er is geen andere mogelijkheid zoals er geen andere weg is. Het spijt mij dat er niet meer mogelijkheden zijn, of misschien zijn ze er wel maar ik zie ze niet, ik zou ze moeten ontdekken en daar is nu geen tijd voor. Tegen de tijd dat ik er misschien één ontdekt heb ben ik thuis en is het te laat.

Ik wacht tot we in een straat zijn waar het minder druk is. Daar stel ik mij op in een portiek. Met één slag van de zijkant van mijn hand tegen zijn hals dood ik hem. De gedachte komt in mij op om hem, nu hij toch dood en mijn vriend niet meer is, zijn geld af te nemen. Ik doe dit niet, ik moet zijn geld niet.

Nadat ik hem in een hoek van het portiek heb gelegd ga ik snel naar huis. Dit keer heb ik geen vuile handen gekregen. Maar ik voel mij treurig. Ik zal niet meer naar het café toe gaan, het is een slechte gelegenheid. Er moeten ongetwijfeld gelegenheden zijn die beter zijn. Ik neem aan dat deze een uitzondering is, evenals Teunis. *einde*

Meteen over de nu brede brug annex elektrisch gemaal was duidelijk dat ze over uit zee gewonnen land reden: liniaalrechte wegen, kanalen en sloten, met niet eens zo nu en dan een bocht in de weg om de automobilist waakzaam te houden. Eindeloze velden met graan als op buitenlandse filmshots of ouderwetse prenten, onhollands bijna. De bomen, meest populieren, waren volwassen geworden, de struiken hoog. Ingewoond land. Waar de houten barakken hadden gestaan waren conglomeraties bakstenen huizen verrezen ter grootte van gehuchten, alle strikt planmatig uitgevoerd met steeds twee of drie huizenrijen haaks op elkaar rond een open ruimte die een plein moest voorstellen en één, twee of soms zelfs drie scholen, één openbare, de andere stoelend op de één of andere geloofsovertuiging.

Ze volgden de pijlen van de route die door het Reüniecomité was uitgezet en die langs de voornaamste tijdens de oorlog in ontginning zijnde plekken voerde; ontdekten de reeds lege schragen waar ze hun kaart hadden kunnen laten afstempelen als ze op tijd waren geweest; passeerden talrijke

[pagina 59]

[p. 59]

auto's die de omgekeerde route hadden genomen, volgeladen met gezinshoofden, vrouwen, kinderen.

-... ken bijna niets meer terug, zei hij wat verongelijkt. Of liever: niets.

- Geen wonder, zei Ingrid. Er is bijna geen vierkante meter die hetzelfde is als in jouw tijd.

Jouw tijd. Vier weken pionier in onontgonnen land, daarna - / En dit was zijn tijd niet eens meer, tenminste niet in dit gebied, dit stuk ruimte. Hij was er niet rouwig om. (Trouwens, had ik het moeten kennen, vroeg hij zich ineens in een vlaag van (on)helderheid af, waarom, waarom niet? Toen hij probeerde dieper te delven was het of hij op kleigrond stootte, hard als cement en de transpiratie verscheen op zijn voorhoofd.)

- Laten we naar Emmeloord gaan, zei hij. Proeven hoe het oorlogsvoedsel smaakte. Toen.

Nu een kleine stad, centrum van de polder, met winkelstraten, een echt stenen plein met wachthuisjes voor autobusreizigers, een soort schouwburg, een losstaande open klokketoren, klok zichtbaar. Het plaatselijke fanfarekorps in uniform marcheerde over land dat enkele jaren voor hij er destijds liep nog meters onder water gelegen had. Ze gingen de reünietent binnen na hun girostortingsbewijs getoond te hebben. Groepjes tafeltjes en groengeverfde houten tuinstoeltjes. Gonzende clusters mannen, minder vrouwen, weinig kinderen. Om de paar meter was tegen het tentzeil een bordje opgehangen met de naam van het kamp erop waar oud-onderduikers uit hetzelfde kamp elkaar konden ontmoeten en gezeten op een tuinstoeltje herinneringen ophalen.

Op lange houten schragen stonden dampende ketels met de éénpansmaaltijd die hun aangeboden werd door het bestuur van de polder en de gemeente: hetzelfde doorsnee-eten dat ze toen kregen, stamppot met andijvie met een speklap, appel na.

Ze liepen langs de verschillende kampgroepen en gingen ten slotte, wat ontheemd, zitten onder de naam van zijn kamp zonder iemand herkend te hebben, althans niemand met wie hij gewerkt had of in hetzelfde kamp had gewoond; een paar gezichten kon hij thuisbrengen maar waarschijnlijk alleen omdat ze uit dezelfde geboortestad kwamen en hij ze wel eens tegengekomen was of ze destijds wél goed van gezicht gekend had.

Er waren zo te horen en te zien weinig gezichten en stemmen uit het westen van het land; de meeste mensen hadden geen belangstelling voor hun verleden of wensten niet dit verleden.

- Herken je hier iemand, vroeg Ingrid.

- Nee, zei hij, en voelde zich bijna schuldig. Geen mensen met wie ik in het kamp heb gezeten, anders zou ik het me wel herinneren.

- Je zou zelf bijna gaan twijfelen of je er ooit geweest bent lijkt me.

Hij schrok op. -Hoe zo?

- Wel, omdat hier zo totaal niets meer is zoals het was, je hebt geen enkel herkenningspunt, zelfs geen reëel associatiepunt - geen enkel oud gebouw bijvoorbeeld zoals in een stad of een dorp.

- Jaja, zei hij. Voelde zich gaandeweg melancholieker

[pagina 60]

[p. 60]

worden.

-... liever weg?

- Even van het eten proeven.

Ze kregen beiden een bord met een pollepel stamppot en een speklap; sommige mannen namen het in ontvangst met vochtige ogen en een blik alsof het tegelijk iets gênants en heiligs was. De smaak was niet slecht, hij kon zich ook niet herinneren er ooit slecht eten gehad te hebben, maar het deed hem dan ook in geen enkel opzicht aan oorlogsvoedsel denken, hij had het evengoed gisteren gegeten kunnen hebben of tijdens zijn studententijd. Typisch oorlogsvoedsel zou iedereen op dit tijdstip trouwens na één hap weggegooid hebben als niet te vreten. De appel stak hij in zijn zak.

Twintig minuten later hadden ze de polder verlaten en reden weer op het oude land, de dijk volgend in de richting van Meppel.

/ - alleen 's avonds als het donker is word ik uitgelaten als een hond / een hond zonder begeleider, hoewel ze het liefst met mij mee waren gegaan om mijn hand vast te houden. Omdat het herfst is. De hele zomer heb ik binnen gezeten, meest op de zolderkamer bij het open raam, ik ben niet slecht af. Ik kan tenminste nog uitzien over de rivier en de weilanden aan de overkant, de enkele boot die langs vaart, de oneetbare vogels en het kleingedierte dat de moeite van het vangen niet waard is.

(Beneden loopt grootvader door het huis als een mokkend verongelijkt kind / ik lijk op dit moment wel de enige volwassene hier in huis, als de oorlog afgelopen is zal ik weer jonger worden / de honderd planken of zo en de tien balken die er nog over zijn liggen achter slot en grendel in een loods en mogen alleen afgeleverd worden tegen speciale vergunning en een vastgestelde prijs / verder valt er niets te verhandelen, alleen te ruilen: wat stiekem achtergehouden hout, gouden en zilveren voorwerpen tegen boter, vlees, aardappelen/ bijna de gehele gezinseconomie is weer tot ruilhandel teruggebracht, maar wij hebben gelukkig voldoende te eten en opa's handelsinstinct kan zich zo enigszins uitleven.)

Ik mijd de huiskamer zoveel mogelijk, lees veel. Op zolder naast het kamertje is aan beide kanten tegen het schuin aflopende dak een dubbel verticaal schot getimmerd waar ik mij achter kan verbergen; het luikje ter grootte van vier verticale plankjes staat altijd open. Zit ik er eenmaal achter dan kan ik het luikje door middel van een horizontale plank die in twee haken rust gemakkelijk vastzetten; van buitenaf is dan volmaakt onzichtbaar waar de naden zitten. Vakwerk. Ook deze truc is natuurlijk bij de Duitsers bekend maar ze slopen alleen loze wanden als ze iemand speciaal zoeken; ze kunnen wel aan de gang blijven. Als de schemering valt kom ik naar beneden. Er is geen elektriciteit meer en het hele land zit 's avonds bij kleine oliepitjes te lezen, wie geen petroleum heeft gebruikt raapolie met een klein drijvertje erin. Alleen om naar de Engelse zender te kunnen luisteren hebben we stroom nodig, een oude fiets op een standaard gemonteerd doet dienst als generator, de opgewekte stroom wordt opgevangen in een accu. Ik trap me 't lazerus maar heb het er graag voor over.

[pagina 61]

[p. 61]

Hoewel ik me over 't algemeen niet verveel ben ik toch blij als de herfst aanbreekt. Voor het eerst kan ik me nu weer buiten bewegen. Barmhartig donker. Eerst kort, dan al langer. Als mollen komen de onderduikers uit hun holen gekropen. Voor het eerst kunnen weer bezoeken gebracht worden, nieuws uitgewisseld. We komen al gauw te weten wie van de vrienden en medeleerlingen nog in de stad zijn, zijn weggevoerd of elders in het land ondergedoken. Kleine snelle reünies ... vóór spertijd naar huis (8 u).

Ik hoor nu pas, van andere zijde, dat Sara korte tijd nadat ik de boerderij verliet is opgepakt terwijl ze op de fiets op weg was naar Amsterdam, met geblondeerd haar. De streek hier was te onveilig geworden. De agenten moeten specialisten zijn geweest in het herkennen van joden of ze gedroeg zich te nerveus. Ze is weggevoerd naar een vernietigingskamp / verbrand met het angstzaad van een tiental onderduikers in zich. Niet het mijne. Wij hebben alleen wat geflirt / gelukkig / helaas / gelukkig / ik moet er niet aan denken dat ... De godverdomde schoften.

Ik loop in het donker door de stad tussen gestolde schaduwen, dansende lichtpuntjes van knijpzaklantaarns, een enkele ratelende fiets op houten banden of helemaal zonder banden. Het is niet zonder risico, vaak worden mensen in het donker aangehouden en gecontroleerd. Ik loop met mijn oren wijdopen om het gestamp van de met ijzer beslagen laarzen tijdig te kunnen opvangen; meestal verraden ze zich zo, ze kunnen niet zachtjes lopen. Helaas dragen ook veel burgers ijzeren plaatjes onder hun schoenen tegenwoordig zodat je vaak onnodig schrikt. Op den duur leer ik wel het verschil onderkennen maar neem geen risico en verschuil me in een portiek als ik iets hoor of sla een zijstraat in.

Nog jaren na de oorlog droom ik 's nachts van zware voetstappen die mij achtervolgen / badend in het zweet word ik wakker. Niet iedere nacht goddank, zoals sommige mensen, maar altijd nog een paar maal per jaar. Pas na het achtste vredesjaar zijn de angstdromen weggebleven. (Het vreemde is dat ik veel minder over die véél gevaarlijker vlucht uit Meppel heb gedroomd en maar heel weinig over het doden van de Duitser.)

*begin* Plotseling wordt er gebeld. Ik verstijf. Edde kijkt op en verstijft ook, maar minder. Ik ga met de rug tegen de kamerdeur staan, mijn handen tegen het hout. Het is nooit in mijn gedachten opgekomen dat iemand hier binnen zou willen dringen. Hebben ze ontdekt dat Edde hier woont en willen ze haar bij mij weghalen? Wie? Waarom? Ik grijp het keukenmes.

Er wordt opnieuw gebeld. Doe open, zegt ze. Nee, zeg ik, als ik open doe zul je langs me heen glippen. Je kunt me gemakkelijk terugduwen, zegt ze, en je hebt toch het mes. Als je niet opendoet trappen ze misschien de deur in. Ze heeft gelijk. Ik trek de kamerdeur achter me dicht en open de buitendeur. Het mes houd ik achter mijn rug. Er staat een man buiten met een tijdschrift in zijn hand. Wilt u zich niet abonneren op Margriet, vraagt hij, de eerste drie maanden gratis. Ik zeg: Nee. Kent u het blad, vraagt de man en doet

[pagina 62]

[p. 62]

een stap naar voren. Ga weg, zeg ik. Ik leg mijn hand tegen zijn borst en duw hem achteruit zodat hij struikelt. Dan doe ik de deur dicht. Ik blijf staan luisteren tot hij vloekend en scheldend weg is gegaan. De kamerdeur sluit zich zacht. Ze heeft door een spleet meegekeken. Ik wrijf met mijn mouw over mijn voorhoofd, zweet is in mijn oogholtes gelopen. Ik tril nog als ik naarbinnen ga en het mes wegleg. Ze heeft niet gegild. Ik ben er haar dankbaar voor.

Je zou iemand voor me kunnen doden is het niet, vraagt ze. Heb ik al gedaan, zeg ik.

Ik zie dat ze het niet gelooft. Dit stemt mij treurig. Ze ziet het aan mijn gezicht. Kom eens hier, zegt ze, kom eens bij me. *einde*

Mijn Ontwerp is bedoeld om Middelen aan te geven waardoor een Eeuwigdurende Vrede tot stand kan worden gebracht tussen de Christelijke Naties. Laat niemand mij vragen welke Capaciteiten ik bezit om een Onderwerp te behandelen van een zo verheven Aard. 't Is een Vraag waarop ik het Antwoord schuldig moet blijven; want ofschoon ik gedurende meer dan drie en twintig Jaren alles gedaan heb om mijzelf grondig te Onderrichten in Zaken van politiek Bestuur, omdat ik van Mening ben dat Deze in het bijzonder de Aandacht verdienen van een goed Staatsburger, heb ik wellicht geen van de Kwaliteiten verworven die nodig zijn om een Man verdienstelijk te maken voor zijn Land. Maar om de Waarde van een Werk te beoordelen, heeft de Lezer wel iets anders nodig dan het werk zelf?

**

**

Het leek mij noodzakelijk te beginnen met enige Bespiegelingen over het Geluk dat ten deel zou vallen, zowel aan de Vorsten van Europa, als aan de gewone Burger als zij in Vrede konden leven, verenigd in een soort permanente Gemeenschap; en over de Noodzaak waarin zij thans verkeren om voortdurend Oorlogen met elkaar te voeren over het Bezit of de Verdeling van enige Voordelen; en ten slotte over de Middelen die zij tot nu toe hebben aangewend om deze Oorlogen te vermijden, dan wel er niet onder te bezwijken als zij Deze toch hebben aangegaan.

**

**

Ik bemerkte aldra, dat zolang zij zich tevreden stellen met dergelijke Methoden, zij niet over voldoende Garanties beschikken inzake de Naleving van de Verdragen, noch over voldoende Middelen om onpartijdig en bovenal zonder Oorlog hun toekomstige Geschillen op te lossen; en dat, tenzij zij betere Wegen vinden, de Christelijke Vorsten niets anders kunnen verwachten dan een bijna onafgebroken Oorlogstoestand, die slechts tijdelijk onderbroken kan worden door het sluiten van Vredesverdragen, of liever gezegd een Wapenstilstand, die noodzakelijkerwijs voortvloeit uit een Evenwicht der Krachten, of uit de Vermoeidheid en Uitputting der Strijdende Partijen en die uiteindelijk moet leiden tot de totale Ondergang van de Overwonnenen. Deze Bespiegelingen vormen het Onderwerp van de eerste Verhandeling. Ik heb ze samengevat onder twee Hoofden, of twee Stellingen, die ik mij ten doel heb gesteld hier naar

[pagina 63]

[p. 63]

voren te brengen.

a. De huidige Situatie in Europa kan nooit in iets anders resulteren dan in een voortdurende aaneenschakeling van Oorlogen, omdat er niet voldoende Garantie bestaat voor de Naleving van Verdragen.

2. Het Machtsevenwicht tussen het Koningshuis van Frankrijk en het Koningshuis van Oostenrijk kan geen voldoende Garantie bieden tegen Buitenlandse Oorlogen, noch tegen Burger Oorlogen, en biedt derhalve geen voldoende Garantie voor het Behoud van het Grondgebied of de Instandhouding van de Handel.

De eerste Stap die ondernomen moet worden om een Geneesmiddel te vinden voor een zo grote en ingekankerde Ziekte, die tot nu toe slechts bestreden is met ontoereikende Medicijnen, is enerzijds te trachten de verschillende Oorzaken van de Ziekte op te sporen en anderzijds de Wanverhouding tussen deze Medicijnen en de Ziekte zelf.

Vervolgens heb ik overwogen of de soevereine Staten niet voldoende Garantie voor de Naleving van wederzijdse Beloften zouden kunnen vinden door het oprichten van een permanente Arbitrage Commissie; en ik ben tot de ontdekking gekomen, dat als de achttien belangrijkste Soevereine Staten van Europa, teneinde de huidige Regeringen te handhaven, Oorlogen te vermijden en de Voordelen van een continue Handel tussen de Naties te bevorderen, een Verbondsverdrag zouden sluiten en een permanent Congres zouden oprichten, ongeveer naar het Voorbeeld van, hetzij de zeven Staten van Holland, de dertien Staten van de Zwitserse óf de Duitse landen, en een Europese Unie zouden vormen met als Richtlijn het beste uit genoemde Unies, in het bijzonder de Duitse Statenbond, die bestaat uit meer dan tweehonderd soevereine Staten ...

Bij het bestuderen van de Regeringsvorm van de Duitse Statenbond, kwam ik tot de Conclusie dat de Vorming van een Europese Bond op dit moment niet meer Moeilijkheden zou opleveren dan er destijds te overwinnen waren bij het vormen van de Duitse Bond, daar alleen in het groot gerealiseerd zou behoeven te worden wat in het klein al was gevormd; in tegendeel, ik ontdekte dat er voor het vormen van een Europese Bond minder Obstakels en meer Faciliteiten zijn; en wat mij vooral overtuigde dat dit Project geen Hersenschim was, was de Informatie die ik van een van mijn Vrienden ontving, kort nadat ik hem de eerste Schets van dit Werk getoond had: Hij zei me dat Hendrik IV een Project ontworpen had dat in grote Lijnen met het mijne overeenkwam; hetgeen mij bleek uit de Mémoires van de Hertog van Sully, zijn Eerste Minister; en uit de Geschiedenis van zijn Regeringsperiode van Monsieur de Perefixe: Wat meer is, ik kwam zelfs tot de ontdekking dat dit Project door een groot aantal Vorsten was goedgekeurd in het Begin van de vorige Eeuw: Dit stelde mij in staat enkele Gevolgtrekkingen te maken en te bewijzen dat de Zaak verre van onpraktisch was: En dit is het Onderwerp van mijn Tweede Verhandeling.

1. Dezelfde Motieven en dezelfde Methoden die in het verleden toereikend waren om een permanente Gemeenschap te vormen van alle soevereine Staten van Duitsland, liggen binnen het Bereik en de Macht van de huidige Staatshoofden en kunnen toereikend zijn om een permanente Gemeenschap te vormen uit alle Christelijke Soevereine Staten van Europa.

[pagina 64]

[p. 64]

2. De Goedkeuring die de meeste van de Europese Staatshoofden hechtten aan het Project voor een Europese Gemeenschap, dat hen door Hendrik de Grote was voorgelegd, levert het bewijs dat er Hoop bestaat dat een dergelijk Project door hun Opvolgers zal worden goedgekeurd.

Deze Ontwerpen voor een permanente Gemeenschap en de Goedkeuring die honderd Jaar geleden gegeven werd aan het Project van Hendrik de Grote, vormen op zichzelf twee belangrijke Preposities ter Verwezenlijking van dit Plan:**

**

**

stelling. In historisch perspectief zijn alle oorlogen van het individu uit gezien zinloos. Slechts enkelen zijn niet-voor-niets gestorven, de meesten wel. Wel voor niets.

Ik stel dit ter discussie, zei hij. Wie wil erop ingaan. / Hij keek de klas rond**

**

*begin* Onrustig, richtingloos dwaal ik door de stadswijken, ik wil iets doen maar weet niet wat. Mijn huid reageert zelfs niet meer wanneer ik aangeraakt word en ik moet wel honderd keer aangeraakt zijn. Uit het steeds drukker worden van de straten maak ik op dat ik dichter dan ooit tevoren het centrum ben genaderd.

Voor het eerst heb ik haar ongebonden en zonder doek voor haar mond achtergelaten. Ze heeft erom gevraagd. Ik zeg: Kilo zal je niet vastbinden als Edde hier blijft. Dat moet je maar afwachten, zegt ze. Dat wil ik niet afwachten, dat wil ik zeker weten, zeg ik. Goed, zegt ze. Beloof je me dat je niet weg zult lopen? Ja.

Daarna ben ik weggegaan, ik moet toch ééns uitvinden of ze bij me wil blijven of niet. Weliswaar heeft ze haar woord gegeven en kan ze dus niet weggaan, maar toch ben ik onrustig, ik weet niet waarom. En dan ineens flitst het door me heen als een claxon waarvoor ik nog altijd schrik dat ze wel eens iets anders zou kunnen doen dan haar jawoord uitdrukt. Ik heb nooit eerder aan deze mogelijkheid gedacht, laat staan er geen rekening mee gehouden, maar op zichzelf moet het mogelijk zijn: een handeling wijzigen in plaats van het woord; in dat geval is het woord onjuist en niet de handeling.

Ik voel mij alsof ik koorts heb, blijf doodstil staan om het te verwerken. Dan neem ik een besluit. Ik kijk naar de hoek van de straat, ik strek mijn arm uit en wijs naar de hoek, zeg: Ik zal naar die hoek van de straat gaan, ik beloof het mijzelf.

Daarna loop ik in de richting die ik aangegeven heb en denk ondertussen hard ik ga niet ik ga niet ik ga de andere kant uit. Na tien passen is het of ik in tweeën getrokken word door twee tegengestelde richtingen: wat moet ik niet/wel doen? De ene helft van mij wil verdergaan, de andere helft precies het tegenovergestelde. Mijn vaart vertraagt-aarzelt-sleept-en komt tot stilstand op nog geen vijftig passen van de hoek. Dan keer ik mij met een ruk om en ren in de richting waar ik vandaan gekomen ben, buiten mijzelf van

[pagina 65]

[p. 65]

vertwijfeling dat dit mogelijk is.

Waarom heb ik hier niet eerder aan gedacht. Waarom. Waarom.

Met longen die bijna barsten van het hijgen gooi ik de buitendeur open, de kamerdeur... Dan zie ik haar zitten. Ze heeft haar jurk uitgetrokken en zit aan tafel op mij te wachten.

De tranen schieten me in de ogen.

Kilo, zegt ze.

Ze staat op en doet de deur dicht. Dan komt ze op me toe en duwt haar mond tegen mijn mond. Kom, zegt ze. Ze gaat op de matras liggen, haar knieën wijd. Ik ga in haar, ik grom. Hoe, hoe zou ik dit ooit kunnen missen. Dan, als het bijna komt steekt ze vanachteren haar vinger in mijn hol. Even houdt het in, trekt zich terug. Dan komt het met verdubbelde kracht en is het of ik in één lange stoot leegstroom.

Dank je wel, zeg ik, dat was lekker. Ik zeg: Ik zal je nooit meer vastbinden als je me iedere keer dat ik wegga belooft te zullen blijven.

Ze knikt. Voor zo'n korte tijdsduur als ik vraag geldt haar woord in ieder geval wel denk ik. Ik ben een gelukkig mens denk ik, even gelukkig als de meeste andere mensen. *einde*

Ik ben nu (bijna) gewend. De onwerkelijkheid is werkelijkheid geworden, wat werkelijkheid geweest was is het niet meer, wat het niet was is het geworden.

Wat mij betreft is het nu voldoende. Geen gepieker meer over wie ik ben of niet ben/geweest ben/word of niet word. Anderen mogen mij verder invullen: allen die mij zien, horen, met mij in aanraking komen, die ík aanraak: thuis, op school, in de winkel waar ik boodschappen doe voor mijn vrouw, op straat, in de actiegroep, eventueel in de gevangenis. Er zijn belangrijker dingen aan de orde.

*begin* Het geld begint op te raken. Ik zal mij nieuw moeten verschaffen, want Edde moet goed gevoed worden en ook haar overige wensen dienen vervuld als ze die heeft.

Mijn voorlopige indruk is dat er genoeg geld in de wereld is voor iedereen. Ik zal daarom niet méér nemen dan strikt nodig is en indien mogelijk zonder iemand persoonlijk letsel toe te brengen. Na dit gedacht te hebben ga ik er onmiddellijk op uit.

Ze loopt naast me, stil en tevreden, mijn ene hand als de schakel van een ketting om haar pols. Ze heeft een klein bontmanteltje aan van konijnenvellen en twee schoenen met hoge hakken die onderling tamelijk goed bij elkaar passen. Ik ben trots op haar. Ze kijkt omhoog naar de lucht alsof ze die voor het eerst ziet. Hij is blauw. Ze kijkt naar de bomen die groen

[pagina 66]

[p. 66]

zijn, of tenminste de bladeren; kijkt naar de auto's, de fietsers, de voetgangers. Soms blijft ze een tamelijk lang moment staan voor een etalage, zodat het lijkt of ze ieder voorwerp dat er ligt afzonderlijk beschouwt. Ik volg haar blik en kijk overal waar zij naar kijkt.

Ten slotte, gerustgesteld, laat ik haar los. Ze loopt nu voor het eerst helemaal vrij. Even ben ik bang dat ze iemand aan zal spreken, een politieagent bijvoorbeeld, omdat ik haar niet heb laten beloven het niet te doen, maar mijn angst blijkt ongegrond.

Een ogenblik later vertraag ik mijn pas en ga achter haar lopen; langzaam laat ik de afstand tussen ons groter worden, groter en groter; tegelijk met de afstand neemt de spanning tussen ons toe. Ik voel de afstand. Zo blijven we enige tijd lopen.

Dan neem ik een moedig besluit. Ik haal haar snel in en ga voor haar lopen, zodat ik haar niet langer kan zien. Ik verkeer in grote spanning; op dit moment zou ik ogen in mijn nek willen hebben. Ik versnel mijn pas en laat de afstand tussen ons weer groeien en daarmee de spanning, maar ik dwing mij om niet om te kijken. Pas aan het einde van de straat kijk ik om. Ze is er nog. Ze wuift naar mij.

Dan overmoedig geworden, neem ik een tweede besluit, hoewel het mij zeer veel moeite kost. Ik wijs naar het park. Ze knikt. Ik wacht nu tot ze tussen het groen verdwenen is en sla dan zelf een andere richting in. Onmiddellijk betreur ik mijn besluit maar ik kan het niet meer ongedaan maken. Na een tijdlang doelloos rondgezworven te hebben ga ik naar huis en blijf wachten voor de deur. Het duurt lang, lang.

Eindelijk komt ze eraan, uit een andere richting dan ik verwacht heb. Ze heeft haar haar laten knippen. Het danst boven haar bontmanteltje. Ze is zeer mooi. Ik open de deur voor haar. *einde*

Naast hem loopt een vrouw. Mijn verbazing is zo groot dat het bijna beledigend te noemen zou zijn wanneer het een ander had gegolden. Breekbaar als oude mensen die zich vol wantrouwen buiten wagen op de spiegelgladde straat schuifelen ze naderbij op de stoep. Met één hand houdt hij haar vast aan een slip van haar jas of haar pols alsof hij bang is dat ze weg zal lopen. Om de tien passen kijkt hij zijdelings naar haar op.

Hij ziet er duidelijk verzorgder uit, de gaten in zijn pak - een ander dan de vorige keer - zijn versteld, zij het met stukken van verschillende stof, zijn bruine schoenen zijn schoon, zijn vaalzwarte haar is naar achteren gekamd. Hij draagt nog steeds geen das maar de open boord van zijn overhemd ligt netjes over de kraag van zijn jasje. Zijn gezicht staat rustiger, bijna sereen zou je kunnen zeggen. Blijkbaar heeft hij voor haar nog niet twee zelfde schoenen kunnen vinden, maar haar driekwart jasje van konijnenbont lijkt tamelijk nieuw. Op haar rok die tot over haar knieën hangt zit een vlek die eruit ziet als een theevlek of iets dergelijks, maar de stof is niet verschoten, de randen niet gerafeld. Op haar gezicht zweeft een vage glimlach en haar lippen staan half geopend, alsof ze zich heel licht uitademt.

[pagina 67]

[p. 67]

Als ze mij tot op een paar passen genaderd zijn kijk ik hem strak aan zoals hij dat anderen doet / heeft gedaan en voor het eerst ontmoeten onze ogen elkaar. Er is niets in zijn blik, in zijn gezicht dat er op wijst dat hij mij herkent. Hij blijft me aanzien tot we elkaar gepasseerd zijn maar draait zijn hoofd niet mee. Ik blijf wel staan om hen na te kijken.

Bij de hoek van de straat gekomen ziet ze naar hem op, vriendelijk voor zover op de zijkant van haar gezicht valt af te lezen, als om te vragen of ze over zullen steken, rechtdoor lopen of wat hij anders mocht willen. Opnieuw maakt zich een diepe ontroering van mij meester en ik moet mij weerhouden hen te volgen. Ik zou naar hem toe willen gaan, mijn handen op hun schouders leggen en hun mijn zegen geven. Mijn zegen. Op de een of andere manier is er een vage geluksstemming in mij en die mij de hele verdere dag bijblijft.

**

Het woonhuis, een groot stenen gebouw met enige architectonische pretenties maar zonder artistieke verdienste, staat midden op een prachtig grasveld vlak bij de grote weg. Aan de achterzijde heeft het enkele uitbouwsels; de belangrijkste vleugel bevat de keuken en de eetzaal. De indeling van het huis is goed gepland; het geheel wordt verwarmd door middel van stoom en is voorzien van baden en andere gemakken. Op de eerste verdieping ligt een grote zaal, waar de leden van de commune 's avonds samenkomen; deze is uitgerust met een podium voor muziek- en toneelopvoeringen; verder staat er een aantal ronde tafels waar ze zich tijdens hun bijeenkomsten omheen scharen. Op de benedenverdieping is een salon voor bezoekers en een bibliotheek met kranten en een vierduizendtal boeken over uiteenlopende onderwerpen.

Er zijn twee grote woonvertrekken, op elke verdieping één, waaromheen een aanzienlijk aantal slaapvertrekken is gebouwd; rond de bovenste van deze woonvertrekken liggen twee lagen van dergelijke slaapvertrekken boven elkaar, de bovenste laag wordt bereikt via een gaanderij**

**

**

Tegenover het gebouw aan de overzijde van de weg liggen de kantoren, een schoolgebouw, een collegezaal met een scheikundig laboratorium en een kamer voor de daguerreotypielaborant van de commune; meer naar rechts ligt een grote timmermanswerkplaats en links zijn de stallen, voorraadschuren, de zijde-ververij en een kleine werkplaats waar de kinderen van de commune op onregelmatige tijden dozen vervaardigen voor de klossen zijde die hier gemaakt worden. Ook is er een grote, praktisch ingerichte wasserij.

Op ruim een mijl afstand van het hoofdgebouw liggen de fabrieken van de commune: zijdespinnerijen, een fabriek voor dierenvellen, een smidse en machinewerkplaatsen. Deze zijn stuk voor stuk uitgerust met arbeidsbesparende machines en zijn zo groot dat ze onder andere voor meer dan tweehonderdduizend dollar aan zijden garens per jaar produceren. In de buurt van deze fabrieken staat een woonhuis

[pagina 68]

[p. 68]

dat bewoond wordt door dertig à veertig leden van de commune, die hoofdzakelijk hier hun werk hebben.**

**

Ze hebben eenentwintig permanente commissies op het gebied van: financiën; amusem*nt; octrooirechten; bouwterreinen voor huurhuizen; arbitrage; huuropbrengst; badinrichting; paden, wegen en grasvelden; brandweer; verwarming; toiletten; opvoeding; kleding; onroerende goederen en huurhuizen; waterwerken en watervoorziening; schilderwerk; bosbouw; water- en stoomkracht; fotografie; haarknippen; de arcade; en Joppa - het laatste is een afgelegen plek aan het Oneidameer waar ze naar toe gaan om te zwemmen, te vissen, te jagen en anderszins van het landleven te genieten.

Behalve deze commissies zijn er achtenveertig administratieve afdelingen die zich bezig houden met: de Circular, hun blad; publicaties; zijdespinnerij; ijzerwaren; conserveren van fruit; kartonnen dozen; drukkerij; ververij; timmerwerk; centrale administratie; schoenmakerij; bibliotheek; fotografie; opvoeding; kunst en wetenschap; wasserij; meubilair; rechtszaken; proviandering; de drukkerij in Wallingford; landbouw; tuinbouw; gezondheidszorg; onvoorziene uitgaven; tandheelkunde; onroerend goed; muziek; amusem*nt; steengroeven; huishouding; reparatie; reizen; horloges; klokken; blikslagerij; kruierswerk; verlichting; stalhouderij; kleding; kantoor- en schrijfbehoeften; planten en bloemen; waterwerken; kinderen; landschap; bosbouw; verwarming; beddegoed; steenkool.

Op het eerste gezicht mogen deze vele commissies en afdelingen omslachtig lijken, maar in de praktijk werkt het systeem goed.

Iedere zondagochtend is er een vergadering van wat genoemd wordt een ‘zakenraad’. Deze raad wordt gevormd door de hoofden van de diverse afdelingen, aangevuld met diegenen uit de commune die de vergadering wensen bij te wonen. Op deze bijeenkomsten wordt het werk van de afgelopen week besproken, waarbij een secretaris in 't kort alle wenselijk geachte activiteiten noteert. Op de zaterdagavondvergadering wordt het verslag van de secretaris aan de leden van de commune voorgelezen en bediscussieerd. Datgene wat in het algemeen of unaniem de goedkeuring wegdraagt wordt vervolgens uitgevoerd.

**

Ze staan 's ochtends op tussen vijf en half acht, wat min of meer afhankelijk is van hun diverse werkzaamheden. De kinderen mogen slapen zolang ze willen. Het ontbijt is van acht tot negen en het middagmaal van drie tot vier uur; tussen half negen en half elf gaan ze naar hun slaapvertrekken. Zoals uit deze uren blijkt werken de leden thans niet hard, maar ze zijn wel voortdurend bezig. Daar de meesten toezicht uitoefenen op de een of andere afdeling en iedereen opgewekt zijn werk doet, wordt de noodzakelijke hoeveelheid werk toch verricht. Het zuiver geestdodende werk wordt tegenwoordig gedaan door gehuurd personeel.

Een vierkant bord, geplaatst op een gaanderij naast de bibliotheek, deelt in één oogopslag mee waar iedereen zich ophoudt. Aan de ene zijde staan de namen van de mannen en vrouwen onder elkaar en bovenaan de plaatsen waar ze zich bevinden; iedereen zet een pin achter zijn naam waaruit valt

[pagina 69]

[p. 69]

op te maken wat hij die dag doet.

Er is geen bel of ander signaal dat het begin van de werktijd aangeeft, maar van iedereen wordt verwacht dat hij trouw doet wat zijn of haar taak is; er zijn hier niet zoals in andere communes moeilijkheden met**

**

**

Ik kreeg de indruk dat ze een haast fanatieke afkeer hebben van gebondenheid. Daarom wisselen ze veelvuldig van werkterrein; de geringste aanleiding is voor hen een excuus om van Oneida naar Willow Place of naar Wallingford te verhuizen; ze besteden veel zorg aan het veranderen van de indeling van hun avondbijeenkomsten of verstrooiingen en ze hebben zelfs de uren van hun maaltijden veranderd. Een van hen zei tegen me: ‘We waren gewend drie maaltijden per dag te gebruiken, maar nu eten we er nog maar twee; het is echter heel goed mogelijk dat we er over een halfjaar vijf eten.’**

**

*begin* Ik zit alleen thuis. Edde is inkopen aan het doen, waarvoor ik haar voldoende geld heb meegegeven. Het is de eerste keer dat ze alleen weg is zonder dat ik haar heb laten beloven dat ze terug zal komen. Ze is nu niet gebonden aan haar woord.

Dit is de reden dat ik in spanning zit maar niet erg. Evenmin geloof ik dat haar iets ongelukkigs zal overkomen, als overreden te worden door een vehikel of meegenomen te worden door een andere man. Ik vertrouw haar. Weliswaar herinner ik mij heel goed dat het mogelijk is om je niet aan een eenmaal gegeven en uitgesproken woord te houden, maar dan moet het voornemen er al zijn om het niet te doen. Daarom zit ik niet erg in spanning. Zekerheidshalve controleer ik of het grote geld nog onder de matras ligt. Het ligt er nog.

Ik ga in mijn nieuwe stoel zitten en wacht. Het gaat goed met mij, met ons. Ik ben zeer tevreden. Mijn binnenwereld, ook wel genoemd interieur, heeft de laatste tijd grote veranderingen ondergaan. We slapen nu op een echt spiraalbed dat ik alleenstaand tegen een boom heb aangetroffen, het was vrijwel niet verroest. De luxe staat erop, wat zeer juist is want overeenkomend met mijn ervaring. Ook de stoelen zijn niet meer dezelfde, ik heb ze beide twee keer verwisseld voor betere. De oude heb ik neergezet waar de andere stonden. De stoel waarop ik nu zit heeft krullen in het hout en een zitting van een fluwelige stof die nog in goede staat verkeert. Zo bereid ik Edde iedere dag nieuwe verrassingen. Soms kom ik thuis met een ander eetbord of een nog goede stoffer, een andere keer is het een pan die slechts één oor mist, een kussen of een vaas, die ik dan weer inwissel als ik een gavere heb gevonden. Op die manier is mijn binnenwereld iedere keer anders en soms zelfs om de paar weken helemaal nieuw. Natuurlijk had ik sommige dingen door Edde kunnen laten kopen, maar dan zou het geld te vlug op zijn. Bovendien zijn de dingen die ik vind vaak nog heel bruikbaar en gebruikte voorwerpen kun je gemakkelijk wegdoen en vervangen door andere, nieuwe niet. De kwaliteit van de door mij gevonden

[pagina 70]

[p. 70]

voorwerpen wordt trouwens steeds beter vind ik, maar dit kan ook aan mijn scherper geworden opmerkingsvermogen liggen dat duidelijker onderscheid weet te maken tussen tamelijk goed en minder goed, tussen goed en beter.

Ik wacht nu af wat voor smakelijks Edde te eten mee zal brengen; ik eet niet alles meer, geen rauwe sla bijvoorbeeld, ik ben geen konijn. Ondertussen ga ik op het bed liggen. Ik knoop mijn broek los en bevredig mijzelf. Dit heeft Edde mij geleerd. Het is zeer aangenaam, hoewel minder aangenaam dan wanneer Edde het doet. Een grote tevredenheid komt over me. *einde*

Ik parkeer mijn auto in de Van b-straat (geen mens te zien) en posteer mij op de hoek van de h-gracht en de t-straat waar voornamelijk kantoren gevestigd zijn. Precies om 2 u 30 komt kameraad x (Delprat, student) met zijn gestolen Renault 10 voorrijden. Ik stap in. Op de achterbank zit een andere kameraad x (De Geus). Voor het bankgebouw op de pr-gracht pikken wij kameraad Roothaan op die een klein koffertje bij zich heeft. Hierna rijden wij door de vrijwel stille stad naar een parkeerhaven in een zijstraat van de s-laan waar wij met de neus naar voren blijven wachten. Nog geen minuut later passeert ons een gesloten Volkswagenbusje dat op de hoek stopt. Drie als gemeentearbeiders verklede mannen stappen uit, openen de achterdeur en dragen rood-witgeschilderde afzethekken uit de laadbak die ze dwars over de laan opstellen om het schaarse nachtelijke verkeer om te leiden. Daarna keren zij de auto om en rijden naar de andere hoek van het huizenblok om daar hetzelfde te doen. Op dat moment stappen wij uit; twee van ons lopen om het huizenblok heen terwijl kameraad Roothaan en ik ons langzaam naar de straathoek begeven waar we een paar minuten geanimeerd met elkaar blijven staan praten, zo nu en dan een steelse blik werpend op het ambassadegebouw met de twee agenten ervoor. Het weinige verkeer slaat zonder argwaan links af; de agenten zien blijkbaar evenmin iets alarmerends.

Als ook de andere kant van de laan afgezet is en het Volkswagenbusje langzaam binnen de afzethekken optrekt loop ik op de ambassade toe terwijl kameraad Roothaan op de uitkijk blijft staan.

De rest speelt zich razend snel en geheel volgens plan af. Op hetzelfde moment dat het Volkswagenbusje voor de ambassade stopt bereiken kameraad De Geus van tegenovergestelde zijde en ik gelijktijdig het tuinhek. Delprat is op de andere hoek achtergebleven.

De gemeentearbeiders stappen uit. Een paar seconden later zijn de agenten overmeesterd zonder ook maar de gelegenheid te hebben gehad tegenstand te bieden.

In de laadbak van het Volkswagenbusje worden ze gekneveld en vastgebonden, waarna kameraad De Geus en ik het tuinhek openen en naar de zijkant van het gebouw gaan. Een van de kameraden-gemeentearbeiders draagt ons een klein trapje achterna. Trapje neergezet, raam met lijm bestreken, papierstroken erover geplakt, venster ingedrukt. De bom uit het koffertje plant ik voorzichtig op de vloer. Kinderspel.

[pagina 71]

[p. 71]

Bijna gênant zo simpel. Ik realiseer me dit.

Er zijn enkele tulpen platgetrapt. De gemeentearbeider wist mijn voetstappen uit. Aftocht. Hek gesloten. Trapje in de auto. De hekken laten we staan. Over een kwartier zal de bom afgaan. Ik merk dat ik al die tijd aan niets gedacht heb, alleen mijn ogen hebben gekeken.

De rest van de actie voltrekt zich in omgekeerde volgorde als een teruggedraaide film of een omgekeerd vervulde wensdroom. Het Volkswagenbusje rijdt weg met de gemeentearbeiders en de geknevelde agenten, ze zullen morgen in de laadbak aangetroffen worden op één van de grachten, ongedeerd, hooguit wat striemen in hun vlees van de touwen. Uitkijkpost twee komt snel aangelopen, voegt zich bij ons, uitkijkpost één is al naar de Renault gelopen en heeft de motor gestart.

Eén voor één worden we vervolgens op onze vertrekpunten afgezet.

Ik stap in mijn eigen auto en rijd terug naar huis. Parkeer niet voor de deur maar in een nabijgelegen straat, bevreesd voor eventuele blikken van nachtwakende, naar het toilet gaande en door het venster kijkende buren. De laatste paar honderd meter ga ik te voet. Open zachtjes de huisdeur.

Voor ik naar de slaapkamer ga trek ik mijn schoenen uit om de kinderen niet wakker te maken, het is beter dat zij niets horen, vooral mijn zoon Daco niet. Denk: dit is de laatste maal dat we de truc met de gemeentearbeiders kunnen uithalen / hebben het al één keer eerder gedaan toen enkelen van ons op klaarlichte dag een gat onder het Van Heutzmonument hebben gegraven en er een kleine springstoflading onder hebben geplaatst / daarna gewoon weggegaan. Door de explosie is het historische beeld verzakt. Wat een succes genoemd mag worden. De bom van vanavond is zwaarder. Hij moet enkele minuten geleden zijn ontploft.

Gezeten achter zijn bureau. Een gemakkelijke bureaufauteuil, negentiende-eeuws waarschijnlijk, ik ben geen antiekkenner, niettemin duidelijk een anachronisme. (Waarom niet verder terug in de historie: een troon, dat is wat het behoorde te zijn.)

Het bureaublad gladgewreven en leeg als in een film, de zaalgrote kamer. Gladgeschoren tapijt. Gladgeschoren wangen.

Mij pal in de ogen kijken, dreigend en teleurgesteld tegelijk alsof ik een individueel gekende vriend ben die zijn vertrouwen heeft beschaamd. Gladgeschoren en ochtendgeknipt. Mr. Super-x. Hij laat mij staan / ik minder op mijn gemak. Weegt niet op tegen het verschil in blikhoogte. Pas gaan spreken na minstens twintig seconden lang zwijgen, of helemaal niet spreken. Ik ben bang maar laat het niet merken. Heb bij voorbaat al afstand gedaan van mijn identiteit of wat ik mij voorstel dat deze op dit moment is, respectievelijk zou kunnen zijn. Het zal toch gebeuren. Misschien voel ik mij daarna vredig als na de lichamelijke dood. Vredig.

(De zoekstraal op mij gericht, dag en nacht, geladen met massageluiden, algemene gevoelens, geprepareerde projecties, met gedoseerde lustprikkels, onlustgevoelens, rustig of

[pagina 72]

[p. 72]

tevreden stemmende sensaties, dag en nacht / terwijl ik werk, slaap, droom, met mijn kinderen speel / lees, eet, mijn vrouw bemin / op straat loop, naar de televisie kijk / nu eens zwak, dan weer sterk, al naar de automatische regelaar in het centrum mijn gemoedsbewegingen beoordeelt. Onontkoombaar hoe snel ik in mijn auto wegrijd, hoe diep ik droom of mij in gedachten afsluit: een insect, een worm die kan kronkelen wat hij wil maar altijd in het focus wordt gehouden. Zelfs geen lichamelijke of geestelijke pijn om hem te waarschuwen, alert te houden. Stop!)

Zeker vijf minuten. Niet gesproken. Dan: - U weet waar het om gaat en waaraan wij beiden denken. (Alsof hij zelf een dwingstraal achter zijn voorhoofd heeft, of in zijn ogen. Ook hij is getrouwd, heeft kinderen. Maar: denkend zonder afwijkingen, een gelukkig mens, een gelukkig gezin. Tevredenheid straalt van zijn gezicht naast een lichte angst om wat hij zou kunnen verliezen. Abstract.)

- Het is toegestaan, zeg ik. Het is mijn recht het met u oneens te zijn en dit ook uit te spreken. Het is zelfs in de wet vastgelegd.

- Het is mijn goed recht mij er tegen teweer te stellen, zegt hij. Met alle krachten waarover ik beschik.

- Welk recht, zeg ik.

- Welke krachten, zegt hij.

Zo eenvoudig is het. (Samen denkend, niet uitsprekend, hij welhaast zijn wijze van gelijk hebben bepleitend, met bijna iets smekends alsof zijn geluk mede van mij afhangt en dat doet het ook, ik zweer het∷ wij vinden toch veel zelfde dingen mooi, goed, lelijk, afkeurenswaardig, wenselijk, noodzakelijk. Een mooie zonsondergang, goed brood, fruit, helder drinkwater, zuivere lucht, seks, mens sana in ..., een minimum aan geweld ..., gratis muziek ... progressieve kunstvormen, vriendschap, gemeenschapszin ... / En de rest? / Meer wél dan niet. / En de rest?/ Is die dan zo belangrijk? Bijna krijg ik medelijden met hem. De oude overredingstruc.

Het glanzende bureaublad. De ogen. De drie zaalwanden die van menselijk vel lijken, begroeid met beenhaar, ademend door miljoenen poriën, zweet afscheiding, geuren - de vloer die onder mij adement en ritmisch golvend beweegt als op een supermenselijk bloedritme, de bron het hart diep verborgen onder de stad, alle huizen voedend, enerverend, alle straten, alle mensen en ik deel ervan. Warm, menselijk, pulserend, verleidelijk ... vredig. Het mechanisme is al in werking gesteld, de straal gericht: de sympathieke schoft, de lieve dictator.

- Luister, zeg ik snel voor ik helemaal onpersoon en verloren ben, ik heb het geweten, ik ben voorbereid. Voor ik de beslissing nam heb ik twee mensen uitgezocht die het volledig met me eens zijn en die mij zullen vervangen zodra ik tot onpersoon zal zijn geworden. Zij zullen mijn verzet in het openbaar voortzetten. Maar voor ze dit doen zullen ze net als ik ieder twee andere mensen uitzoeken die hun verzet zullen voortzetten wanneer ze op hun beurt tot onpersoon zijn geworden. Iedere uitschakeling heeft automatisch een zich verdubbelend verzet ten gevolge, 1 = 2 = 4 = 8 = 16, enzovoort. Hoe groter de onderdrukking hoe groter ons aantal zal worden. Gaat uw gang. Ik ben gereed. Laat de gevoelens op

[pagina 73]

[p. 73]

mij afkomen, de projecties, de prikkels, de blikken.

Ik zie zijn gladgeschoren gezicht betrekken, de ogen weifelen. (In de wanden neemt de bloedtoevoer af, hapert.)

- En als ik geen maatregelen neem blijf je doorgaan met openlijk verzet?

- Ja.

- Ik heb dus geen keus.

- Nee, u hebt geen keus.

Het golven en pulseren van de vloer wordt minder en minder, de warme menselijke druk lichter, ik koeler. Aarzeling. Dan zie ik zijn gezicht voor mijn ogen verouderen, de huid begint te rimpelen, de wangen hebben ineens een drie dagen oude baard, in het hoofdhaar ontstaan langwerpige grijze muizen.

- Je kunt gaan, zegt hij.

Ik heb het plotseling ontzettend koud.

Chantage? Medelijden als laatste pressiemiddel? Pas als ik buiten loop begint de warmte van de zon langzaam door mijn kleren te dringen en mijn huid en achterhoofd te verwarmen. Maar nog steeds voel ik mij niet triomfantelijk, nog niet, nog steeds niet ... Ik zal mijn eigen warmte moeten heroveren - opnieuw.

*begin* Ik heb de indruk dat ik mij nu in het centrum bevind. Er zijn meer mensen, meer auto's, meer fietsers en 's avonds waarschijnlijk meer lampen dan op enig andere plek in de stad die ik verkend en bezocht heb. Nadat ik hier geweest ben zal ik waarschijnlijk alles gezien en gehoord hebben wat het zien en horen waard is.

Om precies te weten te komen waar het centrum ligt loop ik een korte afstand terug. Daarna vraag ik aan een agent waar het centrum is. Hij zegt, hier. Daarop ga ik nog een eindje verder terug en vraag het opnieuw aan een agent. Deze wijst in de richting waar ik vandaan gekomen ben. Nu weet ik ongeveer waar het centrum begint.

Ik neem de omgeving in mij op zodat ik deze zal herkennen. Morgen zal ik door het opnieuw te vragen de afstand tussen de plaats waar de twee agenten stonden verkleinen; alleen zo kan ik precies te weten komen waar de grens ligt, want er is niets dat dit aangeeft.

Ik loop terug naar de plaats waar de eerste agent stond. Ik voel mij trots. Het is een zelfde soort gevoel als toen ik voor het eerst buiten kwam, maar nu geheel zonder angst. Er zal mij steeds meer duidelijk worden, misschien wel alles. Ik zie uit naar het ogenblik dat het zover zal zijn. *einde*

Hij is een dief. Ik ben minder geschokt door het feit zelf dan wel omdat ik het in laatste instantie niet verwacht, niet gewenst had. Als ik 's avonds naar huis terugkeer van een bijeenkomst zie ik hem als een verschietende schaduw uit een portiek op de rug van een man springen, ik herken hem onmiddellijk. Terwijl hij zijn slachtoffer met één arm in bedwang houdt en tegen zich aandrukt knijpt hij met zijn vrije

[pagina 74]

[p. 74]

hand diens keel dicht, tilt hem daarna op en beukt het hoofd, niet te hard, tegen de muur. Vervolgens laat hij hem voorzichtig op de tegels van de stoep zakken, bijna teder alsof hij een zieke hanteert. Trekt met een snelle beweging de portefeuille uit de binnenzak en rent weg. Het meest verbijsterende van alles is nog dat ik mij niet verroer, niet toesnel, niet om hulp roep.

Pas als hij uit het gezicht verdwenen is loop ik naar het slachtoffer toe en buk mij om te zien hoe hij eraantoe is. Er ligt weinig bloed op de grond. De man kan gevallen zijn en zijn hoofd hebben bezeerd. Ik druk op de schel van het dichtstbijzijnde huis en raad de bewoners aan de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst te bellen. Als de ziekenwagen gearriveerd is en de man op de brancard gelegd ga ik weg. Niemand heeft naar mijn adres gevraagd en ik heb verder ook niets gezegd. Het is alsof ik het zelf heb gedaan. Vrijwel zeker is het niet zijn eerste keer, daarvoor is het veel te geroutineerd in zijn werk gegaan. Ik moet te weten zien te komen waar hij woont, zijn vertrouwen winnen -

Ik kreeg toestemming verscheidene dagen, waaronder een zondag, in de Oneida Commune door te brengen.

De mensen zijn vriendelijk, beleefd tegen elkaar en tegen vreemden, opgewekt en ijverig. Het gaat er ordelijk toe en er is heel weinig lawaai, gezien het grote aantal mensen. Als er in een huis tweehonderd mensen bijeen wonen is orde, regelmaat en stiptheid een eerste vereiste en luide stemmen zouden spoedig hinderlijk zijn.

Men liet mij het huis, de keuken, het verwarmingssysteem, de stallen met het eersteklas vee en de verschillende werkplaatsen zien; 's avonds mocht ik hun dagelijkse bijeenkomst bijwonen, waar ze zich gedurende een uur bezighouden met instrumentale muziek, zang en conversatie, waarna ze zich verspreiden over de salons om zich te amuseren met dominospelen of dansen, dan wel naar de bibliotheek gaan om te lezen of brieven te schrijven. Kaartspelen is verboden**

**

Als ik eraan toe zou voegen dat mijn allesoverheersende indruk er een was van een saai gezelschap, mag ik wellicht beledigend schijnen, maar hoe zou ik anders het leven van mensen moeten omschrijven wier bestaan zich binnen de enge grenzen van hun commune afspeelt en wier behoeften bevredigd zijn; wier religieuze opvattingen weinig innerlijke strijd oproepen en binnen de commune zeer weinig zelfverloochening eisen; die goed gevoed zijn en voldoende afleiding hebben, die niet overwerkt zijn en geen angst voor de toekomst kennen. Heftige verlangens worden in zo'n leven niet gewekt. En als dit wel het geval is, verlaat de betreffende persoon de commune.

De zondag begint met het sorteren en naar de wasserij zenden van het vuile wasgoed van de vorige week. Daarna wordt de wekelijkse vergadering gehouden van de zakenraad en vervolgens zijn er in aparte vertrekken bijeenkomsten voor kritiek**

**

[pagina 75]

[p. 75]

**

Ze gaan ervan uit dat kritiek leveren op wat zij noemen karakterfouten een lid kunnen genezen, bijv. van luiheid, slordigheid, onbeleefdheid, zelfzuchtigheid, een passie voor het lezen van romans, ‘egoïstische liefde’, verwaandheid, trots, koppigheid, humeurigheid - voor elke ondeugd, groot of klein, wordt kritiek als een geneesmiddel beschouwd. Ze hebben zelfs een ‘kritiekkuur’ en beweren dat deze bijna even effectief is als hun ‘gebedskuur'.

Die zondagmiddag mocht ik, dankzij de vriendelijkheid van een jongeman die zich vrijwillig had opgegeven, bij een kritiekzitting aanwezig zijn. Behalve ikzelf waren er nog vijftien personen, meest gezeten op banken langs de muur; ongeveer de helft bestond uit vrouwen en de andere helft uit jongeren onder de dertig. Mr. Noyes zelf was er ook bij en zat in een grote schommelstoel. De jongeman die bekritiseerd zou worden en die ik Charles zal noemen, zat onopvallend tussen het gezelschap. Toen de deuren gesloten waren, vroeg de leider (niet Mr. Noyes) hem of hij iets wenste te zeggen. Zonder op te staan zei hij dat hij sinds enige tijd te kampen had met bepaalde intellectuele moeilijkheden en twijfels - in het bijzonder een neiging tot positivisme en een gebrek aan geloof; dat hij zich steeds verder van God verwijderd voelde en dat hij in zich de neiging bespeurde godsdienst van weinig waarde te achten. Maar dat hij de boze geest in hem bestreed en hoopte enige vorderingen gemaakt te hebben, enzovoort.

Hierop zei een man aan wie het woord gegeven werd, dat hij dacht dat Charles door te veel geluk in z'n leven ietwat verhard was geworden in zijn hart; dat zijn succes op verschillende gebieden hem had verwend; dat hij een beter mens zou zijn geweest als hij wat minder succes had gehad; dat hij in zijn eigen ogen een intelligent mens was en niet geneigd was met anderen overleg te plegen of raad in te winnen. Een paar mannen waren het met de vorige spreker eens, ook zij hadden deze fouten in Charles opgemerkt en vonden dat die hem er niet aangenamer op maakten en zij staafden hun beweringen met voorbeelden. Een ander was het in het algemeen wel eens met wat er gezegd was, maar voegde eraan toe dat hij meende dat Charles de laatste tijd gepoogd had enkele van deze fouten te corrigeren, hoewel een en ander stellig nog voor verbetering vatbaar was.

Een jonge vrouw merkte vervolgens op dat Charles hooghartig en verwaand was en een betere dunk had van zichzelf dan van de mensen met wie hij omging en dat hij soms onnodig kortaf deed tegen degenen tot wie hij het woord richtte.

Een andere jonge vrouw voegde hieraan toe dat hij onderscheid maakte tussen mensen; dat hij al te duidelijk liet blijken dat hij sommige personen graag mocht door ze waar iedereen bij was troetelnaampjes te geven en dat hij scheen te vergeten dat zulke dingen onaangenaam en fout waren.

Weer een andere vrouw zei dat Charles vaak onzorgvuldig was in zijn taalgebruik, dat hij soms slangwoorden gebruikte en waarschijnlijk een slechte indruk maakte op vreemden. Bovendien nam hij aan tafel, speciaal als er bezoekers waren, niet altijd de nodige beleefdheid in acht en schoot hij tekort in goede manieren.

Een van de mannen bevestigde dit en vertelde dat hij

[pagina 76]

[p. 76]

Charles de biefstuk eens als taai had horen bestempelen en dat hij ook verder aan tafel onnodige opmerkingen had gemaakt over het voedsel.

Een vrouw maakte de opmerking dat ze meer dan eens geconstateerd had dat Charles niet iedereen gelijk behandelde.

Weer een ander zei dat Charles, hoewel hij in alle wereldse zaken een ijverig en betrouwbaar en zeer kundig man was, niet in het minst religieus was.

Eén van de mannen merkte op dat Charles, zoals de anderen al gezegd hadden, enigszins bedorven was door zijn succes en dat dit een foute instelling was, omdat hij zeker wist dat Charles zijn succes hoofdzakelijk te danken had aan de wijsheid en zorgvuldigheid waarmee de commune hem omringd had met goede raadgevers die hem op de juiste wijze geleid hadden en dat Charles daarom nederig behoorde te zijn in plaats van trots en hooghartig, want dat hij de werkelijke oorzaken van zijn succes buiten zichzelf diende te zoeken.

Ten slotte merkten er een paar op dat hij bij een bepaalde transactie onoprecht was geweest tegenover een andere jongeman door één te zeggen in zijn gezicht en iets anders achter zijn rug tegen derden en dit werd bevestigd door een paar vrouwen.

Tijdens heel dit openhartige gesprek dat ik hier aanzienlijk bekort heb weergegeven waarbij ik alleen de belangrijkste beschuldigingen heb vermeld, zat Charles zwijgend voor zich uit te kijken; maar toen de beschuldigingen zich opstapelden werd zijn gezicht al bleker en op zijn voorhoofd verschenen zweetdruppels. De hier weergegeven opmerkingen namen ongeveer een halfuur in beslag en toen elk van het gezelschap zijn zegje had gezegd, gaf Mr. Noyes een samenvatting.

Hij zei dat Charles een aantal ernstige fouten bezat; dat hij hem zorgvuldig in het oog had gehouden en dat hij van mening was dat de jongeman serieus poogde zichzelf te verbeteren. Hij sprak in lovende bewoordingen over zijn talenten, zijn goede karaktereigenschappen en over het feit dat hij in de loop van zijn leven aan zekere verleidingen weerstand had geboden. Hij meende tekenen te bespeuren dat Charles een ernstige en oprechte poging deed zijn fouten te overwinnen en als bewijs hiervoor vertelde hij dat Charles hem kort geleden raad gevraagd had in een moeilijke aangelegenheid die hem een harde strijd had gekost, maar die hij uiteindelijk tot een goed einde had gebracht. ‘In het kader van wat wij verstaan onder rasveredeling,’ zei Noyes, ‘verkeert Charles, zoals u weet, in de positie van iemand die weldra vader zal worden. In deze omstandigheden is hij bezweken voor de al te gebruikelijke verleiding van een zelfzuchtige liefde en rees bij hem het verlangen om te zorgen voor en een exclusieve intieme verhouding aan te gaan met de vrouw die door hem een kind zal baren. Dit is een verraderlijke aanvechting, die de mensen onder dergelijke omstandigheden vaak overvalt, maar die niettemin bestreden dient te worden.’ Charles, vertelde hij vervolgens, was bij hem gekomen om raad in te winnen, maar hij (Noyes) had in het begin geweigerd iets te zeggen maar hem wel gevraagd wat hij zelf meende te moeten doen. Nadat ze enige tijd met elkaar gesproken hadden had Charles het besluit genomen, waarmee hij, Noyes, het eens was, dat hij zich

[pagina 77]

[p. 77]

volkomen van de vrouw moest isoleren en zijn plaats aan haar zijde door een andere man moest laten innemen; en dat had Charles ook gedaan, in een prijzenswaardige geest van zelfopoffering. Charles was zelfs nog een stap verder gegaan in het dragen van zijn kruis, zoals hij met genoegen geconstateerd had, door bij de jongere kinderen te gaan slapen voor wie hij 's nachts de zorg op zich genomen had. Dit alles in aanmerking genomen, meende hij dat Charles mooi op weg was een beter mens te worden en dat hij oprecht had getoond zichzelf te willen beteren en zich van zijn egoïstische fouten te ontdoen.

Daarna werd de vergadering gesloten.

**

*begin* Ik heb een ander pak gevonden. Het ziet er uit als nieuw. Een klein scheurtje boven de knie heeft Edde haast onzichtbaar gestopt. De stof die zwart is heeft witte strepen, van boven naar beneden. In het vestzakje heeft ze een klein wit doekje gestoken. Ook mijn schoenen zijn als nieuw en onderling nagenoeg gelijk. Als ik mijn pak en mijn schoenen aangetrokken heb voel ik mij een ander mens. Naast mij loopt Edde in haar bontmanteltje waarvoor het eigenlijk te warm is vandaag. Ook voor haar heb ik nieuwe schoenen gevonden en kousen en een tas; er ligt in het halletje nu al een heel stapeltje schoenen waaruit ze kan kiezen. Ze ziet er goed uit. Ze geeft mij een arm. Op straat is het rustiger dan anders. Deze dag wordt dan ook met recht rustdag genoemd. Ook de mensen bewegen zich kalmer en zelfs de honden, die mijn vrienden niet zijn maar ook niet meer mijn vijanden.

Wij wandelen langs het park. De zon schijnt, de bomen zijn zeer groen, de lucht erboven zeer blauw. In het park zie ik een parkwachter lopen. Ik wijs hem Edde aan. Kijk. Daarna wijs ik haar op de fontein en een klein beeldje van steen dat ik ontdek. Iemand heeft een sigaret tussen de vingers van de ene hand gestoken en een klein gummihulsje op de andere hand gelegd. Edde vindt dit zeer grappig. We blijven even staan om te lachen. Daarna gaan we op een bankje zitten onder de bomen. Ik denk, de bomen zij halen ongetwijfeld hun voedsel uit de grond. Vermoedelijk zuigen ze het op met hun wortels en voeren het door kleine buisjes naar de kruin net als het water in de dikkere buizen van de waterleiding. Ik vertel deze gedachte aan Edde. Daarna stappen we weer op en wandelen verder tot we de boot bereiken waarover Edde heeft verteld.

Het is een groot wit schip met een vlag. In de romp een eindje boven het water zitten kleine ronde ruitjes, boven op het dek staan rijen zitbanken halfvol met mensen en kinderen. Het is de eerste boot die ik zie en meteen de mooiste. Als we betaald hebben gaan we naar het bovendek. Een kort ogenblik later begint de boot te trillen en varen we door de gracht. Ik herken de huizen niet, ik ben hier nooit geweest. Op de stoep aan de overkant van de straat loopt een vrouw met een kinderwagen. Juist als ik kijk gooit het kind iets uit de wagen dat op een zeer klein mens lijkt. De moeder raapt het op en legt het terug in de wagen.

We komen langs een aangemeerde vuilnisschuit waarop veel

[pagina 78]

[p. 78]

bruikbare dingen liggen. Ik wijs ze Edde aan. Ze kijkt naar mij en glimlacht. Morgen moet ik deze rijke vindplaats weer zien op te sporen, desnoods met behulp van Edde. Het is een aangenaam gevoel voort te glijden door het water zonder zelf te bewegen.

Dan vaart de boot de rivier op en vermeerdert zijn snelheid. Het water glinstert. Hoewel de walkanten verder weg liggen nu kan ik veel waarnemen. Tussen grote stenen staat een man te vissen. Terwijl ik kijk vangt hij een vis. Ik wijs er naar. Edde knikt. Een vis, zegt ze. Er varen meer boten op de rivier, kleiner dan de onze; sommige worden voortgedreven door een motor, andere geroeid. In de weilanden zie ik koeien en erboven soms een zwerm vogels of enkele losse vogels. Ik zie zeer veel.

Edde heeft het warm gekregen en haar bontmanteltje uitgedaan. Ze heeft blote armen nu. Er zijn mensen aan boord die naar haar kijken. Goed, zeg ik, heel goed. Dan haalt ze de boterhammen uit haar tas die wij meegenomen hebben. Ze zijn zeer smakelijk. Na de boterhammen eten wij een koek. Maar als ik daarna zoals gewoonlijk mijn hand tussen haar benen wil steken staat ze dit niet toe en duwt hem weg. Dat kan hier niet, zegt ze vriendelijk. Waar dan, vraag ik. Als we thuis zijn, zegt ze, of misschien straks in het weiland. Goed, zeg ik, maar ik weet niet of ik zolang kan wachten. Doe het dan zelf maar even hier op de wc zegt ze. Het is een goede raad die ik opvolg.

Als ik terugkom is de stad uit het gezicht verdwenen. De rivier heeft een bocht gemaakt en is breder geworden. Ik hoop dat we ons huis terug kunnen vinden vanavond en dat er niemand anders ingekropen is. We zijn heel ver weg nu. Ik probeer mijn angst te onderdrukken, het liefst zou ik meteen terugkeren.

Ondertussen heb ik dorst gekregen van het brood dat droog was. Ik vraag Edde mee naar beneden te gaan naar het onderdek. Daar pak ik een bekertje af van een kind dat ermee zit te spelen en wring mij liggend tussen de reling door terwijl Edde mijn voeten vasthoudt. Maar het water ligt te diep beneden mij dan dat ik het uit de rivier kan scheppen. Ik sta op en gooi het bekertje over de reling terwijl ik doe of ik kwaad ben. De mensen om ons heen lachen, behalve de ouders van het kind van wie ik het bekertje afgepakt heb en dat nu begint te schreeuwen. Daarna gaan we weer naar boven.

Een tijdje later meert de boot langs een houten terras waarop mensen zitten achter kleine tafeltjes met dranken erop. Het is een soort café zonder muren en dak. We pakken ieder een vol glas van een tafeltje en drinken het vlug leeg waarna we het glas weer op het tafeltje terugzetten. Daarna neem ik vlug nog een tweede, hoewel de eigenaar van de inhoud van het glas protesteert. Als onze dorst gelest is lopen we verder langs de rivier. De rivier blinkt. Het gras is mooi groen. Als ik honger had zou ik het misschien kunnen eten.

We wandelen een lange tijdsduur terwijl ik Edde opnieuw aanwijs wat ik zie: een schaap met een wollen vacht, een vliegtuig, een kano, twee fietsen die schuin tegen elkaar staan. Wanneer we moe zijn gaan we uitrusten achter een bosje struiken langs de weg. Aan de overkant van de sloot staat een

[pagina 79]

[p. 79]

koe. Dan staat ze toe waar ik om vraag. Ik ga enorm tekeer, ik lijk wel een beest. *einde*

Meteen klaarwakker toen de telefoon de eerste keer overging sprong hij uit bed. Ingrid had al aan het lichtkoord getrokken. Blik op de wekker: kwart over vier. Hij rende naar beneden (hartaanval van één van de ouders? waarschuwing voor huiszoeking?) Nam de hoorn van de haak. Ja? Stilte aan de andere kant van de lijn. Dan bij scherper toeluisteren een zacht ademen. Hhhh, hhh.

Ja, met wie spreek ik? Geen antwoord.

Het ademen werd voller, begon te lijken op kalm hijgen. Haahhh, haahh. Mond vlak bij de hoorn. Man? vrouw? Hij werd niet kwaad, had het vaker meegemaakt (‘Luister eens, ik lig helemaal naakt in bed, alleen met een warme kruik.’), was nieuwsgierig, bereid tot - (De ongeneeslijke schizofreen die ene keer, een jongen van vierentwintig die al jaren onder psychiatrische behandeling was. Had lukraak een nummer gebeld omdat hij het niet langer hield en van plan was zelfmoord te plegen. Hij had hem naar zich toe laten komen. De ellende die hij toen en de daaropvolgende weken te horen had gekregen had een diepe indruk op hem gemaakt. Zijn machteloosheid.) / Als u nu niets zegt hang ik op, ik krijg koude voeten, zei hij vriendelijk, maar bleef toch luisteren.

De heftigheid van ademen nam nog toe, werd gejaagder. Verdomme, dacht hij, het lijkt er veel op dat iemand zich aan mijn onzichtbare aanwezigheid ligt op te geilen, te masturberen - man, vrouw? Hing op. Had er onmiddellijk spijt van. Want wat dan nog? En was het ook niet denkbaar dat iemand bezig was geweest zich naar een climax van wanhoop toe te ademen die het zwijgen had kunnen doorbreken?

Er moest een heel leger van nachtelijke telefoneerders zijn in deze stad, zoals waarschijnlijk in alle grote steden van Europa; zeker de helft van de mensen die hij kende was wel één of meermalen gebeld, 's avonds laat of 's nachts, vooral tussen vier en vijf uur. Meest obsceniteiten, onnoemelijk grof of beschaafd geformuleerd, blijkbaar uit alle lagen van de bevolking. Een leger van wanhopigen, onbevredigden, gefrustreerden. (Speciaal zijn ongehuwde vrouwelijke collega's die met hun voornaam in de telefoongids vermeld stonden hadden ervan te lijden. ‘Zal ik die lekkere lul van mij eens fijn in je ...’ / Weinig partygangers en grapjassen daarentegen en dan meest tussen één en twee. / ‘Meneer, met de receptie; hoe wilt u morgenochtend uw ei: gekookt of gebakken.’ Beschaafde vrouwenstem. Gelach. / ‘U spreekt met uw moordenaar.’) Slapeloosheid. Naarmate de nacht vorderde hoopten de spanningen zich op, werd ontlading gezocht via bakeliet en draadleiding naar-wie-dan-ook. Duizenden. En dan ongerekend de nachtelijke straatslenteraars, de gluurders, de vage gestalten in park, portiek en urinoirs, de exhibitionisten, sad*sten, alcoholisten, aa-leden, slapelozen. Tezamen een hele donkere sub-wereld met wie hij, dagmens, geen enkel contact had maar die bestond, min of meer aan haar lot overgelaten.

Hij aarzelde nog even bij de telefoon, schuldbewust,

[pagina 80]

[p. 80]

alsof hij door diepe concentratie het nummer zou kunnen oproepen. Kreeg koude voeten en ging weer naarboven.

Zouden zich moeten organiseren, dacht hij voor hij weer indommelde, naarbuiten breken in het daglicht, een massaal onderbewustzijn dat alles in zijn turbulente vaart meesleept, ópdringend, ópdringend, tot de dagmensen, in het nauw gedreven, gedwongen werden tot aandacht, medeleven, luisteren ... niet naar slaapsymbolen maar naar //

*begin* Er zijn zeer veel mensen op dit plein. Ik vraag mij af of het mogelijk is dat het centrum zich verplaatst of dat er meer centra zijn dan één. De mensen drommen dicht opeen rond een jong beeldje van het mannelijk geslacht, het heeft een trui aan en zijn ene kous is half afgezakt. Daar het op een voetstuk staat steekt het boven allen uit.

Ik blijf staan op de stoep aan de buitenkant van de kring waar het iets minder druk is. Dan zie ik zeer duidelijk de agenten te paard, de agenten met de herdershonden en zij die in auto's zitten of ernaast staan; evenals ik bevinden zij zich aan de buitenkant waar het iets donkerder is.

Ik kijk nu weer naar het midden van de kring. Om het beeldje, heb ik gezien, is een lage ronde verhoging waarop een aantal jongens en meisjes beweegt; de jongens dragen witte pakken en hebben lang haar evenals de meisjes; beide soorten hebben hun gezichten beschilderd met kleurige verf en dragen bloemen achter hun oren, sommigen ook kettingen met kleine klokjes om hun nek. De reden hiervan is mij niet bekend.

Voor het beeldje wordt nu een vuur ontstoken, het heeft een vreemde roodachtige kleur als de kleur van de bloem op het schilderij dat ik bezit. Ook verschilt het van ieder ander vuur dat ik tot nu toe gezien heb. Daarna maken beide groepen een aantal hoge wilde sprongen en wiegelen met hun bovenlichamen terwijl ze hun armen in de hoogte heffen of zwaaien met repen wit papier. Een van de jongens schreeuwt iets over de hoofden van de omstanders heen. Daar ik de woorden niet helemaal herken weet ik niet precies wat hij bedoelt; mocht het een vraag zijn dan kan ik hem helaas niet beantwoorden. Als hij uitgesproken is pakt hij een pijp uit zijn jasje en begint er woest uit te roken, terwijl hij de mensen de opgezogen rook in het gezicht blaast. De meesten moeten er om lachen. kanker, versta ik nu, kanker. Zijn onvredespijp, hoor ik zeggen.

Eén van de meisjes is dicht in mijn buurt gekomen. Ze heeft krijtwitte oogleden en witte wangen en ze draagt een snoer van koperen belletjes om haar hals die aardig rinkelen. In haar ene hand heeft ze een zak waaruit ze krenten en rozijnen uitdeelt. Ik krijg er ook een aantal. Ik eet ze. Het moet een zeer vriendelijk meisje zijn.

Tegelijkertijd zie ik hoe het vuur hoger oplaait en groter wordt. Kranten worden erop geworpen en hoeden die de jongens de oudere omstanders van het hoofd trekken. De mannen die hun hoed missen worden kwaad en lopen weg, anderen nemen vlug hun hoed van het hoofd en houden hem vast of steken hem in hun binnenzak.

Daarna zie ik iets dat mij ten zeerste verbaast.

[pagina 81]

[p. 81]

Hetzelfde meisje dat mij zo-even een aantal kleine zuidvruchtjes heeft gegeven is nu bij het vuur gaan staan. En terwijl ze heen en weer wiegelt met haar bovenlichaam trekt ze langzaam haar bloeze uit. Ze staat nu met blote borsten en strekt haar armen naar achteren zodat haar borsten naar voren steken. De mensen juichen haar toe. Dan lichten een paar jongens in witte pakken haar op en gooien haar in de vlammen. Ik schrik zo dat mijn hart begint te bonzen, maar ze springt er lachend weer uit als een pop, ongedeerd.

Als de politie naar voren dringt ga ik snel weg. Het is een zeer interessante gebeurtenis die ongetwijfeld een bedoeling moet hebben. Omdat ik er lang over nadenk vergeet ik die avond iets mee naar huis te nemen. Je zou kunnen zeggen dat ik alleen mijn gedachten mee naar huis neem, wat een grappige formulering is waar ik om moet lachen. Ik vraag mij af of het mogelijk is om gedachten van een ander mee naar huis te nemen. Nee waarschijnlijk. *einde*

Hij is mij weer ontglipt. Binnen enkele minuten nadat ik hem in het oog heb gekregen zie ik aan zijn bewegingen dat hij voelt dat ik hem volg, het is alsof hij mijn op hem gerichte aandacht als korte-radiogolven opvangt. Alleen reageert hij er negatief op: ik kan hem niet sturen.

Hij wordt onrustig, kijkt als in een reflex om en neemt de benen zonder mij ook maar gezien te hebben.

Voor ik naar huis ga loop ik nog even het park in om, nu ik er toch in de buurt ben, een blik te werpen op een volmaakt zinloos evenement waarover ik in de krant heb gelezen en dat mij intrigeert juist vanwege de volmaakte zinloosheid ervan. Het is de grootst denkbare tegenhanger van datgene waar ik/wij mee bezig zijn en het vindt plaats in dezelfde maatschappij.

Op de grote speelweide staat een soort circustent. Ik koop een entreebiljet en ga naar binnen.

De verzameling mensen in de tent vormt ongetwijfeld één van de vrolijkste die ik ooit meegemaakt heb, zowel de toekomstige kampioenen als de toeschouwers. Vlak bij de ingang is een jongen van een jaar of vijfentwintig bezig het record te verbeteren op de 100 m dribbelen pas-op-de-plaats; naast hem staat een kinderboekenschrijver continu voor te lezen uit eigen werk (3,5 uur). Even verderop draven vijf mensen in een concours-hippique-voor-hobbelpaarden (met hindernissen), een meisje, lees ik, heeft nu al het wereldrecord droogzwemmen op haar naam staan maar gaat nog door. Sommige van de deelnemers verkeren op de rand van uitputting; een drummer uit een beatband die er al 26 uur op heeft zitten dreigt in te slapen en wordt met een emmer water weer bijgebracht en knettert er opnieuw op los. Overal is wel iemand bezig de waanzinnigste records te verbreken - onder het motto: Olympisch goud stinkt niet - van kampioen machinenaaien-zonder-draad tot kampioen spaghetti-eten-per-streng, van kampioen adem-inhouden-hoofd-onder-water tot kampioen snelneuken-op-gummipop en kampioen handenschudden-voor-echtparen; wereldrecord commandobrullen-voor-onder-officieren, salueren-voor-tuinkabouter-door-dienstweigeraars, je kunt het zo waanzinnig niet bedenken of

[pagina 82]

[p. 82]

er is wel iemand die het heeft bedacht en er zijn er heel wat die het al meer dan een etmaal hebben volgehouden.

In het midden van de tent, achter vitrines liggen de prijzen uitgestald voor de winnaars. Een beeldloos televisietoestel, het boek wit, een reukloos parfum uit India, een spiraal die na opgewonden te zijn zelfstandig de trap afloopt, Piet Heins zinloos gemaakte superei en, een van de aardigste, een anti-bank uit de Verenigde Staten, een gadget dat ik al eens eerder in een warenhuis heb zien demonstreren: als je er een muntstukje oplegt verschijnt er een klein gifgroen handje dat de munt oppakt en terugwerpt in het gezicht van de gever.

Ik amuseer me enorm en loop nog wat rond. Wat zou ik hebben kunnen doen denk ik. Maar op hetzelfde moment dat het me te binnen schiet zie ik het al - letterlijk - voor me. Vier boers uitziende jonge mannen bewegen hun voeten in een kalm tempo op de pedalen van een gelijk aantal binnenhuisfietsen, bezig zoals een bordje aangeeft het wereldrecord wielrennen-op-hometrainers-in-ploegen te verbeteren. Het zijn bekende beroepsrenners uit het zuiden van het land, ik herken er een paar van foto's. Een tijdlang blijf ik er gefascineerd naar staan kijken alsof ik een zelfbedacht idee voor mijn ogen reëel zie worden en zich ontwikkelen, minuut na minuut, zonder te verdwijnen; een zinloos maar tegelijk grandioos idee. Met moeite maak ik mij los en verlaat de tent.

Terwijl het beeld van de fietsrijders nog voor mijn ogen zweeft als het nabeeld van iets dat opnieuw alleen maar een idee is, meen ik ineens achter een groepje mensen hem te zien schuifelen die ik een halfuur geleden heb achtervolgd, snel, steels. Maar als ik om de tent heenloop blijkt hij nergens te bekennen. Ik moet mij vergist hebben, het kán niet anders.

*begin* Nadat ik lang heb staan aarzelen ga ik het lokaal binnen. Ik heb veel mannen naar binnen zien gaan, weinig vrouwen. Edde heeft gezegd dat het goed is wanneer ik aan véél mensen tegelijk wen, niet aan één afzonderlijk of aan enkelen tegelijk zoals bijvoorbeeld in een café. Ze heeft daar gelijk in.

In het lokaal is een kleine menigte bijeen, ik zie hun hoofden. Er hangt een dikke rook van brandende sigaretten en sigaren en een groot gegons van stemmen stijgt op alsof iedereen met elkaar praat, wat zo te zien ook het geval is.

Ik blijf besluiteloos achterin staan waar zich een aantal druk redetwistende mannen ophoudt en adem de aangename rook in die anderen uitblazen, ik zal mij de gewoonte van het roken eigen moeten maken. Onophoudelijk verheffen mensen zich van hun stoelen en gaan weer zitten. Op een verhoging voor in de zaal staat een grote tafel waarachter niemand zit. Er wordt koffie rondgediend door twee meisjes met zwarte schorten voor. Ik leg mijn warme handen op het koele marmer van de muur om ze wat af te laten koelen.

Even later komt één van de mannen achterin de zaal op mij af. Hij vraagt: Wilt u geen lid worden van onze partij. Ik zeg: ja. Daarna schudt hij mij de hand. Een groot gevoel van geluk stroomt door mij heen, ik hoor nu ergens bij. Het lijkt

[pagina 83]

[p. 83]

mij niet moeilijk aan deze mensen te wennen.

Vier mannen en een vrouw zijn achter de grote tafel gaan zitten. De middelste van hen slaat met een houten hamer op het blad en roept dat de pauze voorbij is. Evenals de anderen zet ik mij nu. Als het stil is neemt kameraad Koolhammer plaats achter het spreekgestoelte dat links vooraan op de verhoging staat. Hij zegt dat de wereld fout is ingericht en dat het geld niet goed is verdeeld. Dit is juist. Ik weet dit uit eigen ervaring. Het geld in de ene portefeuille of portemonnee is soms aanzienlijk meer dan in de andere. Dit moet veranderd worden. Wat nodig is is een rechtvaardiger verdeling, zodat de één niet te veel heeft en de ander te weinig. Ook dit is zeer juist geformuleerd en wie dit uitgedacht heeft moet een zeer verstandig mens zijn. Ik ben blij dat ik van de goede partij lid ben geworden. Ik ben er trots op en applaudisseer mee met de anderen.

Nog voor de vergadering voorbij is ga ik naar huis om het Edde te vertellen. Misschien dat ik een andermaal ook een vraag kan stellen als ik er één weet te bedenken. *einde*

Ik verdenk mijn zoon ervan dat hij geronseld is door de cia, of de bvd, wat hetzelfde is. Er is hem een reisje naar Amerika aangeboden, zogenaamd omdat hij een opstellenwedstrijd heeft gewonnen over Abraham Lincoln. Amerika als de bakermat van de democratie. Mijn god. De hele negentiende en twintigste eeuw door hebben ze iedere vrijheidsbeweging onderdrukt, de zwakkere naties uitgebuit en tot pionnen gemaakt van hun politiek tegen anderen. Enzovoort. Ik zou zo uit mijn hoofd tientallen voorbeelden kunnen opnoemen. (Bitter) En mijn zoon /

(Op zijn kamer heeft hij een portret van Johnson opgehangen, waarschijnlijk om mij uit te dagen. Hij vindt Johnson geen moordenaar.)

In elk geval is het zaak op te letten als er thuis over politiek wordt gepraat. Ik wil niet dat hij ons verraadt. Misschien ligt hij 's avonds te wachten tot ik thuiskom, noteert hij de tijden, controleert de kilometerteller van mijn auto of doorsnuffelt mijn werkkamer als ik weg ben ... // Als het moet zal ik hem doden - Abraham die zijn zoon slacht door hem het huis uit te doen, niet te wachten tot hij gaat studeren. Hij zal de kans met beide handen aangrijpen: erg missen zal hij mij zeker niet; zijn vaderimago's zoekt hij elders. Terecht overigens. Het is te hopen dat hij niet te vlug zijn doel bereikt of nooit bereikt. Onder miljonairs komen de meeste zelfmoorden voor.

*begin* Langzaam kom ik meer te weten. Ik zeg langzaam, maar misschien kan ik beter formuleren: snel, want ik moet in korte tijd opnemen waar anderen jaren over hebben gedaan om het uit te denken. In luttele uren weet ik evenveel als zij. Het moeten onbaatzuchtige mensen zijn dat zij mij hun wetenschap doorgeven tegen een zo geringe vergoeding per maand: kameraad Koolhammer, kameraad Van Dijk, kameraad Roothaan en vele anderen. Zo weet ik nu dat niet alleen het geld, ook wel

[pagina 84]

[p. 84]

kapitaal genoemd, ongelijk is verdeeld, maar ook dat er daarnaast nog vele andere fouten in de wereld zijn die ik tevoren niet had opgemerkt en die rechtgetrokken horen te worden. Dit is juist.

Wat boven ons staat is de regering, ook wel machthebbers genoemd. Als deze de noodzakelijke veranderingen in de maatschappij niet willen aanbrengen moeten zij vervangen worden door anderen die dit wel willen. Dit is zeer juist.

Ten tweede. Als ik voor iemand, meestal werkgever genoemd, arbeid verricht, dan kan deze arbeid beschouwd worden als kapitaal waar de werkgever mee werkt. Dit verleent mij het recht aanspraak te maken op een deel van zijn winst, ook wel overwinst genoemd. Zéér, zéér juist. Ik begrijp niet dat dit nog niet gebeurd is.

Ten derde. Bepaalde groepen, ook wel producenten geheten, dringen er bij anderen, de consumenten, op aan dat ze meer zullen kopen en eten dan ze nodig hebben, zodat zij, de producenten, meer verdienen en het geld van anderen, de consumenten, eerder op is. Dit is ongewenst, ik neem dit graag aan. Ik zal Edde vragen hierop te letten. Vorige week heeft ze nog vier aardappelen weggegooid en een korst brood. Bovendien constateer ik dat haar buik te dik wordt.

Ten vierde. De tramtarieven mogen niet opnieuw verhoogd worden. Juist. Ik zou er aan toe willen voegen: evenmin de prijs van de boottochtjes in de stad en erbuiten.

Dit zijn enkele van de voornaamste punten uit ons program. Morgen zal ik andere formuleren, even duidelijk als nu, zodat iedereen ervan kan profiteren. Ik zal mijn wetenschap zoveel mogelijk doorgeven aan anderen. Gratis. *einde*

Eén deel van de zwarte mierenstroom bewoog zich in de richting van het bosje, een tweede in omgekeerde richting naar het hol naast de bank waar ze hun gevonden voorwerpen heensleepten of schijnbaar met lege pootjes terugkeerden. Hij zag nu met eigen ogen dat de elkaar tegemoet komende mieren hun informatie (vondst) aan elkaar doorgaven door middel van veelvuldige aanrakingen: de trek was een aaneenschakeling van kortstondige botsingen, zigzaggen en ingehouden gedribbel. Een aantal losse exemplaren was bezig met het verslepen van een uitgedroogde vlieg, grasvliesjes, stokjes, terwijl een andere groep zich bezig hield met het wegslepen van ontzagwekkend grote stenen uit het hol waarvan de rand omgeven was met rul zand. Het was blijkbaar niet voldoende dat de stenen uit het hol verwijderd werden tot vlak over de barricade, ze hoorden gedeponeerd te worden op een veilige afstand van het nest. Behalve de wal van tienduizenden zandkorrels ontdekte hij zeker enkele honderden zwerfkeien die alle versleept moesten zijn. De titanenarbeid en de waanzinnige werklust imponeerden hem ten slotte zo dat hij het niet langer kon aanzien en besloot, van bovenaf ingrijpend, een miniem deel van zijn ontzagwekkende kracht voor hen in te zetten, zijn goedertierenheid op hen te laten neerdalen. Hij bukte zich voorover en nam het steentje op waar vier mieren al trekkend en duwend mee liepen te zwoegen, deponeerde het in de buurt van de andere zwerfkeitjes. De

[pagina 85]

[p. 85]

mieren raakten volkomen in de war nu hun taak hun ontnomen was / darden in alle richtingen stuurloos rond / ontdekten ten slotte de steen / aarzelden of ze hem nog verder moesten slepen en keerden dan (tevreden) holwaarts.

Met een lucifer werkte hij hierna nog een aantal andere steentjes naar buiten die hij in de mond van het hol kon zien liggen, uit grote diepten naar boven gebracht, en wierp ze weg door het heelal. Nam de dode vlieg op en legde hem vlak bij de rand van het nest, de mieren de voldoening gunnend hem naar binnen te kunnen duwen / de laatste hand / grootmoedig / ontwikkelingshulp zonder voorwaarden. Wie niet geeft van wat hij heeft / is niet waard dat hij leeft. Schoolagenda vroeger. Ten slotte haalde hij het suikerklontje uit zijn zak dat hij bij zich gestoken had in café R. toen er geen hond in de buurt was om het aan te geven en schraapte er met zijn zakmesje kleine korreltjes af die hij boven de mierenstroom als hemels manna liet neerdalen. Metafysica.

De mieren schoten erop af, vertrouwden het eerst niet, likten er waarschijnlijk aan en begonnen toen de buit binnen te halen, dankbaar, dankbaar (dacht hij), op weg naar het nest de informatie doorgevend aan de centrifugale mieren.

De grond zag nu wit van het manna. Een licht hilarisch gevoel vervulde hem. Een gevoel van zelfvoldaanheid en bescheidenheid tegelijk. Niemand kan meer doen dan z'n best.

Toen het klontje te klein werd om er nog iets af te schrapen ( - nooit overdrijven - ) gooide hij de rest naar een voorbijkomende parkhond die het in zijn bek opving. (Het had ook een steen kunnen zijn, of een in mosterd of sambal gedompeld stukje kaas, zoals Herman eens had gedaan.) Toen hij zijwaarts keek ( - waarom? - ) zag hij op enige afstand een slordig geklede man met grote ogen naar hem staan staren. Toen hij ietwat gegeneerd opstond liep de man snel verder. Hij had het onaangename gevoel betrapt te zijn op iets dat - / In ieder geval was de hilarische sensatie van grootmoedigheid en zelfvoldaanheid op slag verdwenen. In plaats daarvan voelde hij een loodzware vermoeidheid over zich komen, alsof hij het werk verricht had van tienduizenden, honderdduizenden mieren.

*begin* Wanneer hij het donkere deel van de straat nadert maak ik de afstand tussen kameraad Kronenburg en mij kleiner. Omdat ik hem reeds eerder gevolgd heb weet ik waar hij woont. Kameraad Kronenburg heb ik uitgekozen omdat ik vermoedde dat hij van ons allen het meeste geld heeft. Hij draagt de mooiste pakken, rookt de dikste sigaren en drinkt in de pauze de meeste koffie, bovendien gebruikt hij de grootste woorden. Mijn vermoeden was juist: hij woont ook in een groot losstaand huis.

Ik bedenk nu: wat voor mensen goed is - licht, is voor anderen nadelig. Sterker, zelfs voor mij is donker de ene keer wél - nu - en een andere keer - meestal - niet gunstig. Het is moeilijk iets te vinden of te bedenken dat voor ie-der-een altijd goed is.

De laatste passen neem ik snel. Dan leg ik van achteren mijn hand op zijn mond zodat hij niet kan schreeuwen noch zijn hoofd omdraaien en duw met mijn onderarm zijn bovenlichaam

[pagina 86]

[p. 86]

tegen mij aan. Met mijn rechterhand tast ik naar zijn portefeuille. Als ik die gevonden heb steek ik hem in mijn jaszak, laat kameraad Kronenburg los en geef hem een dreun tegen de zijkant van zijn hoofd, niet te hard. Hij tolt wat rond en valt op zijn knieën. Dan loop ik snel weg. Begint hij te schreeuwen, ben ik al bij de hoek van de straat. Als hij omgekeken heeft hoop ik niet dat hij mij herkend heeft. Ik heb een groot risico genomen door hem niet harder te slaan. Het is niet gemakkelijk om altijd het juiste te doen.

In een pisbak kijk ik wat mijn buit is. Het valt tegen. Of ik heb mij vergist en kameraad Kronenburg beschikt over meer geld maar draagt het niet bij zich. In het eerste geval zal ik hem misschien mijn verontschuldigingen aanbieden als hij mij herkend heeft en hem het geld teruggeven. *einde*

Dit keer probeer ik het anders. Tot nu toe is het mij niet gelukt hem langer dan een minuut of tien te volgen, in sommige opzichten is hij heel slim: de slimheid van een dier. Dier? De laatste keren heb ik de indruk dat hij mij van die tien minuten er zes of zeven toestaat hem te volgen, uit toegeeflijkheid of speelsheid weet hij het vrijwel onmiddellijk. Ik vlei mij dat althans dit minimum-contact van enkele minuten tussen ons bestaat, maar misschien vergis ik mij. Het berust allemaal te zeer op toeval: ieder treffen vindt plaats op een willekeurig moment op een willekeurige dag. Wat mij ergens verbaast is dat hij niets terugdoet: het moet heel gemakkelijk voor hem zijn mij op te wachten en neer te slaan, te vermoorden zoals hij wel meer mensen zal hebben vermoord, ik twijfel er niet langer aan. Misschien heeft hij in mij toch de man herkend die hem geholpen heeft.

Meteen als ik hem zie leid ik mijn gedachten af, terwijl ik probeer mijn ogen als twee van mijn lichaam losgehechte lenzen met onderbrekingen op hem te richten / niets van mij te laten uitstralen / zoveel mogelijk aan andere dingen denkend, luisterend, mij verbergend achter andere voetgangers ...

..... heb je ......... gedaan? .......... nee, alleen maar afgestoft ...... gaat niet langer**

**

Hij blijft voor niemand meer staan, zijn blik is kennelijk krachtiger geworden, zoals zijn gang zekerder**

de overheid zou meer ............ een bord voor z'n hoofd ........ gebr ..... in de**

**

Uit een openstaande bakkerskar neemt hij een koffiebroodje weg / alsof het zo hoort ........ hij eet het broodje**

**

nog gesubsidieerd ook ....... ik teken ervoor** domma ..... n ..... ope ..... wel ........ ook goed**

je kunt er niet omheen ...... Waar broeken zijn betalen geen rokken zeg ik ....... hahaha ........ hahaha**

**

Hij kijkt naar de klokkentoren van het Rijksmuseum / de

[pagina 87]

[p. 87]

tijd? (gun u de tijd / nou dat doen ze dan ook) / Kan hij klokkijken? - Opgepast / weg ......... Wat is dat voor een vreemde vogel .............. gezien?**

**

moderne mensen beleggen hun geld bij de amro-bank

**

Kijkt naar een verzakking in de stoep ..... een paar tegels zijn ondergraven (zie ik even later) waarschijnlijk door de regen of door ratten ....... Zag je hoe ie naar me keek?** uh ..... niet omkijken! ........ Een collectante houdt hem haar collectebus voor, hij schudt zijn hoofd, kijkt wel belangstellend naar de bus ....... kluk kluk kluk ....... voor de kankerbestrijding ...... dank u ...... voor de kankerbestrijding ........................ nee!**

In deze straat wonen bijna allemaal artsen en medisch-specialisten ....... een duur soort soukh....... Op de Herengracht staan kapitale panden uit de zeventiende eeuw met een hoge stoep ervoor / als je er binnenkomt zijn links en rechts prachtige barokdeuren, maar alleen die aan de rechterkant leiden naar kamers, achter de andere zit alleen maar een ondiepe kast / van binnenuit gezien lijkt het of het huis tweemaal zo groot is als het is ..... gekke stad ..... zeg ik tegen hem: denk je soms dat het hier een hotel is? dat je maar kunt komen en gaan naar 't je zint? en weet je wat hij zegt? hij zegt: dat heppu mij niet horen zeggen. Nee zeg ik, dat moest er nog bijkomen ook na alles wat ik al van je**

**

Hij blijft staan, krabt zich tussen de benen, kijkt naar zijn schoenen / loopt door ..... Dit hotel bestaat uit minstens vijf grote woonhuizen, muren doorgebroken, deuren dichtgemetseld, jammer ..... ik zou best ..... Gekke stad ..... vroeger wereldcentrum, alleen de façaden zijn nog over** ... moeten dan ook maar zo blijven staan, als zodanig .... (Verleden is omgekeerde toekomst - zelfde karakteristieken voor een deel - beide onzeker. Dit noteren. Thuis uitwerken.)

Hij gaat nu de Overtoom op. Ik zou willen dat ik hem met mijn gedachtegolven kon sturen. Trouwens niet alleen hem, die ouweho*r van een minister-president van ons bijvoorbeeld of Ridder Van Blomdaele, om van anderen maar te zwijgen ...... ik zou hem regelrecht naar zijn huis sturen, hij kan niet erg ver bij mij vandaan wonen daarvoor zie ik hem te vaak, misschien ergens in de Pijp, ik ..... Te laat. Aan zijn reactie zie ik dat ik tot hem doorgedrongen ben. Zijn nek, zijn hoofd maakt een kort schokje, zijn gang wordt behoedzamer. Dan kijkt hij om**

**

*begin* Ik heb het gevoel dat ik langzamerhand het meeste weet dat er te weten valt. Ik word snel wijzer. Binnenkort zal er niets meer zijn dat ik niet begrijp. Ik zal er niet rouwig om zijn. Integendeel, mijn leven zal dan nog boeiender zijn dan het nu is. Van raadsels alleen kan een mens niet leven. Alleen raadsels waarvan ik de oplossing weet zijn voor mij interessant. Dit heeft kameraad Koolhammer mij geleerd. Hij zegt: Raadsels en geheimzinnigheid zijn zoethoudertjes van de bevoorrechte klasse om de massa onzeker te houden. Wie onzeker

[pagina 88]

[p. 88]

is kan niet tot actie overgaan. Dit is juist.

Ik zal in de toekomst nóg zekerder moeten worden van mijzelf dan ik nu ben. Het zal mij hoop ik niet al te moeilijk vallen. *einde*

ridder van blomdaele bevecht het verheerlijken van de goot

Aanval op maatschappelijke verschijnselen

Voor een onverwacht groot aantal leden en genodigden van de Liberale Studenten Vereniging Amsterdam heeft de voorzitter van de Liberale Staatspartij, G.K.F. Ridder van Blomdaele, gisteravond een voordracht gehouden over deze en de verleden tijd. De burgemeester van G. keerde zich achtereenvolgens tegen de meer salaris eisende onderwijzers, Het Vrije Volk, een aantal Nederlandse schrijvers en filmcritici, de vvd, het Algemeen Handelsblad, de dagbladen, de kamerleden die salaris vragen voor soldaten, de nrc, de regering, minister Toxopeus, het Algemeen Handelsblad, de Morele Herbewapening, ‘de’ student, de Vara, de reclassering, de massa, nonfiguratieve kunstenaars, de Partij van de Arbeid en het Algemeen Handelsblad.

**

Het was dus een voordracht die enkele toehoorders tijdens de discussie vergeleken met een cabaretvoorstelling - een kwalificatie die de heer Van Blomdaele zichtbaar plezier deed. Maar hij stelde met nadruk dat men ondanks zijn zelfspot de beginselen van de Liberale Staatspartij au sérieux dient te nemen. Die beginselen houden in: het handhaven van het erfdeel der vaderen, het ageren tegen voortschrijdende overheidsinmenging, waarborgen van vrijheid van het individu en het bestrijden van de zogeheten progressiviteit.

Het is nuttig een partij te hebben die geen compromissen sluit, niet marchandeert en niet de economie maar de ethiek voorop stelt. Een partij die de beschavingselementen van Rome, Israël en Athene preserveert - De Liberale Staatspartij.

Er dient meer discipline te komen, aldus Ridder Van Blomdaele, de jeugd moet harder worden opgevoed, kunstenaars moeten ook werken. En vooral dient men zich te keren tegen de grenzeloze vrijmoedigheid waarmee een kleine kliek van schrijvers, wier voornaamste talent is dat zij schuttingwoorden kunnen vervoegen, de moraal aantasten. In dit verband wekte hij op tot strijd tegen het ‘faecalovaginisme’, tegen het verheerlijken van de goot als inspiratiebron.

Voorts, en tot vermaak van Ridder Van Blomdaele zelf, lanceerde hij met een welhaast orgastische linguïstische virtuositeit, aanvallen op vele maatschappelijke verschijnselen.

∀ Wij vieren een voortdurende Sinterklaasavond, er is een weldoenersstaat.

∀ Wil men in aanzien staan, dan dient men de rits open te laten en zelfbevlekkingsparodieën te schrijven.

∀ Er zal iets rampzaligs gebeuren als de jeugd niet zegt: wij willen die Schund niet meer.

∀ Over het socialisme maakt geen zinnig mens zich nog

[pagina 89]

[p. 89]

druk.

∀ Zonder de toewijding van het Koninklijk Huis zou ons volk aan verscheuring ten prooi zijn.

∀ Morele Herbewapenaars zijn ongetwijfeld goedwillend, maar irreëel, zweverig en zij stellen eisen waaraan ik zeker niet kan voldoen.

∀ Ik ben voor de studentenvakbeweging. Niet omdat die enig nut heeft, maar omdat zij bestaat bij gratie van de inertie van de studenten.

**

*begin* Als we de brug overgaan kijk ik achterom. Het einde van de stoet is niet te zien. Het is een lange rups waarvan wij mensen de poten vormen. Ik vind dit een aardig beeld; bovendien geeft het zeer goed weer wat ik bedoel. Wij bevinden ons tamelijk ver vooraan, dat wil zeggen in de kop van de rups: ik, kameraad Koolhammer, kameraad Derksen, kameraad Roothaan en een aantal andere kameraden. Enkelen van ons dragen stokken met een spandoek ertussen, anderen wat kleinere stokken met een bord. Er staat op: een wereld of geen wereld. amerikanen uit vietnam! Zeer juist! Ik begrijp niet waarom ze er niet allang uit zijn, ze hebben er niets te maken.

Aan de kant op de stoep staan veel toeschouwers. Ik maak het gebaar dat ze met ons mee moeten lopen. Kameraad Derksen kijkt naar mij en knikt. Wat ik doe is goed. Dan heft hij zijn keel en roept: Ho-ho-hotsji-min. Ik roep hem na evenals de anderen. Er is een groot geschreeuw van kelen dat feestelijk klinkt. Kort daarop komen wij langs dezelfde gracht waar de boot ligt waarop Edde en ik gevaren hebben. Juist als ik kijk hijst de kapitein de vlag. Kameraad Derksen zegt, het is de vlag van de vrijheid.

Kameraad Roothaan zegt: Er lopen er ook een paar van de vvd mee. Waar? vraag ik. Hij wijst ze me aan. Ik bekijk ze met belangstelling. Je kunt niet zien dat ze het zijn, zeg ik. Kameraad Roothaan lacht. Hij zegt: Je kunt niet in hun portemonnee kijken. Ik vind dit zeer snedig opgemerkt. Het zou inderdaad interessant zijn in hun portemonnee te kunnen kijken.

Ik besluit hun gezichten te onthouden en indien mogelijk straks naast hen te gaan lopen.

Bij de ambassade wacht de politie ons op. Ze dragen helmen en lange wapenstokken om ons tegen te houden. Ik heb me blijkbaar toch in hen vergist of het moet een ander soort politie zijn of tegenstanders die zich als politieagent verkleed hebben.

Wij geven elkaar een arm, naast mij kameraad Oegema en kameraad Van Dijk. Zo arm in arm stormen wij voorwaarts. Niemand kan ons tegenhouden. Ho-ho-ho-tsjimin! Wij buigen de schouders. De politieagenten wijken uiteen. Ho-ho-ho-tsjimin! Stenen suizen over ons heen. Er ontploft een rookbom. Dan zie ik hoe een agent met zijn wapenstok op kameraad Koolhammer inslaat. Koud van drift stort ik mij op hem. Dan krijg ik zelf een klap om mijn hoofd.

[pagina 90]

[p. 90]

In een zijstraat kom ik bij, liggend op een brancard. Vingers bevoelen mijn schedel. Niets aan de hand hoor ik zeggen. Ik krijg een verbandpleister opgeplakt. Daarna mag ik opstaan. Kameraad Derksen helpt mij. De smeerlappen, zegt hij. Ik wil naar huis, naar Edde. Een volgende keer zal ik *einde*

De laatste paar honderd meter legde hij te voet af, zijn auto achterlatend voor een van de villa's in de g-laan waarvan de lichten al gedoofd waren of de bewoners zich elders bevonden, naar de schouwburg waren, op bezoek bij vrienden of buitenlands. De laan was volkomen stil, geen mens op straat, geen honduitlater; geen geluid van radio, televisie, telefoon drong door vanachter de heggen en struiken. Even verderop voorbij de eironde bocht ging de laan over in een huisloze stenen landweg die hij opliep tot de omrastering - hoog - waarvan het hek niet afgegrendeld was, hij had het gisteren nog gecontroleerd. Het droge geluid van de opgelichte hendel deed hem denken aan een honderdduizendvoudig versterkt knappen van het touw, hoewel het destijds onhoorbaar geweest moest zijn. (Zijn handen hield hij trillend vooruit gestoken met de gestrekte vingers en de muizen van de palmen tegen elkaar / vlak achter de handen om de polsen werd een touw gebonden / toen het touw te strak aangehaald dreigde te worden trok hij zijn polsen iets vaneen zodat er enige speling ontstond. En toch was hij bang, redeloos bang, had er dagenlang tegenop gezien dat hij aan de beurt zou komen: weigeren durfde hij niet omdat hij dan burgemeester gemaakt zou worden en tussen angst en schande had hij het eerste gekozen.)

(Tweemaal had hij het in het park gezien, 's avonds na afloop van de gymnastiekles, geschokt en gefascineerd tegelijk / had er zelfs aan deelgenomen. Met z'n zessen hielden ze de woest schreeuwende jongen die ze uitgekozen, opgejaagd en ten slotte gevangen hadden vast, duwden hem plat op het gras waar hij zich in honderd bochten wrong om los te komen. Daarna maakte één van hen - niet hij - de gulp van de jongen open en haalde het aspergebleke piemeltje eruit dat in het schemerdonker duidelijk oplichtte. Dit was alles ∷ hij was burgemeester gemaakt en kon gaan. Met gebogen hoofd knoopte de jongen zijn broek dicht en liep weg, diep vernederd. Pas vijf meter verder, op veilige afstand, begon hij te vloeken en te tieren : : hij had het zelf kunnen zijn.)

(De knoop werd gelegd en het touw tussen zijn polsen aangestoken met een lucifer. Hij perste zijn onderarmen zo ver mogelijk uiteen zonder dat de speling tussen zijn polsen merkbaar groter werd / probeerde echter zo weinig mogelijk van zijn angst te laten blijken. De anderen waren allemaal ouder, ze hadden makkelijk praten dat het geen pijn zou doen: het vuur zou zijn polsen naderen en zijn huid schroeien. Maar nauwelijks had het touw vlam gevat of het knapte al, onder zijn trekkracht slechts halverwege doorgebrand. Hij ademde opgelucht. Lachte. Nee, hij had niets gevoeld nee. / Zie je wel. / Hij had niets gevoeld behalve een panische angst, om niets; hij schaamde zich er diep voor maar kon er niets aan doen. En het was niet de eerste keer ... niet

[pagina 91]

[p. 91]

de laatste...)

Hij liep over het gras naast het grindpad op het gebouw toe dat alleen boven in de hoge buitenmuur enkele horizontaal liggende ramen had waardoor niemand naar buiten kon kijken: vanachter de ramen werd niemand verwacht. Ze waren helder verlicht, als laboratoriumramen. Hij voelde automatisch met beide handen tegelijk in zijn jaszakken, vond in de linker de grote fles die hij die middag op zijn afdeling van het biochemisch lab met het zeer besmettelijke preparaat had gevuld en in de rechter de kleinere fles met chloroform en de lap (gescheurd uit een oud hemd van hemzelf). Drs. x (Twee dingen hadden hem op het idee gebracht: een krantenartikel over de immense gevaren van biologische en chemische oorlogsvoering en de recente golf van bosbranden in Australië. Ze waren aangesticht. Tientallen vuurhaarden in enkele maanden tijds. Duizenden, tienduizenden hectares verwoest, acht mensen omgekomen, levend verbrand, boerderijen, huizen, vee, wild, waanzinnig van angst wegvluchtend. Hij had het op de televisie gezien. De dader was nooit gepakt.)

Hij opende voorzichtig de toegangsdeur en gluurde naar binnen. Niemand te zien, geen portier, geen personeel. Niet te geloven. Ik zou er een artikel over moeten schrijven, dacht hij, of een ingezonden brief in de krant. Glimlachte. Was niet meer nodig.

De enorme bassins. Verbindingsbuizen, armdik. Het gegrom van de hogedrukpomp die het drinkwater naar de toren stuwde nadat het voor het laatst gefilterd was; vandaar werd het direct via de hoofdleiding of -leidingen naar de stad gevoerd.

Snel liep hij in gebukte houding naar het reservoir dat het verst van de ingang verwijderd was en beklom het ijzeren trapje. Staande op de één na bovenste tree haalde hij de fles uit zijn linkerzak, trok de stop eraf en goot de kleurloze inhoud in het bassin.

Morgen zou de stad een dodenstad zijn, een stad van wankelende zieken en halflevende doden ... Hij stak de fles weer in zijn zak en sloop terug. De portier was nog steeds afwezig (naar het toilet? Maar waar in godsnaam waren de anderen?) Opende de buitendeur / stond weer in de avondlucht / liep het grindpad af naar het hek.

*begin* Edde heeft een koter gekregen, van het mannelijke geslacht. Ik heb er haar mee gefeliciteerd. Een koter is iets heel vrolijks in huis, hij speelt en houdt de aandacht gevangen. Ook eet hij van zijn eigen uitwerpselen. Ik heb een mooie krib voor hem gemaakt uit een kist van deugdelijk hout dat niet te dun is zoals de meeste andere fruitkisten. Ik heb er alleen het etiket hoeven af te trekken en de bovenkant bijgeschaafd. Daarna heb ik hem opgevuld met stukken schuimrubber en kleurige lappen en er een aardig dekentje overgelegd dat Edde gekocht heeft. Toen ze weer kon lopen heeft ze zelf kastrandjes van plastic om de randen aangebracht.

Hij ligt nu in zijn wieg te kraaien in een hoek van de kamer, ik kan hem duidelijk horen. Ik moet er nu een mond bijvullen. Ik zal goed voor hem zorgen, even goed als voor Edde.

[pagina 92]

[p. 92]

De rookbom die voor mijn voeten valt pak ik op en gooi ik verder. Of terug, dat kan ik niet zien: ik weet niet waar hij vandaan gekomen is. Stenen suizen over mijn hoofd naar waar de agenten staan. Ineens is het gevecht in alle hevigheid losgebroken.

Met luid sirenegeloei komen de overvalwagens aangereden vanuit de zijstraten waar ze opgesteld hebben gestaan. Ook zijn er weer de agenten met herdershonden, ook wel politiehonden genoemd, wat juister is en de agenten te paard. De laatsten rijden op ons in en delen stokslagen uit, maar wij houden stand. Kameraad Derksen heb ik uit het oog verloren.

Plotseling zie ik de agent die mij de vorige keer op het hoofd heeft geslagen en ik word weer koud van woede. Langzaam schuifel ik in zijn richting. Als ik dicht genoeg bij hem ben pak ik een klinker en richt in mijn gedachten. Gooi. Hij valt neer met een gapende wond in zijn hoofd. Waarschijnlijk is hij dood. Wanneer andere agenten op hem toe rennen duik ik weg tussen de massa.

Even verderop is een groep mannen en jongens bezig een overvalwagen te bestormen. Ik wil mij er heen begeven om aan de aanval deel te nemen maar slaag er niet in. Er zijn er te veel die willen meedoen. Zij trappen en beuken met stenen tegen het metaal tot er grote deuken in komen. Zeer juist. Dan pakken ze de auto aan de onderkant vast en duwen hem om. Twee agenten kruipen eruit als wormen uit een stuk vlees dat wij eens te lang bewaard hebben. Onder de wagen ligt een grote plas benzine; iemand gooit er een brandende lucifer in, waarna de wagen vlam vat. Het is een mooi maar vooral een noodzakelijk gezicht.

Er komen vier overvalwagens aangereden met loeiende sirenes. Agenten springen eruit. Ze zetten de plek af en gooien ieder die ze grijpen kunnen achterin de wagens. Ik betwijfel of dit juist is, want er zijn velen die niet mee hebben gedaan, ik heb dit met eigen ogen gezien. Dan word ik zelf plotseling van achteren vastgegrepen. Ik probeer mij te verzetten, maar tevergeefs, ze zijn met z'n drieën. Ten slotte slepen ze me aan haren en voeten naar de wagen waar ik in word geworpen als een tweedehands stoel. Dit is zeer onrechtvaardig.

Op het politiebureau leg ik uit dat het een vergissing is en dat ik niet heb meegedaan. Ze willen het niet geloven. Ik word kwaad. Als ik zeg dat het zo is dan is het zo, zeg ik, als ik het wel gedaan had zou ik het ook zeggen. Dat zullen we dan eens rustig uitzoeken, zegt de agent die het woord tot mij richt. Hij behoort kennelijk tot de heersende klasse. Het is onrechtvaardig, zeg ik, ik wil naar huis, naar Edde. Ik doe een stap in de richting van de deur. De agent die mij vastpakt bijt ik in de hand. Dan grijpen twee anderen mij beet. Ik trap en sla om mij heen zo hard als ik kan, ik vecht voor mijn vrijheid. Mijn bloed kookt. Ik ben zo kwaad als ik nooit eerder in mijn leven geweest ben, zelfs niet de keer dat kameraad Koolhammer geslagen werd. Ik lijk wel een wildeman.

Ik zit in mijn cel, onschuldig, dat wil zeggen ik word

[pagina 93]

[p. 93]

gevangen gehouden voor iets dat anderen gedaan hebben. Mijn woede is minder geworden, maar ik ben nu zeer treurig. Ik had dit niet verwacht.

Mijn cel heeft vier kale wanden en is heel klein. Je zou er niet met een vrouw en een koter in kunnen wonen. Bovendien is het bed te smal. Ik leef nu ver beneden het minimum waar kameraad Koolhammer het altijd over heeft. Als ik hier ooit uitkom zal ik aan iedereen die het wil horen zeggen dat dergelijke toestanden bestaan.

Het heeft geen zin tegen de deur te trappen en te slaan. Hij is te dik. Ik kan nu beter gaan slapen. Ik hoop dat Edde en Koter veilig thuis zijn en onbereikbaar voor de overmacht. Omdat ik treurig ben heb ik zelfs geen zin mij te bevredigen. Ik zal het opsparen voor Edde. Voor Edde. *einde*

**

Ook nu weer slingerde de heer Van Blomdaele zijn banvloeken tegen de welvaartsstaat, met zijn ‘bespottelijke weekhartigheid, die een koude toeslag toekent aan mensen omdat zij van de winter op straat hebben moeten lopen’, de verzorgingsstaat ‘met zijn sfeer van akelig medelijden, waardoor ons land steeds meer wordt verpest.’

**

De vijfdaagse werkweek en de tien procent loonsverhoging zijn tekenen aan de wand.

Spreker zei misselijk te zijn van het woord ‘progressief’. In deze maatschappij levert nietsdoen hetzelfde op als hard werken. Met behulp van de Sinterklazerij van de sociale maatregelen worden de mensen periodiek zoetgehouden, terwijl de klasse- en standsnaijver groter wordt ....... geen eerbied meer voor het gezag**

**

‘Ik ben voor een verlicht despotisme, met een duidelijke opdracht,’ aldus de heer Van Blomdaele. Het komt hierop neer, dat hij zich als ideaal een sterk vereenvoudigde samenleving voorstelt, waarin iedereen zijn plaats weet.

**

Op een bepaald moment draaide hij zich om en wees op een schilderij dat schuin achter hem tegen de muur hing. Het was een historisch tafereel, voorstellende een man (een koeiendief?) die voor zijn vergrijp op het schavot onthoofd gaat worden. ‘Kijk! Ziet u de uitdrukking van berusting op datgezicht?’ zei hij. ‘Die man wéét dat hij schuldig is en zijn staf verdiend heeft. Dat is eerbied voor het gezag!’

**

*begin* Ik ben vrijgelaten. Mijn onschuld is bewezen. Getuigen hebben verklaard dat ik niet mee heb gedaan. Er is toch nog recht op de wereld. *einde*

[pagina 94]

[p. 94]

Ben Roothaan heeft mij gevraagd mee te gaan naar één van onze partijleden om mijn oordeel te geven of hij misschien geschikt is om in de actiegroep opgenomen te worden; het is volgens hem een potige knaap, primitief maar leergierig en waarschijnlijk betrouwbaar. Hij is een enthousiast bezoeker van de partijvergaderingen, waar ik mij om begrijpelijke redenen zelden laat zien. Hij woont in een armer stadsdeel, niet ver van de wijk waar wij ons in meer dan één opzicht beter gesitueerde huurhuis hebben.

Het is geen typische achterbuurt, al staan hier en daar kleine onbewoonbaar verklaarde éénsgezinswoningen tussen de redelijk bewoonbare meerverdiepingenhuizen waar voornamelijk arbeiders wonen of kleine middenstanders, marktkooplieden, venters, portiers, trambestuurders en de laagste categorie kantoorpersoneel. De meeste woningen en straten hier maken een grauwe indruk hoewel de gevels uit dezelfde steen zijn opgetrokken als bijna alle andere in de stad; maar ook weer niet álle huizen en straten in de wijk maken die indruk, misschien ligt het voornamelijk aan de bouwstijl, de indeling van de gevels of de kleur van de verf op deuren en raamkozijnen, ik weet het niet. Armoedigheid is voor een deel een esthetische zaak, of liever een anti-esthetische.

Voor één van de kleinste huisjes houden wij stil, stappen uit. Het ligt als een onvolgroeide dwerg tussen de veel hogere panden links en rechts, bijna vergeten. Waarschijnlijk is hier vroeger een werkplaats geweest, van een ketellapper bijvoorbeeld, of een fietsenstalling of een opslagplaats van een kachelsmid. Behalve de verveloze deur is er aan de straatzijde alleen maar een klein raam, boven hoofdshoogte, zodat je op een stoel zou moeten klimmen om naar buiten te kunnen kijken. Er moet nauwelijks in te wonen zijn. Naast de deur geen huisnummer - ooit één gehad? -, maar wel een ouderwets emaille bordje onbewoonbaar verklaarde woning dat er waarschijnlijk al tientallen jaren heeft gehangen.

Ik hoop dat we goed zijn, zegt Ben Roothaan. Het lijkt meer een artiestenatelier of een oefenlokaal voor een beatband.

We bellen aan. Onmiddellijk wordt de deur op een kier geopend, een reep gezicht met een oog, daarna wijd. We gaan naar binnen in het halfdonkere halletje waar het stinkt naar vochtige muren en urine.

Dan zie ik wie het is.

*begin* Wij verwachten bezoek. Ik verkeer in grote opwinding. Nu de eerste vriend mijn huis zal betreden moet alles piekfijn in orde zijn. Edde heeft de voorwerpen schoongewreven en de nieuw gekochte kop-en-schotel klaar gezet waaruit kameraad Roothaan straks zijn koffie zal drinken. Ook is er lekkernij in huis. Een nieuwe plant staat op tafel en Koter heeft een nieuw kostuumpje gekregen. Ik heb er een nieuwe overval voor moeten plegen.

Bang dat kameraad Roothaan Edde van mij af zal nemen ben ik niet, ik weet dat hij zelf een vrouw heeft.

Ik overzie de kamer en ben tevreden.

Er wordt gebeld. Ik ren naar de deur en doe open. Even

[pagina 95]

[p. 95]

raak ik in paniek als ik zie dat hij iemand bij zich heeft. Dan herken ik hem. Kom binnen, zeg ik vriendelijk. Dit is kameraad Perdok, zegt kameraad Roothaan. Ik knik. Ik kijk hem aan. Kennen jullie elkaar al, zegt kameraad Roothaan. Van gezicht, zegt kameraad Perdok, van gezicht. We gaan de kamer binnen. Kameraad Roothaan geeft Edde een hand en Koter een vinger. Dat is aardig. Dan kijkt hij om zich heen. Zo, woon je hier, zegt hij verbaasd. Ja, zeg ik trots. Kennelijk heeft hij niet verwacht zoveel voorwerpen aan te treffen. Hij zegt, hebben jullie echt niet meer dan dit ene hol. Is het niet goed, zeg ik. Jawel jawel, zegt hij aarzelend. Ook kameraad Perdok loopt de kamer rond. Verrek, zegt hij, dit kastje ken ik, ik heb het een paar maanden geleden buiten gezet voor de vuilnisman. En dit vaasje en die stoel ook. Hij glimlacht. Dan voel je je hier meteen thuis, zegt kameraad Roothaan lachend. Het is niet te geloven, zegt hij, het is niet te geloven.

Daarna laat ik de kameraden nog een paar voorwerpen zien waarop hun oog nog niet is gevallen. Ik wijs het schilderij aan met de bloem erop, de hamer, de schaaf, een leeg radiokastje met openslaande deuren, het gasstel, een ingewikkeld voorwerp waarvan ik zelf nog niet weet waarvoor het dient, het houten paardje en wat ik nog meer verworven heb. Kameraad Perdok lijkt ontroerd. Misschien heeft hij wel meer herkend dat van hem is geweest en heeft hij nu spijt dat hij het weg heeft gedaan.

Het is een heel bezit, zegt kameraad Roothaan. Zeker, zeg ik, ik heb er heel wat tijd aan besteed om het bijeen te krijgen.

Als ze zijn gaan zitten krijgen de kameraden van de koffie te drinken, met twee lepels suiker per kop en een scheutje moedermelk die Edde vanmorgen uit haar borsten in een kommetje heeft geperst. Alleen het beste is goed genoeg voor kameraad Roothaan en nu ook voor kameraad Perdok. Voor hij drinkt ziet kameraad Roothaan lang in het kopje. Wij kijken toe hoe hij drinkt. Bijna vergeten we hem van de lekkernij aan te bieden. Gekocht, zeg ik. Ja krijgen doen we het nog niet, zegt hij.

Als de koffiekop leeg is leunt kameraad Roothaan achterover in zijn stoel. De stoel begint te kraken. Ik schrik maar er gebeurt niets. Zo, zegt hij, je hebt dus ook een koter. Ja, zeg ik, een echte, van het manlijke geslacht. Hoe heet ie, vraagt hij. Koter, zeg ik, want zo wordt hij genoemd. 't Is niet te geloven, zegt kameraad Perdok terwijl hij opnieuw om zich heen kijkt. Het is zoals ik gedacht heb. Hij zegt: Ik zal toch eens uitkijken of ik voor jullie niet een huis met meer kamers kan vinden, dit is geen doen. Waarom, zeg ik, één is genoeg. Maar Edde zegt: Ik zou er best één of twee kamers bij willen hebben. Zo, denk ik, al haar wensen zijn toch niet vervuld of er zijn ondertussen nieuwe wensen bijgekomen. Ik zal haar weer in het oog moeten houden en als het nodig is opnieuw vastbinden. Misschien moet ik het zelfs met Koter doen als hij wat ouder is, ik weet niet hoe anderen dat doen.

Edde zegt: Als er een tweede koter bijkomt is het helemaal te klein. Een tweede koter, vraag ik, ten zeerste verbaasd. De kameraden en Edde lachen. Nee, zegt ze, nu nog niet, ik zei als. Ik begrijp het, ze bedoelt: eerst moet de

[pagina 96]

[p. 96]

voorwaarde vervuld worden. Ik maak nu een grapje. Ik zeg tegen Edde: Pas maar op, anders pak ik ergens een baby weg en stop die in je buik als je slaapt, of twee baby's tegelijk. We moeten er allemaal om lachen. Edde giert van de pret. Koter ligt in zijn krib te kirren. Het wordt een vrolijke middag.

Je bent een gelukkig mens, zegt kameraad Roothaan. Dat ben ik, zeg ik, en Edde ook. Edde knikt. Ik zie het, zegt hij.

Eigenlijk zijn ook de baby's ongelijk verdeeld, formuleer ik, kunnen we daar ook niet een programmapunt van maken? Wat mij betreft wel, zegt kameraad Roothaan, en dan niet meer dan ieder twee, maar dat krijg je er zelfs bij ons niet door. Kameraad Perdok kijkt een beetje zuur, hij blijkt er drie te hebben, dus één te veel. Toch is het een goed idee, dat ik zal onthouden en misschien wel toepassen. Wie dit doet draagt bij tot een redelijke verdeling van de samenleving. Hierna gaan we over politiek praten, waarvoor ze gekomen zijn. Edde verlaat zoals afgesproken de kamer om boodschappen te gaan doen. *einde*

Schweizer ging in het rijtuig zitten en deelde om even na negenen de bommen uit op de afgesproken plaatsen. De grootste, een twaalf ponder, was voor Sasonow. Hij had een cilindrische vorm en was in papier gewikkeld dat met een touwtje was dichtgebonden. De bom voor Kaljajew was in een doek gewikkeld. Kaljajew en Sasonow stopten hun bommen niet weg, maar droegen ze voor ieder zichtbaar met zich mee. Borischanski en Sikorski verstopten hun bommen onder hun pelerines.

Ik draaide me om in de richting van Sadowaja en liep langs het Wosnessenski-Prospekt naar het Ismailow-Prospekt met het doel de bommenwerpers op het stuk tussen de Eerste Compagnie en het Obwodny-kanaal te treffen. Het was op straat al duidelijk te merken dat Plehwe dadelijk voorbij zou komen. De politie-officieren en agenten maakten een gespannen en opgewonden indruk. Hier en daar stonden politiespionnen op de hoeken van de straten. Toen ik bij de Zevende Compagnie van het Ismailow-regiment kwam, zag ik dat de agent op de hoek in de houding stond. Op dat moment ontdekte ik Sasonow op de brug over het Obwodny-kanaal. Hij liep nog steeds met opgeheven hoofd, de bom onder de arm. Vlak achter me hoorde ik een scherpe draf en het rijtuig met de zwarte paarden ervoor suisde voorbij. Op de bok zat geen lakei, maar naast het linkerachterwiel reed een politiespion op een fiets

**

Plotseling klonk tussen het eentonige lawaai van de straat een opvallend zwaar en ongewoon geluid, alsof iemand met een gietijzeren hamer op een gietijzeren plaat had geslagen. Op hetzelfde moment rinkelden klaaglijk de gesprongen vensterruiten. Ik zag hoe in een smalle werveling een grauwgele, aan de randen bijna zwarte rookzuil van de grond opsteeg. De zuil werd hoe langer hoe breder en vulde ter hoogte van de vijfde étage de hele straat. Hij loste even snel op als hij ontstaan was

Toen ik op de plaats van de explosie kwam was de rook al opgetrokken. Er hing een lucht of er iets aangebrand was. Vlak voor me, op ongeveer vier pas afstand van het trottoir, zag ik

[pagina 97]

[p. 97]

Sasonow op de stoffige rijweg liggen. Hij lag gedeeltelijk op de grond en steunde met zijn linkerhand op de straatstenen, zijn hoofd naar rechts gedraaid. Zijn muts was van zijn hoofd gevallen en zijn donkerbruine lokken hingen over zijn voorhoofd. Zijn gezicht was bleek, over voorhoofd en wangen liepen straaltjes bloed. Zijn ogen stonden troebel en waren half gesloten. Onder aan zijn buik verscheen een donkere bloedvlek die zich verspreidde en een grote rode plas bij zijn benen vormde.

Ik boog me over hem heen en keek lang naar zijn gezicht.

*begin* Vandaag zal beslist worden wat Koter later zal worden. Zo gebeurde het vroeger bij Eddes grootvader en zo wil ze dat het nu gebeurt met haar en mijn zoon. Ze heeft een gebruik dat verloren is gedaan opnieuw tot leven gewekt.

Een groot aantal voorwerpen ligt op de vloer uitgestald. Een timmermanshamer, een schilderskwast, een troffel, een schoenleest, een zandschepje, een elektriciteitslampje, een boek, een zilveren gulden, een bloem (een roos), een scheerkwast en nog vele andere voorwerpen. Het ding waar Koter naartoe zal kruipen en vastpakken stelt het beroep voor dat hij later zal worden. Timmerman, schilder, metselaar, schoenmaker, landarbeider, enzovoort. Helaas heb ik niet alle voorwerpen kunnen vinden of kopen, zodat hij bepaalde beroepen niet zal kunnen uitoefenen. Er blijven er echter genoeg over.

Edde zet Koter op de vloer. Kraaiend kruipt hij op de voorwerpen af. Wij verkeren in grote spanning. Eerst steekt hij zijn handje uit naar de scheerkwast. Edde slaakt een klein gilletje, ze wil niet dat hij kapper wordt. Dan bedenkt Koter zich. Hij trekt zijn handje terug en kruipt naar de troffel die vlakbij ligt. Of wordt het 't boek? Maar opeens ziet hij de glimmende zilveren gulden. Hij kirt, pakt de munt en steekt hem in zijn mond. Edde springt op hem toe. Ik lach, ik koester grote verwachtingen van hem. *einde*

Vanuit de garage leidt een gang via een geheime deur direct naar het ondergrondse complex; de deur die gepantserd is kan alleen geopend worden wanneer een speciaal bewerkte, in de garage verborgen beitel in één van de vele muurspleten gestoken wordt; de enige andere mogelijkheid is dynamiteren en dan zou je nog de precieze plaats moeten weten om de lading te leggen. In de gang zijn verder nog twee stalen veiligheidsdeuren aangebracht, terwijl een tweede ondergrondse gang vanuit de andere zijde van het complex naar een enkele honderden meters verderop in het bos gelegen tuinhuis voert dat door de vorige bewoners van de villa als werkhok of studeerkamer werd gebruikt. Voor kameraad Roothaan en mij is dit de eerste kennismaking met het hoofdkwartier. Kameraad Noordhof, professor in de elektronica in Delft en eigenaar/bewoner van het huis, leidt ons rond. Als de laatste veiligheidsdeur geruisloos achter ons gesloten is staan wij in de volmaakte stilte van het onderaardse konijnenhol. Een kamer vol testapparatuur, een stalen ligbank met rubberbed, een

[pagina 98]

[p. 98]

projectie-apparaat, een beeldscherm, bandopnameapparaten, microfoons, stoelen, waaronder één die eruitziet als een moderne tandarts-ligstoel, enzovoort. Er wordt ons gedetailleerd uitgelegd waar ieder onderdeel voor dient, hoewel wij geen van de toestellen en apparaten zelf zullen bedienen, dit zal aan specialisten overgelaten worden.

Het woon- en slaapappartement, eenvoudig ingericht maar goed genoeg voor een langer verblijf. Bed, tafel, stoelen, een radioluidspreker, een tv-scherm zonder regelknoppen, een boekenplank waarop de werken die hij lezen moet. Ik loop de titels na die door ons gezamenlijk zijn uitgekozen. (Ik ken ze alle, dat wil zegen de titels, een deel van de boeken heb ik zelf nooit in handen gehad.) Op de tafel, karakteristiek detail van kameraad Joke Fahrenfort, een vaas met plastic bloemen; op het kleine schrijfbureau een lijstje met reeds een foto van zijn vrouw en kinderen erin. Niets menselijks is ons vreemd.

In een uitbouw in de hoek een kleine, halfopen keuken waarin hij zijn eigen eten klaar kan maken; achter een tegenover de keuken liggende deur de toiletruimte met wastafel, douche - hoewel veel huizen in Nederland nog geen douche hebben -, wc met waterspoeling. Kameraad Noordhof wijst ons op de talloze verborgen en zichtbare microfoons, de filmlenzen en kijkopeningen die op de onwaarschijnlijkste plaatsen zijn aangebracht, zowel in de woonkamer, keuken als toilet en die hem vanuit iedere denkbare hoek dag en nacht in het oog zullen houden, beluisteren, bespieden: van het krabben op zijn hoofd en het peuteren tussen zijn tanden tot de minste zucht tijdens zijn slaap; bij het lezen en tijdens het urineren; van woedeuitbarsting tot eventuele zelfmoordpoging, waar overigens niemand van ons in gelooft omdat niets in zijn psychogram erop wijst.

Een derde deur ten slotte geeft toegang tot wat eruitziet als een klein marktplein voor zeer grote kinderen of een enorm uitgedijd poppenhuis. Op kameraad Roothaan en mij heeft dit alles een sterk humoristische uitwerking en we moeten beiden lachen; kameraad Noordhof glimlacht, hij heeft deze reactie vaker meegemaakt. In het rond zijn een aantal primitieve winkeltjes gebouwd met een raam van gepantserd glas waarachter de waren zijn uitgestald en een afsluitbaar luik waardoor ze hem toegeschoven kunnen worden; naast ieder luik een belknop die gaat rinkelen als je erop drukt. Zo is er een bakkerswinkeltje, een kruidenierswinkel met conserven en zuivelproducten, een kleding- en schoenenwinkel, een drankzaak, een groente- en fruitwinkel waar naast ingeblikt fruit wat verse waar zal komen te liggen en ten slotte een speciale delicatessenzaak die overigens meer symbolisch bedoeld is omdat hij zich van zijn bijstand niets extra's zal kunnen permitteren. Maar ieder mens heeft nu eenmaal het recht om te kiezen, ook uit het onmogelijke; alleen zal hij er wel rekening mee moeten houden dat hij rondkomt met zijn geld - of niet; als hij de eerste de beste dag whisky koopt moet hij een deel van de maand honger lijden. Een aanzienlijk deel van wat hier uitgestald staat zal hij trouwens nooit kunnen kopen, evenmin als andere mensen in de maatschappij die alleen van de bijstand moeten rondkomen. Het zal hem aardig tegenvallen. Hooguit krijgt hij een ‘eenmalige uitkering’ als hij die

[pagina 99]

[p. 99]

aanvraagt en een overzicht opstelt van al zijn uitgaven, nadat de huur die wij hem in rekening brengen van het basisbedrag is afgetrokken.

Pas nú word ik me bewust dat er zo nu en dan stadsgeluiden door de wanden heendringen en dat de zoldering soms licht trilt onder wat klinkt als het gedreun van een zware vrachtwagen, een tram. Zwak autogetoeter, de gedempte signalen van een rondvaartboot, het verre getinkel van een carillon. Bij het binnenkomen heeft kameraad Noordhof door een druk op de knop de geluidsband en trillingsapparatuur in werking gesteld. Het effect is verrassend. Hij zal denken dat hij in de kelder van een grachtenhuis in Amsterdam zit opgesloten in plaats van onder een eenzame villa op de Veluwe.

Het is zover. Iedereen heeft gewoon in de plaatselijke krant kunnen lezen wanneer hij weer een van zijn bekende turbulente raadsvergaderingen leidt. Zijn gewoontes zijn bestudeerd, de toegangs- en vluchtroutes nauwkeurig verkend. Wekenlang hebben leden van onze groep het provinciestadje doorkruist, vermomd als toeristen, hem gevolgd, te voet en op de fiets, met een verborgen camera filmopnamen gemaakt, van hem en zijn gezin, zijn huis, zelfs van een voor het publiek toegankelijke raadsvergadering, enzovoort, waarna het materiaal door ons werd geanalyseerd. (Na langdurige discussies is de keuze ten slotte op hem gevallen: Govaert Kasper Folkert Ridder Van Blomdaele, nationaal symbool van alles wat star conservatief, autocratisch, paternalistisch, slaafs-koningsgezind, anti-socialistisch en pro-apartheid is, om maar enkele dingen te noemen. Bovendien kan hij uitstekend als proefpersoon dienen voor groter en invloedrijker wild dat na hem aan de beurt komt; de huidige minister-president bijvoorbeeld, corrupte officieren van justitie en enkele asociale grootindustriëlen. Na doorgelicht te zijn, ontleed, geanalyseerd en misschien enigszins veranderd, al gelooft niemand van ons daarin, zal hij worden vrijgelaten: zijn ervaringen een waarschuwing voor anderen. De volgenden zullen alleen hun vrijheid herkrijgen als ze hun opvattingen wijzigen en zich bereid verklaren bepaalde politieke en sociale veranderingen door te voeren, dan wel beloven zich terug te trekken uit de politiek; het niet inlossen van hun beloftes, zoals zo vaak gebeurt, zal worden gestraft met publicatie van het analytisch materiaal en de testresultaten.)

In het donker staan onze twee auto's te wachten tot hij huiswaarts keert, de kameraden bevinden zich op hun plattegrondskruisjes op de hoek van de laan of in de schaduwen van de struiktekeningen. Weinig voetgangers in deze villawijk; in de woonkamers met de altijd open gordijnen de flitsende televisieschermen vol onwerkelijkheid, halfwerkelijkheid, beweging; eromheen de roerloze kijkers, bereid de opgediende beelden in te zuigen, op te zuigen: morgen zal onze ingreep in de werkelijkheid zich via hun schermen kenbaar maken. Een schok. De overval heeft zich onder hun staarblinde televisieogen afgespeeld: ze hadden slechts over hun schouders hoeven te kijken. Maar nee-

De actie zelf is weer nauwelijks meer dan

[pagina 100]

[p. 100]

kinderspel, te eenvoudig, bijna onwerkelijk want ongeloofwaardig: een (televisie)droom. Van Blomdaeles auto die aan komt rijden voor zijn huis. Kameraad Oegema trekt op in zijn Ford coupé. Wij lopen kalm op hem toe, eenvoudige voetgangers. Als hij zijn autosleuteltje in het slot steekt duw ik een lap met chloroform voor zijn mond terwijl kameraad Roothaan hem aan zijn armen vasthoudt. Ik voel zijn lichaam slap worden, vang hem op voor hij valt; met zijn drieën leggen we hem op de achterbank van de auto. Dan: wegrijden / de laan uit / de weilanden in.

Het is een donkere maanloze na-avond, het landschap nauwelijks zichtbaar. De bomen langs de weg, telefoonpalen, oplichtend in het schijnsel van de koplampen. Verlichte vensters, een benzinestation. Voortdurend achterom kijkend of we gevolgd worden. Ridder Van Blomdaele diep in slaap als een mensgrote pop op de achterbank; zijn hoofd wiebelt alsof het los op zijn lichaam zit.

Ik voel me 10 jaar jonger, of 20 jaar ouder. Vreemde gedachte. Waarom denk ik dit? Eigenlijk lijkt iedere voorgaande actie een droom, niet gebeurd; pas de herinnering zal hem werkelijk maken, althans werkelijker dan op het moment zelf beleefd is, ik heb vaker dit gevoel gehad en niet alleen met eigen ervaringen. Gotz, Michail Rafailowitsch Gotz / nadat ik over Trondheim, Christiania en Antwerpen naar Genève was gereisd. Een kleine, magere gestalte met een bleek gezicht en een zwarte kroesbaard. Hij kijkt mij onderzoekend aan met zijn vurige, levendige jongelingsogen.

‘U wilt deelnemen aan de terreur?’

‘Ja.’

‘Alleen aan de terreur?’

‘Ja.’

‘Waarom niet aan het algemene partijwerk?’

‘Ik zeg hem dat ik de terreur van beslissende betekenis acht voor-

/ De auto stopt. We zijn nu even buiten M., waar een bosrijk gebied begint. In een zijweg staan twee nieuwe auto's voor ons gereed, op de andere, die door twee kameraden teruggereden zullen worden, worden de nummerplaten verwisseld voor 't geval toch een televisiekijker een verveelde blik over zijn schouder heeft geworpen. Nadat we Van Blomdaele overgeheveld hebben rijden we verder. Ik houd opnieuw een doek met chloroform voor zijn neus. / Nog steeds geen achtervolgers: de werkelijkheid van het televisiescherm is interessanter; misschien mist zijn vrouw hem nog in geen uren.

Liggend op de stalen onderzoekstafel komt hij bij, gehuld (waarom niet) in zijn oude identiteit: de verongelijkte notabeltrek om zijn mond, bijna historisch al, en tegelijk wat boers, een lichtelijk cynische blik die daarnaast iets van een terriër heeft: zijn liberale rechten en voorrechten waaraan hij tot zijn doodssnik zal vasthouden en waarvan hij meent dat ze democratisch zijn omdát ze er zijn, als eenmaal geschapen feiten... Kijkt verbaasd maar niet geschrokken rond. Wat heeft dit te betekenen? (Hoe naakt en gestript zal hij uit het onderzoek tevoorschijn komen.)

Met z'n achten staan we om hem heen, maskers

[pagina 101]

[p. 101]

voor, een kiezelsteentje of pepermuntje in de mond om de klank van onze woorden te vervormen; voor hem moeten we iets robotachtigs hebben, bedenk ik.

Kameraad x (Lelyveld) die de leiding heeft legt het hem uit (hij vertrekt geen spier), leest hem het psychogram voor dat door onze psychologen is opgesteld om zijn reacties te kunnen voorzien, hoe hij zich zal gedragen, enzovoort (idem, hij is het gewend iets dergelijks in de weekbladpers te lezen) ... symbool van alles wat wij verwerpelijk vinden ... (Hij kan er inkomen maar vindt ons nog verwerpelijker) ... zal van u afhangen hoe lang u hier moet verblijven, naar schatting tussen de drie en zes maanden, dus stelt u zich hier maar op in ... een soort hersenspoeling, ja, zoals u wilt, maar nauwelijks méér dan waar de meeste mensen in de maatschappij aan blootgesteld zijn ... iets verder doorgevoerd misschien omdat u volgens uw karakter en opvattingen zélf een sterker dwang wilt uitoefenen ... Een diepgaand onderzoek zal worden ingesteld naar achtergronden en karakterstructuur die u hebben voorbestemd de potentaat te zijn die u bent, doorlichting van uw principes en de consequenties daarvan, aan de lijve ondervonden, confrontatie met uzelf, zodat u zichzelf beter kunt leren kennen, ook in uw meest intieme verrichtingen. Op een plank in het woonvertrek vindt u een stapel boeken, ze bevatten een groot aantal feiten over sociaal onrecht, onderdrukking, geestelijke en lichamelijke mishandelingen, bewust gehandhaafde ongelijkheid, enzovoort. Na lezing verwachten wij uw analyse van de feiten; boek voor boek: of u ervan op de hoogte was en de eventuele redenen waarom u de bestaande situaties verdedigt, dan wel waarom u zich schaart aan de zijde van hen die onrecht, ongelijkheid, onderdrukking wensen te handhaven. Wij zullen u niet dwingen onze zienswijze te accepteren, zoiets is trouwens onmogelijk wanneer de feiten niet voor zichzelf spreken, maar wel zult u in de toekomst niet meer kunnen zeggen: Ik heb het niet geweten.

- En als ik weiger te lezen.

- Dan zullen wij u ertoe dwingen. Op zichzelf is dit trouwens al een symptoom. Wij zullen u net zo lang gevangen houden in onze kleine armoedige verzorgingsmaatschappij tot u er genoeg van krijgt of uit verveling naar de boeken grijpt. Wij zijn tenslotte in de eerste plaats geïnteresseerd in de symptomen, in u als exemplarische proefpersoon, hoe u geconditioneerd bent. Pas als we over meer ervaringsmateriaal beschikken kunnen we proberen uit te vinden hoe we dit soort conditioneringen kunnen doorbreken en mensen als u deconditioneren. Om dezelfde redenen zult u zich aan honderden tests moeten onderwerpen, lichamelijk, psychisch, mentaal ... uw intelligentie, uw woordkennis, affectbindingen, associatief vermogen, gedragsreacties zullen worden onderzocht, kortom alles wat ons inzicht kan verschaffen in het soort mens dat u bent, of zoals de Amerikanen zeggen, what makes him tick...

Mocht er iets aan uw geestelijke vermogens ontbreken of wanneer blijkt dat u gehandicapt bent door het een of ander fysiologisch, affectief of mentaal gebrek, dan zullen wij u proberen te helpen; in dat geval hebt u van het gedwongen onderzoek alleen maar profijt gehad.

Hij hield zijn hoofd schuin, luisterend naar de weinige geluiden die op dit avonduur door de wanden, de zoldering heen

[pagina 102]

[p. 102]

kwamen, het snerpen van een tram, het gedender van een vrachtwagen, en men zag hem denken-

De illusie dat u kunt ontvluchten moeten wij u helaas ontnemen; zoals u in de komende dagen zult ontdekken bent u machteloos, net als de meeste mensen in de maatschappij. U kunt in hongerstaking gaan, iets wat volgens het psychogram overigens niet in uw aard ligt, of zelfmoord trachten te plegen, maar ook dat zal u niet vrijstaan te doen, u wordt dag en nacht geobserveerd. Wij zullen u in piekfijne conditie aan de maatschappij afleveren, misschien zelfs als een beter mens, - inderdaad, desnoods tegen uw zin, zoals u wilt ... Ook dit is ... Ja vloekt u maar, het zal niet tegen u gehouden worden.

Hij overhandigde hem het geld. Hier is uw eerste uitkering, u zult ervan moeten rondkomen evenals zoveel anderen binnen de maatschappelijke ongelijkheid die u wenst gehandhaafd te zien. Deze eerste keer krijgt u het nog, de volgende keren zult u het aan een van de loketten moeten gaan afhalen. De huur voor uw appartement, die betrekkelijk laag is, hebben wij reeds afgetrokken, evenals het abonnement op uw dagblad dat u iedere morgen in uw bus zult vinden, of liever de helft van het abonnementsgeld omdat u om economische redenen de krant met iemand samen leest; om de maand zult u hem daarom een halve dag later ontvangen, in gekreukelde vorm. Het zal een hele opgave zijn van het geld rond te komen maar als u ons aan het eind van de maand uw huishoudboekje overlegt zullen wij nagaan of er mogelijkheden zijn voor de een of andere toeslag, een sociaal werkster zal u hierbij behulpzaam zijn.

En nu zal ik u naar uw woonvertrek begeleiden, u mag blij zijn dat wij nog zo'n goedkope woongelegenheid voor u hebben gevonden, gezien de enorme woningnood die hier vijfentwintig jaar na de laatste oorlog nog heerst. Huurcompensatie is er om die reden dan ook niet bij.

*begin* Ons nieuwe huis heeft drie kamers. Twee grote en een kleine. De kleine is voor Koter als hij groot is. De kamer waar wij in wonen heeft een groot raam dat bijna tot de vloer reikt, zodat we niet op een stoel hoeven te klimmen om naar buiten te kijken. Door het raam valt veel licht. Edde heeft er een doek voor gespannen met een paar kleine kijkgaten erin die ons in staat stellen te zien hoe het weer is, dan wel of er een hond voor de deur zit of wie op de bel heeft gedrukt. Dit is zeer praktisch.

In de kamer staan de voorwerpen die wij hebben meegenomen uit ons oude huis. Niet alle. Sommige heb ik achtergelaten, andere zijn ons geschonken door kameraad Perdok uit zijn persoonlijke bezit. De resterende lege plekken zal ik zelf moeten opvullen, wat mij zeker zal lukken. Alles moet klaar zijn vóór kameraad Perdok op bezoek komt. Ik zal spoedig een grote slag moeten slaan, dat wil zeggen een veel grotere dan tot nu toe, of ik zal moeten gaan werken. Het komt mij heel grappig voor als ik dit denk, maar één dezer dagen zal ik moeten beslissen. Drie kamers vereisen nu eenmaal drie maal zoveel interieur als één kamer.

[pagina 103]

[p. 103]

Ik loop door mijn huis. Het klinkt nog hol. Ook de achterkamer heeft een groot raam. Het ziet uit op een kleine tuin waarin zeer fraai groen gras groeit. Achter in de tuin staat de schuur. In tegenstelling tot het huis dat leeg was toen wij kwamen stond de schuur vol rotzooi. Er waren maar weinig bruikbare voorwerpen bij, alleen een soort fiets op een standaard met één klein wiel. Daar kan Koter later mooi op oefenen om het fietsen te leren; hij kan dan niet omvallen en zich bezeren. Zodra hij het evenwicht aangeleerd heeft krijgt hij een echte.

Vanachter de ene wand en vanboven komen de geluiden van onze buren. Geschraap in een pan, een zware stem, kindergeschreeuw, het doortrekken van een toilet, voetstappen. Het is aardig om naar te luisteren. Hopelijk vinden ze het ook leuk om naar ons te luisteren, ik zal voortaan een beetje harder praten.

In de woonkamer heeft Edde de nog zeer goede radio aangezet die een geschenk is van de kameraden. Koter kruipt over de vloer en slaat met een stuk speelgoed tegen de muur. Zeer aardig. Dit herinnert mij eraan dat er spoedig een tweede koter moet komen voor de kamer die leegstaat. Als Edde geen haast maakt zal ik er zelf een wegnemen, zo mogelijk van het vrouwelijke geslacht. Ik heb al een vrouw op het oog die er vier heeft, dus twee te veel.

Ik ga zitten in mijn nieuwe gemakkelijke stoel en neem Koter op mij knie. Ik speel met hem. Daarna laat ik hem door een gaatje in het gordijn naar buiten kijken. Hij kraait van plezier om wat hij ziet.

Vanachter de ene muur wordt heftig geklopt. Het zijn de buren naast ons. Ze willen zeker contact zoeken. Ik klop terug ten teken dat ik hen gehoord heb. *einde*

De testapparatuur, blinkende verchroomde dozen met ronde controleruitjes, draden, grafiekpapier, een onzichtbaar bibberende naald, tafeltjes overladen met medische instrumenten, kleine intellectualistische slagersmesjes. Eerst de medische tests. (Op film.) Wilt u zich uitkleden.

/ Naakt? Waar iedereen bijstaat? Nee nee ... / Stoort u zich niet aan haar (wijzen), zij is gediplomeerd verpleegster. / Nee, u kunt niet alles met me doen wat u maar wilt, dit is vernederend. / Miljoenen mensen worden dagelijks vernederd, door u of uw soortgenoten en nog wel op een heel andere manier ... moet niet zo bang zijn voor naakt ... maakt u misschien wat ontvankelijker voor ... (Kameraad Niemeijer) / Hij is zich iedere seconde van zijn bestaan hier bewust van de cameralenzen, de microfoon, werpt zonder het bewust te willen schichtige blikken naar waar hij er één ziet of vermoedt, kijkt even pal in een lens. / Nee.

Twee in witte jassen gestoken laboranten lopen op hem toe, houden hem vast terwijl een derde met een mes zijn kleren opensnijdt waar hij als een reusachtige witte rups uit tevoorschijn komt. Terwijl hij zich schuimbekkend verweert probeert hij één van de laboranten het masker af te rukken, het gezicht van zijn belager te zien, maar men is er op verdacht en de maskers zitten als vastgeplakt. / Wij zullen u

[pagina 104]

[p. 104]

straks een extra creditbon geven voor een nieuw kostuum dat u kunt kopen op het consumentenplein, maar dit is de laatste maal; als iets dergelijks weer plaatsvindt moet u het zelf betalen of naakt blijven rondlopen. Het kostuum is helaas niet van die kwaliteit die u gewend bent, maar zelfs met extra kleedgeld kan men geen Bondstreet-pak verwachten.

Hij wordt naar de onderzoektafel geleid, mét het donkere streepjespak volledig beroofd van zijn identiteit of van iets waarvan hij dacht dat het zijn identiteit was / de inwitte kippevelachtige benen met de knotsvormige kuiten en het korte stekelhaar, naakter dan enig ander lichaamsdeel inclusief de buik en de billen / de wat gorilla-achtig groot lijkende borst met de bijna telbare ribben, de brede schouders, de lichtelijk rondende buik met het behoorlijk ontwikkelde geslacht eronder, daar ligt het niet aan / de voeten aan de iets te smalle enkels als een soort zwemvliezen maar dan niet van vogels maar van kikvorsmannen, en korter natuurlijk // de mens // ten slotte het hoofd, wat donkerder gekleurd, dat er absoluut niet bijhoort, bij de rest van het lichaam en het meest onmenselijke deel ervan (dat is het probleem misschien of een onderdeel ervan ... noteren, noteren ...).

Uitgestrekt op de onderzoektafel nu ... aan zijn polsen worden draden bevestigd, een stalen kap met draden op zijn hoofd, draden om zijn dij .. Machteld x (verpleegster) geeft hem een glas water waarom hij vraagt ... hij drinkt ...

*begin* Vandaag met mijn ene oog twee auto's gezien, het andere had ik dichtgeknepen omdat er een stofje in zat. Vraag: Als ik op dat moment mijn andere oog ook open gehad zou hebben had ik dan eveneens twee auto's gezien? Tweede vraag: Indien ja, waren het dezelfde auto's? Derde vraag: Op welke wijze kan ik zowel het een als het ander controleren?

Deze vragen houden mij bezig terwijl ik Koter vasthoudt en Edde de etenswaren kookt. Het is boeiend erover na te denken, alhoewel de antwoorden mij minder interesseren dan de vragen.

De laatste tijd verschijnen de wonderlijkste dingen in mijn hoofd. Het is zeer verwarrend. Ik kom uit een kantoor met een leren tas onder mijn arm. Ik draag een duur pak dat nergens versteld is en glimmende schoenen en een zonnebril. Of ik neem plaats achter het stuur van een auto terwijl ik niet eens kan fietsen laat staan autorijden. Ik steek een sigaret op, ik groet iemand die ik niet ken. Ik lach naar een vreemde vrouw. Ik vul papieren in en schrijf.

Misschien, denk ik, ben ik wel een copywriter aan het worden of een public relations officer. Ik weet niet wat deze woorden betekenen die in mijn hoofd opkomen, maar ik heb een voorgevoel dat ik het spoedig zal weten. Dit vervult mij met grote verwachting. *einde*

**

Rangschik de volgende bezigheden volgens uw voorkeur:

[pagina 105]

[p. 105]

a.misdadigers opsporen.
b.directeur van een gevangenis zijn.
c.een studie maken over het gevoelsleven van misdadigers.

**

_____________staat tot nu als nergens staat tot_____________

1.later2.nooit3.hier4.ieder
A.hierB.daarC.overalD.geen

**

Met welke mensen gaat u het liefste om als u moest kiezen:

a. mensen met gouden tandena. blinden
b. mensen met vooruitstekende kakenb. kreupelen
c. mensen met haviksneuzenc. doofstommen

**

Een trein is moeilijker te stoppen dan een auto omdat :

....... hij langer is
....... hij zwaarder is
....... de remmen niet zo goed zijn

**

(If a killer is hung for the wrong killing, who's wrong? - Micky Spillane)

Een man wordt ten onrechte aangeklaagd voor moord. Tevoren heeft hij echter wel een moord begaan die nooit aan het licht is gekomen. De man wordt door de rechter voor de tweede dus foute moord ter dood veroordeeld.

a.Vindt u dat de rechter een groot onrecht heeft begaan en daarvoor streng dient gestraft te worden?
b.Vindt u dat de veroordeelde het vonnis heeft verdiend?

**

Wat verkiest u:

0Met dingen omgaan
0Werk dat u interesseert met een bescheiden inkomen
0In een groot bedrijf werken met een geringe kans om vóór uw 55ste jaar directeur te worden
0Artikelen verkopen die 10% goedkoper zijn dan bij de concurrent
0Met mensen omgaan
0Werk dat u interesseert met een hoog inkomen
0Als zelfstandige werken in een klein bedrijf
0Artikelen verkopen die 10% duurder zijn dan bij de concurrent

**

**

Hoe waardeert u de volgende mensen? Onderstreep uw voorkeur:

Slordig geklede mensenPositief/Negatief
Mensen die niet in de evolutie gelovenPositief/Negatief
Mensen die geboren leiders zijnPositief/Negatief

**

Mannen die tabak pruimenPositief/Negatief
Mannen die parfum gebruikenPositief/Negatief
Mannen die kauwgom kauwenPositief/Negatief

**

**

Welk dier had u het liefst geweest willen zijn als u geen mens was geweest?

**

**

[pagina 106]

[p. 106]

... hij loopt wat verbijsterd rond in het vertrek, droom met hoog werkelijkheidsgehalte, te hoog ... strijkt zich over zijn wang, zijn markante vierkante kin ... een zwak grommend geluid ... niet te ge ... inspecteert de kamer, let niet op de cameralenzen, zoekt wel naar een kijkgat dat hij niet vindt .. gromt weer ... neemt de portretlijstjes op met de foto's van zijn vrouw en kinderen ... de schoften, hoe zijn ze eraan gekomen ... / opent de deur naar het toilet (de lens in hettoilet neemt over), de douche, wast zijn handen, duwt de deur hard achter zich dicht, gaat gekleed op het bed liggen: denken ... (De lens vlak boven hem) ... maakt kauwbewegingen, zuigt de rechtermondhoek naar binnen, krabt aan zijn gulp ...

Volgende sequentie, 36 minuten later (de tijd exact aangegeven op het scherm) ... hij gaat weer naar de badkamer, stelt zich op voor de toiletpot, maakt de ritssluiting van zijn broek open, duwt broek en onderbroek omlaag, het hemd op ... (De lenzen ter hoogte van zijn zitvlak nemen over, eerst snel achter, dan voor) ... zijn witte enigszins behaarde billen, zijn geslacht als een sterk vergrote alikruik genesteld in het schaamhaar ... gaat zitten, knort, gromt, perst, drukt op zijn buik ...

Hij is geschokt, diep vernederd; daar ik naast hem zit durf ik alleen zo nu en dan een blik op hem te werpen. Vind het zelf uiterst gênant achter mijn masker, maar onze psychologen laten hem geen moment met hun oogopeningen los, ze hebben de film al een paar maal gezien; ook de stoel waarop hij zit, de armleuningen, de rug is voorzien van ingebouwde apparatuur die zijn reacties registreren terwijl twee lenzen in de kamerhoeken tegenover ons zijn wisselende gelaatsreacties vastleggen van zijn eerste minutieuze confrontatie met zichzelf, waarbij mogelijk voor hemzelf onbekende, onontdekte aspecten naar voren komen; het gezicht is grotendeels zichtbaar in het licht dat van het scherm straalt.

Hij vloekt hartgrondig ... een godvergeten schande ... Dit is mensonterend ... Hij wil opspringen maar vier armen grijpen hem vast, drukken hem terug in de stoel.

- Ik weiger langer te kijken zegt hij. - Het spijt ons, in dat geval zullen we de film blijven draaien tot u ... Zonodig wordt u aan de stoel vastgebonden (Kameraad Lelyveld). Hij leunt verslagen achterover en ik krijg bijna medelijden met hem ... hetzelfde gegrom als op de geluidsband, maar hij kijkt toch, kan het niet laten, wil gewaarschuwd zijn voor de toekomst. Het is fascinerend en ontluisterend tegelijk: een mens zo volledig blootgesteld te zien aan de blikken van anderen: dit is het altijd; de meest eenvoudige handelingen zijn het meest gênant; als een mens helemaal niets doet is hij op z'n kwetsbaarst, hulpeloos als een softenonbaby /-/ het onophoudelijk trekken van zijn gelaatsspieren, de nooit stilstaande ogen, het verschietende oogwit, zijn handen.

Kameraad x, filmer, die het materiaal heeft gecut heeft vakwerk verricht, de losse beelden vanuit tientallen gezichtshoeken zijn op zichzelf al imponerend. De jongen had er godbetert nog iets meer van willen maken, een soort

[pagina 107]

[p. 107]

artistiek werkstuk, door de sequenties te mixen, de chronologie der handelingen op te heffen, hij kan het blijkbaar niet laten. Gelukkig is het hem met eenparigheid van stemmen verboden. O, de artiesten onder ons.

... de nachtgeluiden in zijn slaap, het omdraaien en op zijn horloge kijken. Ochtend. De daglamp achter het gordijn van het in de muur aangebrachte venster. Hij geeuwt. Staat op, nog steeds gekleed: uitkleden is zich bij de toestand neerleggen. Poetst toch maar zijn tanden ... blik schuin in de mond: de lichtelijk beslagen tong ... Gulp open, urineren ... een sissend spetterend geluid dat hem beschamender voor moet komen want kinderlijker, infantieler dan het gezicht van zijn volkslid ... het lid op en neer zwaaien opdat de laatste druppels ... Hij kreunt naast mij.

Nieuwe sequentie. Hij heeft blijkbaar honger gekregen of is nieuwsgierig, opent de deur naar het marktplein. Voor 't eerst een geamuseerde trek op zijn gezicht. Loopt wat rond en bekijkt de etalages van de winkeltjes, klopt tegen het hout, waarschijnlijk om te ontdekken of daar misschien een zwakke stee zit waardoor hij zou kunnen ontsnappen. Luistert aandachtig naar de stadsgeluiden die hij opvangt, een claxon, het vage, nu drukke daggedreun dat te onbestemd is om in zijn componenten te kunnen worden ontleed, denkt zichtbaar na terwijl hij even op de bank in het midden van het plein gaat zitten, wendt het hoofd vorsend schuin naar boven, pal in de lens, denkt opnieuw na, mond open, aap.

Besluit dan, eveneens duidelijk zichtbaar, het spel voorlopig mee te spelen omdat daar zijn enige kans op ontsnapping ligt. Hij staat op en gaat naar het stalletje waar achter het raam brood en gebak liggen. Drukt op de belknop, waarna een zacht gerinkel klinkt als bij het opengaan van de deur van een ouderwetse kruidenierswinkel. Geen realisme is ons te veel gevraagd. Het luikje wordt opgeschoven en het gedeeltelijke bovenlichaam met het gemaskerde gezicht van kameraad Dietske x verschijnt achter een armlengtegroot schuifblad. Dialoog: - Goedemorgen. Wat wenst u? - Mag ik een half witbrood van u? / - Een pannetje of een Amsterdammer? / - Dat doet er niet toe. Brood. Om te eten. / - Hard- of zachtgebakken? / Grimassend: - Geeft u maar hardgebakken. / Kinderspel. Kameraad Ternate lacht luidkeels; hem wordt het zwijgen opgelegd door kameraad Lelyveld, maar het klinkt ridicuul. - Melk of water? / - Melk. / - Zoals u wilt. Melkbrood is 6 cent duurder. / - Akkoord akkoord. Mag ik ook een pakje roomboter? / - Boter in de kruidenierswinkel. / Geprikkeld: - Maar dat is absurd. Er staat toch niet achter ieder loket iemand anders.

Hij wil weggaan. - U vergeet te betalen. / Zoekt in zijn zak, zijn portefeuille, maar al het eigen geld dat hij bij zich had is hem afgenomen en de envelop met zijn uitkering heeft hij in de kamer op tafel laten liggen. Hij gaat terug om het geld te halen, betaalt. Luikje dicht. / Met brood onder de arm naar het kruideniersloket dat pas opengaat nadat hij op de bel heeft gedrukt. Zijn gezicht vertoont duidelijk sporen van irritatie nu. We horen hem mompelen: Rooie honden. / - Goedemorgen. Wat had u gewenst. / - Geen flauwe kul. Een pakje roomboter. / - Zou u geen margarine

[pagina 108]

[p. 108]

nemen, als u roomboter gebruikt komt u niet rond van uw uitkering, ik waarschuw u omdat het de eerste keer is. / Hij wordt razend nu, al zijn opgekropte drift komt eruit. / -... wens geen bevoogding, als ik uw raad nodig heb zal ik die wel vragen. / - Zoals u wilt.

Hij bestelt nog kaas, Hausmacher leverworst, marmelade, sardines. Vreet al zijn geld in een paar dagen op als het zo doorgaat. Zal vanavond zelf moeten koken, misschien voor het eerst in zijn leven; tussen de boeken staat ook een kookboek, aan alles is gedacht. Hij krijgt een papieren zak om zijn boodschappen in te doen. Geen beter leven dan een goed leven. Als hij betaald heeft wil hij, zichzelf overwinnend, weten of het gepermitteerd is dat hij zijn vrouw een brief schrijft, maar kameraad Dietske x verwijst hem naar het loket Algemene Inlichtingen en Communicatie. Opnieuw razend. Vloekend en tierend gaat hij op de bank zitten, wist zich het zweet van het voorhoofd; een volle pijnlijke tien minuten lang blijft hij zo in het beeld /-/ waarna hij met een ruk opstaat, kennelijk besloten zijn figuur te redden door middel van ironie. Hij belt aan bij het loketje Algemene Inlichtingen en Communicatie, dat onmiddellijk opengaat. - Goedemorgen. Heb ik u niet eerder gezien? / - Ja, aan het kruideniersloket en daarvoor in de bakkerswinkel. Het loeder. Zijn gezicht betrekt weer. Als het niet zo'n rotzak was zou je medelijden met hem krijgen. / - Mag ik mijn vrouw een brief schrijven. / - De bedoeling is in de toekomst wel, maar de eerste dagen niet, om veiligheidsredenen. Uw brieven zullen echter door ons overgetikt worden en zonodig anders gesteld; wij willen geen risico lopen. / - Juist. Opnieuw ironie. - En als ik nu eens behoefte heb aan mijn vrouw, ik bedoel in seksueel opzicht. / - Wij verwachten niet dat dit een probleem voor u zal zijn, maar het onderwerp is nog in discussie; eventueel zal ik u echter van dienst zijn. Hij is geschokt, kijkt met ogen vol ongeloof naar de ooggaten in haar masker. / - ... zal in elk geval uw verzoek overbrengen ... overwegen of het redelijk is dat er een tarief wordt geheven en hoe hoog dit moet zijn, uw beperkte budget in aanmerking genomen. / - Dit is geen verzoek, barst hij uit. Draait zich om en gaat naar zijn kamer.

.............. vertelt u nu precies wat u voelt tijdens de coïtus ....................?? ............................ noodzakelijk ja ....... lustgevoelens zijn een belangrijk onderdeel van het menselijk gevoelsleven ....... wie ze niet heeft, of in beperkte mate, mist iets dat .................. een vorm van compensatie ....... politiek vervangt voor sommige mensen de erotiek of neemt het karakter aan van erotiek, vandaar .......... typisch agressieve uitlatingen als ...... Nee?? .......... Hoe vaak per maand heeft u bijvoorbeeld geslachtsgemeenschap met uw vrouw ............. Nee?? ....... Goed, dan moeten we hier naderhand op terugkomen als u er wel toe bereid bent.

Hij ligt weer naakt als een kloon in de testdraden op de onderzoektafel, dit keer vastgebonden omdat hij zich opnieuw

[pagina 109]

[p. 109]

verzet heeft / is momenteel kalm. Kameraad Ternate houdt hem de sterk vergrote reproductie van een obscene achttiende-eeuwse Franse prent voor; hij wendt vol afschuw zijn hoofd af, maar de draden hebben zijn reactie al geregistreerd. Kameraad Hendrickx staat in tegenovergestelde kijkrichting al klaar met een tweede prent, een Japanse houtsnede, idem; dan sluit hij zijn ogen.

Testpersoon op zijn buik gewenteld; dan, onverwacht worden zijn twee bilhelften van elkaar getrokken: kameraad Hendrickx kietelt hem met een veertje in de anus om te zien of hij daar gevoelig is (de anale functie van de politiek). Hij giechelt en brult, vloekt tegelijk ...

En weer op zijn rug vastgesnoerd / de testdraden opnieuw bevestigd. Inmiddels heeft Machteld x zich uitgekleed en zich naakt opgesteld aan zijn voeteneinde; ze heeft een mooi lichaam onder haar masker, haar ogen glinsteren in de gaten. Hij kijkt naar haar en gromt verachtelijk, zijn lid vertoont geen reactie.

Nadat Machteld x haar hand door middel van snelle strijkbewegingen over haar dij warm heeft gewreven legt ze hem om zijn geslachtsdeel en begint het lid zachtjes te masseren terwijl ze er zo nu en dan vakbekwaam in knijpt als een boerendochter aan de speen van een koe.

Hij verweert zich verwoed met zijn machteloze onderlichaam. Het helpt hem niet, integendeel, als Machteld zachtjes tegen de blootgelegde eikel blaast zien we het lid langzaam stijf worden en rijzen. Op dat moment legt kameraad Hendrickx er snel een testring om met draad, waarna ze bovenop hem gaat zitten en zich op haar hurken op en neer beweegt, eert langzaam en voorzichtig dan iets sneller. Hij verzet zich nog steeds, probeert het in te houden, de boventanden op de onderlip geperst, de ogen gesloten, maar het komt. Wij zien de climax rijzen en zijn reactie is heviger dan we verwacht hadden ... Nabeeld : het van woede of genot vertrokken gezicht van de man, of van beide, terwijl de lenzen van camera's en medicijnmannen observeren, zijn spiertrekkingen registreren ...

Ik moet mij voortdurend voor ogen houden hoe'n malicieuze boef hij in werkelijkheid is (om zijn eigen terminologie te hanteren) als ik hem zo zie liggen, zitten, staan: eenling, geprojecteerd op het scherm en in plaats van ontmenselijkt juist vermenselijkt en mij voorstellen wat hij allemaal zou doen als hij het voor 't zeggen had. Iedere eenling, ieder mens geïsoleerd wekt nu eenmaal medelijden op, zelfs de grootste misdadiger na enige tijd, kijk maar naar ... Nee, we zullen onze gevoelens/hem blijven wantrouwen, zijn oude uitingen indien nodig herlezen ... als ideaal een sterk vereenvoudigde samenleving, waarin ieder zijn plaats weet... Krijgt zijn trekken thuis, hij heeft hem nu, zijn vereenvoudigde samenleving ... vóór verlicht despotisme ... preventieve controle op televisieprogramma 's ... (Idem) ... Maar als een raddraaier eens een flinke klap krijgt, jammeren de kranten ... Zo is het!

Met zijn sluwe blik kijkt hij in de ooggaten

[pagina 110]

[p. 110]

van kameraad Lelyveld, langdurig en spottend, alsof hij nu pas zijn twee meest kwetsbare plekken heeft ontdekt. Hetzelfde probeert hij bij mij te doen, de doerak.

... Kijk! Ziet u de uitdrukking van berusting op dat gezicht? Die man wéét dat hij schuldig is en dat hij zijn straf verdiend heeft. Dát is eerbied voor het gezag! **

**

Als de wekelijkse brief naar zijn vrouw geschreven is, loopt hij als een gekooide rond in zijn kamer. Het bed is opgemaakt, de kamer met de losse hand gezwabberd, theekopje en bord afgewassen, de toiletpot eigenhandig gereinigd met borstel en vim. Hij heeft er de pest aan maar doet het toch om althans iets omhanden te hebben een deel van de dag. Hoewel hij zich duidelijk verveelt weigert hij nog steeds te lezen, evenals 's avonds de regelknop uit te trekken van het enige, gemanipuleerde tv-programma dat wij uitzenden. (Wel luistert hij urenlang naar de radio alsof dat op zichzelf een neutraler medium is dan televisie, wat er gebracht wordt.)

Gaat ten slotte opnieuw naar het marktplein / bekijkt uitvoerig de waren in de winkelstalletjes, koopt iets - een sigaar - steekt hem op. (Hij zal hem tot op het sabbelpeukje oproken.)

Loopt daarna terug naar het woonvertrek, zich nog steeds iedere seconde bewust van de registrerende lenzen, de vibrerende microfoons / werpt steels een blik op de lens die hij schuin boven zich in de zoldering weet en die eruitziet als een dood lamploos verlichtingsornament en pakt: pakt ten slotte een boek van de plank. Begint dan grimassen trekkend en zijn schouders ophalend te lezen. Het moet er toch een keer van komen. (Eigenlijk zou hij nu een beloning moeten krijgen in de vorm van een gratis sigaar of een klein flesje met 5 cl whisky dat uit een buis in de zoldering op zijn tafel valt.) Tv zal nu wel spoedig volgen. (Als we wilden zouden we hem op nog heel andere wijzen kunnen conditioneren, manipuleren en hem bijvoorbeeld buiten de tijd kunnen plaatsen, zijn tijd versnellen of vertragen, hem een ander levensritme opdringen door bijvoorbeeld een grote elektrische klok op het marktplein te plaatsen en deze voor of achter te laten lopen, ieder dag een paar minuten. // Zijn horloge is van slag, moet elke 24 uur bijgesteld / de ochtendkrant arriveert steeds later, de winkeljuffrouw verschijnt later in de kraampjes, het radionieuws wordt later door ons uitgezonden. / Op den duur is hij uren of dagen achter met de tijd. / Een oorlog in het middenoosten breekt voor hem dagen later uit, een treinramp waarbij zijn broer is omgekomen heeft nog niet plaatsgevonden, dirigent X is nog niet gestorven en ten slotte, als hij vrijkomt, heeft hij langer gevangen gezeten dan hij gedacht had. / Of korter, als we het proces willen versnellen. Maar dit is allemaal niet zinvol, het heeft niets met zijn persoonlijke bestaan te maken, noch hier noch in de buitenwereld: integendeel, hij hoort er maximaal mee geconfronteerd te worden zoals het is, factisch, met inbegrip

[pagina 111]

[p. 111]

van de tijd. Het was dan ook weer typisch een voorstel van een artiest, een auteur in dit geval. Gevaarlijk gevaarlijk. Ze weten blijkbaar niet waar buiten de literatuur de realiteitsgrenzen liggen ... )

.........hij verschijnt in het kerkportaal, een bijna doorzichtige reus tussen andere gefragmenteerde kerkgangers / schrijdt naast zijn halve vrouw de stoep af, kleiner wordend nu, knikkend als een monarch naar zijn onderdanen. / De wethouder van onderwijs, een schoolhoofd, geloofs- en partijgenoten.

De camera zoomt weer in, close-up van zijn gezicht, van zijn vrouw, waarna de lens hun gestaltes aftast. Daarna zwelt hij weer op, vervaagt en beent over de wand, zijn lichaam in tweeën geknikt over de lijn van de kamerhoek.

Volgend beeld. De kade, schepen in de rivier. De historische huizen met hun oude gevels. Vertrouwd uitzicht: witte wolken boven het wijde land, bomen. De brug. Het weinige zondagse verkeer. Voetgangers. Hij verkleint en beweegt zich ertussen. (Het moet hem ontroeren al laat hij het niet merken.)

Zijn oude bestaan geobjectiveerd, alsof hij iemand anders is: een gevoel dat hij waarschijnlijk nooit eerder in zijn leven gehad heeft / verdringing van hemzelf. Zal zijn zelfinzicht vergroten / hem tonen wie hij was. Om de realiteitsillusie te versterken hebben we de beelden dit keer niet op het scherm maar op de voorwand en een deel van de zijwand geprojecteerd. Ook spelen wij met de gedachte om, zodra hij gebruik maakt van het televisieapparaat, enkele realistische scènes waarin hij voorkomt tussen de gemanipuleerde programma's te mengen, onverwacht, zodat het schokeffect des te groter wordt∷ zijn leven getelevisoneerd en daardoor, paradoxaal genoeg, reëler.

Volgend tafereel. Hij presideert een raadsvergadering; de film is vanaf de publieke tribune met een verborgen camera opgenomen. De gezichten van de wethouders en de gemeenteraadsleden die één voor één worden afgetast ... de groeven in de huid, de puisten, de oorharen, de ogen ... Hij slaat hard met de voorzittershamer op de tafel, beweegt zijn mond snel: er is weer eens ruzie binnen de raad, het nieuws zal opnieuw de kranten halen, tot ongenoegen van het grootste deel van zijn gemeente ...... / Ik zie aan hem dat hij zich herinnert waarover het gaat, ook zonder dat hij de woorden hoort (er is helaas geen geluidsband.)

Een van de raadsleden, een politiek tegenstander van hem, staat op en roept hem woedend iets toe dat hem blijkbaar niet raakt, want het enige dat op zijn muurgezicht verschijnt is een cynische grijns. Hij spreekt in een kalm liptempo nu, richt zich tot de andere raadsleden. Dan draait de protesterende man zich om en verlaat de zaal, onmiddellijk gevolgd door drie anderen. De grijns op de wand wordt breder, verwijdt zich nog meer, nog meer en vult ten slotte de hele voorwand. En, weg /

Op het moment dat hij - verkleind tot normaal

[pagina 112]

[p. 112]

formaat - de vergadering sluit en de voor hem liggende papieren in zijn tas doet, opstaat, de tas sluit, breekt de sequentie plotseling af. Dat wil zeggen, zijn gezicht is er nog, maar zijn onderlichaam is dat van een röntgenfoto, een met wit licht opgevuld skelet. Het is uiterst sinister. / Kameraad Lelyveld roept nijdig: Stop! Het is weer een grap van onze filmkunstenaar-cutter. Dit keer zal hij berispt moeten worden voor zijn eigenmachtig optreden, dat aan de gemeenschappelijke zaak schade had kunnen toebrengen.

Van Blomdaele vat het gelukkig goed op. / - U mag blij zijn dat u geen hartpatiënt bent, zeg ik. / Hij kijkt mij vanonder zijn borstelige wenkbrauwen in de oogspleten; is op dit moment bijna menselijk. / - Zeg liever, jullie mogen blij zijn.

Daarna zit hij weer volop in de politiek. Als voorzitter van de ultra-conservatieve groepering RECHTSOM ontlokt hij de zaal kleine stormen van applaus (windkracht 8). Hij is in zijn element, bonhomie straalt van zijn gezicht. / Naast mij luistert hij geïnteresseerd naar zijn evenbeeld; is het volledig met hem eens.

Over enige tijd gaan we aan de hand van de uitgewerkte scripts de scènes heropvoeren, zo realistisch mogelijk en met Van Blomdaele in de hoofdrol: wij stemvee en gemeenteraadsleden. Daarna discussie en eventueel zelfkritiek. Eerlijk gezegd verwacht ik er weinig van ... in deze tijd van overtrokken sociaal besef ....... maatschappelijke sinterklazerij**

**

Zijn houding is vrij abrupt veranderd. Van nu af aan speelt hij het spel volledig mee; blijkbaar ziet hij in dat ontsnappen niet mogelijk is en dat dit de enige kans is om zo snel mogelijk zijn vrijheid te herkrijgen. Het nationale opsporingsapparaat heeft hij blijkbaar eveneens afgeschreven; zo gaat dat in een verwekelijkte maatschappij. Uit eigen vrije wil heeft hij er zich toe beperkt niet meer dan 1 x in de week Oranjeboven te roepen omdat hij bij overmatig gebruik ervan ons meent te ergeren. Het wordt geapprecieerd. (Sigaar of flesje whisky uit het kokertje.) Misschien dat hij de woorden wel eens vaker voor zich heen mompelt, bijvoorbeeld voor het slapen gaan bij wijze van avondgebed, maar dan toch zo zacht dat de microfoons het niet opvangen. Hij heeft eieren voor zijn geld gekozen. (Meer dan 1 x in de week vlees is er trouwens niet bij.) Misschien ziet hij zich in zijn dromen al weer buiten staan, in de open lucht, 's nachts achtergelaten op een eenzame plek in het bos, vastgebonden aan een boom, terwijl onze auto's wegrazen, of opgesloten in een kelder of goederenmagazijn in de stad waar hij de volgende ochtend ontdekt zal worden. En daarna: vrij. (Zint hij al op wraak?) Maar zover is het nog niet. In zijn slobberpak zit hij tegenover kameraad Numan en kameraad Oploo aan tafel. De vellen papier. De chronometer.

**

Zijn uw handen vaak klam en vochtig?ja ? neen
Heeft u wel eens het vreemde gevoel gehad dat u uzelf tegenkwam op straat?ja ? neen
Heeft u elke dag ontlasting?ja ? neen

[pagina 113]

[p. 113]

(weten ze toch!)

**

Hoe waardeert u de volgende zaken? Beantwoord met: Prettig, Neutraal of Onprettig. Denk niet lang na, maar geef uw eerste indruk.

**

Soldaten commanderenP N O
Met vreemden een gesprek aanknopenP N O
Met uw bijnaam aangesproken wordenP N O
Apen als huisdier houdenP N O
Een dief achtervolgen met een groep agentenP N O
Een menigte aanvuren met schreeuwenP N O
Geld geven voor een goed doelP N O
Geld inzamelen voor een goed doelP N O

**

Hebt u wel eens last dat er volmaakt zinloze woorden in uw hoofd opkomen?

**

____________staat tot waar als velen staat tot_____________

1.waarschijnlijk2.meerderheid3.veel4.ergens
A.nooitB.overalC.allenD.sommigen

**

Heeft u de neiging om**

**

Lacht u wel eens om**

**

............... trekt u zich .......... erg aan?**

**

Kijk uw werk nog eens goed na als u tijd over heeft.

Bijgod, dit eeuwige minimum-bestaan maakt me ziek. Al de dingen die ik zou willen bezitten en niet kan kopen. Onlangs hebben ze de uitstalvensters nog vergroot ook en spotjes aangebracht die op de duurste en aantrekkelijkste waren gericht staan. Zelfs al zou ik tienmaal m'n bijstand hebben plus duurtetoeslag en huurcompensatie dan zou ik ze nog niet kunnen aanschaffen, de sad*sten. Ik mag er alleen naar kijken. Het zal me niet verwonderen of ze gaan binnenkort nog reclameslogans ophangen, boven de winkeltjes, tegen de zoldering en ik zal ze waarschijnlijk nog lezen ook, uit verveling. En dan hebben ze godverdomme nog het lef ook om om de zoveel tijd één van de vrouwelijke kameraden aan mijn deur te laten kloppen met een rammelende collectebus in de hand: voor Biafra, voor India, voor de armen in de Verenigde Staten of godmagweten waar. Als ik dan aanstalten maak om de deur driftig voor haar neus dicht te smijten kijkt ze me verwijtendaan: ik, de egoïst die niets wil afstaan ...

Mag blij zijn dat ik geen kiespijn krijg of zoiets want geld voor een kroon of brug heb ik natuurlijk niet, ik zal mijn tanden en kiezen gewoon uit mijn bek moeten laten trekken. Zelf laten ze hun tanden ook niet uit hun bek trekken omdat het bij mij gebeurt; ze willen dat het bij niemand hoeft te gebeuren, maar ondertussen. Als ze redelijk willen zijn dan moeten ze nu alsnog hun auto's wegdoen - ‘het heeft geen zin als ik het alléén doe’ - in afwachting dat alle anderen er één

[pagina 114]

[p. 114]

kunnen krijgen en hun kiezen laten trekken - uit solidariteit - totdat iedereen zich een kroon of brug kan permitteren. Dat vind ik pas principes erop na houden. De angst afstand te moeten doen van hun auto, hun zeilboot, hun gebit, hun toekomstige kunstnier zou hen dwingen er harder achterheen te zitten voor allemaal. // Stel dat u honderdduizend pegels bezat, zou u geld afgestaan voor een dialysemachine aan een nierpatiënt die u kende, als u wist dat zijn leven ervan afhing? Idem, aan iemand die u niet kende? // De zakken.

De meeste van hen begin ik nu zo'n beetje te kennen, aan hun stem, hun haar, de kleur en uiteenlopende schittering van hun ogen, lengte en lichaamsbouw natuurlijk ... vooral die ene die mij voortdurend verveelt met zijn historische parallellen, alsof historie ooit parallel loopt. Ik kan hem wel vreten: hoe meer hij gelijk heeft hoe meer hij mij irriteert; zal wel leraar zijn of zoiets, of docent aan de een of andere academie ... Straks is het winter en dan heb ik een nieuwe winterjas nodig. Waarschijnlijk zullen ze de temperatuur op het plein sterk verlagen om het seizoen te simuleren. Terecht. Op een ijskoud marktplein zal ik dan inkopen moeten doen, rondwandelen. Gezond overigens. Zou best ook eens sneeuw willen zien; binnenhuissneeuw. Hoop dat ze thuis genoeg geld hebben om kolen te kopen of anders via de sociaal werkster om koudetoeslag zullen vragen.

Ik merk dat ik begin te tobben de laatste tijd, mijn weerstand neemt af, mogelijk door te eenzijdige voeding. Hoe zou het met Ingrid en de kinderen gaan? Zouden ze het kunnen redden zonder mij? Eén brief in de week is niet veel. Om mijn gedachten af te leiden pak ik een boek - het ziet er normaal uit maar je weet nooit of eraan gedokterd is / misschien zijn bepaalde bladzijden eruit gelicht, net als bij de tijdschriften, en vervangen door andere die door hen herschreven werden en overgezet in dezelfde letter en opmaak, ze gaan tot het realistische einde.

Ik blader wat in het boek, voor hele hoofdstukken ontbreekt mij de concentratie ... Zoals werd aangetoond, heeft men onvoldoende rekening gehouden met de superioriteit van het begrip oorlog als voornaamste structurerende kracht in de meeste maatschappijen ........ het voortbestaan van het oorlogssysteem moet verzekerd blijven, o.a. alleen al om een bepaalde mate van armoede in stand te houden die een maatschappij nu eenmaal als stimulans nodig heeft**

**

psychosociale functie ......... een uitlaatklep voor ongedifferentieerde spanningen ..... stelt de fysiekzwakker wordende oudere generatie in staat haar zeggenschap over de jongere te handhaven, zonodig door deze te vernietigen**

**

Spel-theoretici hebben in ander verband wel eens geopperd dat men, om de doelmatige wijze de individuele agressieve neigingen onder bedwang te houden, eigenlijk spelen zou moeten ontwikkelen waarbij iemands leven op het spel staat**

Op nog realistischer wijze kunnen dergelijke rituelen, in de trant van de Spaanse inquisitie en de minder formele heksenprocessen van andere tijdperken gesocialiseerd worden, met als doel ‘maatschappelijke zuivering’, ‘veiligheid van de

[pagina 115]

[p. 115]

staat’ of andere motieven die voor naoorlogse maatschappijen zowel aanvaardbaar als geloofwaardig zijn**

Ik lees de zinnen maar weet nauwelijks wat de schrijvers bedoelen. Het is of ik de woorden herken en niet herken tegelijk, of liever, ik herken ze wel, kan ze zelfs thuisbrengen maar hun betekenis ontglipt me (op het laatste moment).

De volgende plaatsvervangende instellingen zijn onder andere naar voren gebracht om in aanmerking te komen als plaatsvervangers voor de niet-militaire functies van de oorlog.

1. Economisch. a) Een alles omvattend sociaal welzijnsprogramma, gericht op een maximale verbetering van de algemene menselijke levensvoorwaarden. b) Een reusachtig, niet te verwerkelijken ruimte-onderzoekprogramma dat mikt op onbereikbare doelen. c) Een permanente, geritualiseerde en uiterst verfijnde ontwapeningsinspectie en variaties op een dergelijk systeem.

2. Politiek. a) Een alomtegenwoordige, in principe almachtige internationale politiemacht. b) Het construeren en geloofwaardig maken van een bedreiging afkomstig van buiten onze wereld. c) Massale, overal ter wereld voorkomende luchtverontreiniging en watervervuiling. d) Gefingeerde andere vijanden.

3. Sociologisch: Controlerende functie. a) Programma 's in grote lijnen afgeleid van het vredeskorps-programma. b) Een moderne, ingenieuze vorm van slavernij. Motiverende functie. a) Opgevoerde verontreiniging van lucht, water, enzovoort. b) Nieuwe godsdiensten en andere mythologieën. c) Sociaal gerichte spelen waarbij men zijn leven inzet. d) **

**

Ik leg het boek weg. Het lijkt me beter dezelfde passages morgen nog eens te herlezen. Ik ben op dit moment blijkbaar niet in staat de werkelijke betekenis ervan te vatten.

Soms loop ik letterlijk als een beer te ijsberen op het marktplein / nog even en ik wiegel alleen nog maar mijn hoofd heen en weer, uur in uur uit, dag in dag uit. / Boven mij de geluiden van de buitenwereld, de stad: het wegscheuren van een auto, tramgedender, het carillon (zit ik soms ergens in de buurt van de Westerkerk?), het getoeter van een rondvaartboot, een overkomend vliegtuig.

Vogels kan ik helaas niet horen. Ik zou best een dier willen hebben, een parkietje of een goudhamster, een hond of een kat, het doet er niet toe wat. Maar ik vraag er niet eens om, ik zou toch geen hond kunnen onderhouden, laat staan er een kopen van mijn hongergeld. Mooie testvraag trouwens: Welk dier zou u in déze situatie het liefste als huisdier hebben? Een hond/ een kat / een goudhamster / een kanarievogel / een slang. Ik zie ze het antwoord al analyseren. Testdier. Zoals ze ook mijn voedselpakket onder de loep nemen, het effect nagaan van de gerichte spotjes in de etalages: welke producten koopt hij nadat ze op een bepaalde manier opgesteld zijn en belicht. Dit alles maakt me ziek, zoals ik ook kotsmisselijk word van hun hele goedgeoliede, schrander gemanipuleerde, autoritaire mini-maatschappij. Er wordt je zo weinig speelruimte geboden dat je op den duur nog bang gaat worden

[pagina 116]

[p. 116]

ook voor het beetje dát je hebt.

's Morgens bij daglichtachtig licht opstaan. (Er is een venster in de kamer gemaakt met een matglazen ruit waarachter vroeg in de ochtend de daglamp wordt ontstoken, het licht is zo sterk dat het door het gordijn heenschijnt, maar soms laat ik het met opzet open. Kom vriendelijk licht ...(Als ze het ooit in hun hoofd halen er vogelgekwetter achter te laten weerklinken trap ik hem in elkaar al moet ik honderd keer zelf de schade betalen.) / Ontbijt klaarmaken, thee. Dan naar het toilet / wassen / tanden poetsen. (Halve centimeter tandpasta!) (Dat ik iedere seconde van de dag geobserveerd word, daar ben ik al aan gewend, het gaat sneller dan ik dacht; zelfconfrontatie helpt in dit opzicht eerder dan dat het remt: ik heb me al verscheidene malen mijn eigen achterwerk af zien vegen, een blik op het papiertje werpen om het daarna pas in de toiletpot te gooien. Primitieve gewoontes verander je niet gauw. Overigens gebruik ik uit zuinigheidsoverwegingen krantenpapier; tamelijk hard maar bruikbaar. Vreemde reactie: mijn enige bekommernis is soms dat ik voor hun impertinente blikken te weinig variatie in mijn handelingen aanbreng. Schaamte voor eigen automatismen en eenvormigheid? Ik betrap me er soms op dat ik dingen wil, op het punt sta te doen, louter en alleen om die reden. Walgelijk, walgelijk. / Eigenlijk zou ik het juist heel ver door moeten voeren, zodat ik hun analyses en mechanistische mensbeschouwing in de war stuur.) /

Dan inkopen doen, of eerst de krant lezen. Dat rotblad. / De dagelijkse clownerie bij verschillende winkeltjes te moeten aanbellen, de paternalistische nadrukkelijkheid waarmee tegen het eind van de maand de prijzen worden genoemd. (Contant betalen.) Als ik, uit mijn humeur, giftig mijn bestelling snauw smijt ze de waren op de toonbank. Normale maatschappelijke reactie. / Verder vriendelijk maar koel. Soms heb ik behoefte aan een vrouw, aan haar. Dit aanvoelend hebben ze zelfs een oudhollands geveltje gebouwd met een rood lampje achter het venster. Daar zit ze zo nu en dan een halfuur te lezen met half ontbloot bovenlijf, het loeder, maar ze is me te duur. 25 pegels voor masturberen alleen, wat ik voor hetzelfde geld eigenhandig kan doen, en beter; een eenvoudige coïtus van 5 minuten kost 75 pegels, je reinste woekerprijzen.

Terug naar de kampong. Lezen studeren.

Later. /

Om de eenvormigheid te doorbreken zet ik de radio aan, hoewel ik me voorgenomen heb nooit meer naar de gecorrumpeerde programma's te luisteren, de slogans, de reclameteksten, maar liever dát dan helemaal niks: ik kan niet anders, kan niet anders. Het suggereert een zeker contact met de buitenwereld. Verder is er mooie muziek. Beethoven.

Eerste daggesprek, zelfconfrontatie. (Ze zijn altijd bereikbaar, beschikbaar, bereid tot supervisie.) Even later. Ik zie mijzelf lopen en de tranen biggelen mij haast over de wangen van ontroering. Mijn oude werkelijkheid. De straat, het filmlevende verkeer, het schoolgebouw. Tas onder de arm. / Een shot op mijn auto die iets verderop geparkeerd staat, de camera zoomt in. Blik in het interieur. /

Volgende sequentie. Ik zit voor de klas, praat,

[pagina 117]

[p. 117]

zie mijn mond bewegen maar hoor niets. De camera dwaalt over de leerlingen - hoe hebben ze het in jezusnaam klaargespeeld zonder dat iemand in de klas het heeft gemerkt? - focust zich dan op mij. Close-up. Vele secondenlang. (Ben ik dat? Zie ik er in profil zo uit? Maak ik altijd dat gebaartje, volle hand om kaak en kin, langzaam samenknijpen, het ontstaan van een pruimenmondje; afschuwelijk.) En weg. /

Een shot van Ingrid die het huis verlaat. Op dat moment kan ik mijn ontroering niet langer verbergen; het is ook niet de bedoeling dat ik hem verberg. Kijk maar, loer maar jullie ... /

Om zeven uur ongeveer wordt de daglamp gedoofd. (Daglicht kost niks. Komt niet op mijn lichtrekening.) Daarna de kamerlamp aan. Eten. De lange avond. Televisie.

Ik ben nu zo volledig door de daglamp geconditioneerd dat ik meteen opsta als hij aanfloept (meestal lig ik dan al enige tijd wakker, heb weinig slaap nodig hier) als hij gedoofd wordt begin ik mijn avondmaal klaar te maken - Pawlowdier - en zo zijn er meer dingen die nu pas goed tot mij door beginnen te dringen: signalen, handig aangebracht en gemaskeerd in het functionele verloop van mijn dag waaraan ik gehoorzaam: ik ondervind ze als volmaakt natuurlijk. De krant in de realistische brievenbus bijvoorbeeld. Een wit bedrukt stuk spek.

De nieuwsberichten op radio of tv: ik trek de knop uit. Zelfs vraag ik mij af of ze niet met mijn tijd manipuleren om mij nog meer te desoriënteren en mijn dagen verlengen of verkorten zonder dat ik het merk.

Heel vreemd is dat ik mij soms op de neiging betrap te berusten, mij over te geven aan de geborgenheid van hun kleine verzorgingsmaatschappij, ondanks de armoede, ondanks alles. De strakke tijdsindeling die geen problemen stelt, de regelmaat, de betrouwbare temperatuursregeling, de rust en stilte die je elders niet meer vindt, de bescherming tegen maatschappij-invloeden die schadelijk zijn, van ongezonde irritatie tot lawaai, van de dreun op je oog die je kunt krijgen tot giftige uitlaatgassen en stank. Het gedempte stadsrumoer op de achtergrond hoort nu weldadig aan. Verder de stilte. De rust. Het doet me goed, ik slaap diep, sta uitgerust op. De luchtverversers werken uitstekend.

In zo'n periode van resignatie droom ik er soms van mijn belagers te vragen of mijn vrouw me gezelschap mag komen houden; zoiets kunnen ze nauwelijks weigeren in hun maatschappijvormig simulacrum: ook arme mensen horen bij elkaar, overal - behalve gastarbeiders en gevangenen bedenk ik. Je hebt best kans dat ze zich daarop zullen beroepen, maar anders ... Misschien laten ze mij/ons op de duur wel één dag per week vrij, op erewoord dat ik terugkom en niets zal verraden, later misschien zelfs twee dagen of meer ... Maar waarom zou ik niet terugkomen? wat moet ik met dit belachelijke bedrag in de buitenwereld doen? ik zou niet eens een schouwburgkaartje voor haar kunnen kopen, laat staan ... // Nee, ik zou het haar niet durven aandoen; en dan nog helemaal afgezien van de bureaucratie die hier heerst, de

[pagina 118]

[p. 118]

bedisselarij, de eeuwige bevoogding ... Als het tot mij doordringt dat ik er in zulke reële termen over denk word ik razend. Hebben ze me al zover gekregen? Blijkbaar ben ik tot alles bereid als ik maar vrijkom, weg uit deze maatschappijvormige gevangenis die mij inkapselt, wurgt. / Daarom en daarom alleen werk ik braaf mee, onderwerp mij aan hun alternatieven - Wat hebt u liever: een Volkswagen met een Porschemotor of een goede tweedehands Mercedes? - onderschik mij aan hun bureaucratie op marktplein en in huiskamer - als ik maar vrijkom, als ik maar vrijkom... /

Godchristusogantoe, als ik niet oppas ga ik nog bang worden dat er geen water meer uit de kraan komt, dat de voedseltoevoer stremt, de elektriciteit uitvalt en ik in het donker kom te zitten en ten slotte, dat ze me aan mijn lot zullen overlaten... als ik me dit bewust word maakt zich een koude razernij van mij meester. (Hebt u wel eens een waas voor uw ogen?)

Ik pak een stoel en sla als een bezetene om mij heen / beuk de buitenruit in diggelen, de daglamp, het televisiescherm / haal uit naar alle cameralenzen en microfoons die ik zie of vermoed. Daarna trap ik de deur open, die van multiplex blijkt te zijn en ren naar het marktplein. (Wat zou u liever zijn: een blinde zonder armen of een doofstomme zonder benen?)

Ik ga systematisch te werk, woede opent de sluizen van mijn reserves en één voor één, keurig in volgorde, ram ik met mijn stoel de etalageruiten in: de kruidenierswinkel, de groentewinkel, de slagerij, het luikje van het postkantoor (zachtbord), het kledingmagazijn, de ho*rentent. Het kan me niet schelen dat ze de reparatiekosten van mijn bijstandsuitkering zullen aftrekken, er valt niets meer af te trekken, de dag nadat alles gerepareerd is zal ik het opnieuw doen en opnieuw.

Ik overzie de ruïne, luister nahijgend naar het te verwachten geritsel van naderbij snellende lichamen, jassen, het verschuiven van grendels, maar ieder geluid blijft uit. Waar zijn ze? Denk: dat zou net iets voor hen zijn, mij met de zelfgemaakte brokken laten zitten.

In een nieuwe driftaanval slinger ik wat er over is van de stoel tegen de deur. Dit keer alleen een gedempte metalen klank. Een alarmerende gedachte flitst door mij heen. Het zelf niet gelovend loop ik langzaam op de deur toe, vat aarzelend de knop / draai / trek. Hij is niet afgegrendeld. De gang erachter is verlicht.

Mijn woede schrompelt op slag ineen. Een diepe verslagenheid komt over me als ik eraan denk dat hij misschien al die tijd niet afgesloten is geweest. Of hebben ze hem na mijn destructieaanval geopend? Het één is al even vernederend als het ander.

Met gebogen hoofd loop ik door de gang, trek aan de tweede deur die evenmin gesloten is. Ga de trap op. Open de buitendeur.

Dan sta ik in de garage. Echt daglicht stroomt door de openstaande tuimeldeur naar binnen, het komt met de hevigheid van een implosie alsof het aangezogen wordt door het gat van de kelderdeur en het vacuüm dat ik achter mij heb gelaten.

[pagina 119]

[p. 119]

Daglicht.

Als mijn ogen wat aan de felheid ervan gewend zijn zie ik tegen de muur mijn fiets staan - auto's ontbreken. Hij ziet er nog goed uit, iemand moet de banden kort tevoren opgepompt hebben of al die tijd op spanning gehouden.

Na de kelderdeur gesloten te hebben stap ik op, rijd over het tuinpad de weg op. De zon schijnt krachtig. De heggen zijn groen. Vijf minuten later wiel ik door de bloeiende hei. Als een auto mij voorbijrijdt snuif ik met welbehagen de uitlaatgassen op.

Ik kijk naar de scheur in de pijp van mijn broek. Als Ingrid hem niet meer kan naaien moet ik een nieuwe zien te vinden; ook zijn er twee knopen van mijn jasje gesprongen, maar knopen zijn er in overvloed in de wereld, dat is geen probleem. Ik trap flink door, het zal nog ruim een uur duren voor ik de stad heb bereikt, ik verlang naar haar.

Dan aan de zijkant van de weg zie ik een tasje liggen, ik stap af, raap het op. Het is nog in zeer goede staat; als Ingrid het niet kan gebruiken is het misschien iets voor Thessa. Hoewel het leeg is op een half opgebruikte lippenstift na kan ik me niet voorstellen dat iemand het weg heeft gegooid, het moet per ongeluk verloren zijn. Een dergelijk goed voorwerp gooit men niet weg.

Verheugd met mijn vondst die men een geschenk kan noemen, stap ik weer op mijn fiets en rijd verder, de stad tegemoet.

[3],  De cirkelbewoners. Een model, Sybren Polet - DBNL (2024)
Top Articles
Latest Posts
Article information

Author: Tish Haag

Last Updated:

Views: 5738

Rating: 4.7 / 5 (47 voted)

Reviews: 86% of readers found this page helpful

Author information

Name: Tish Haag

Birthday: 1999-11-18

Address: 30256 Tara Expressway, Kutchburgh, VT 92892-0078

Phone: +4215847628708

Job: Internal Consulting Engineer

Hobby: Roller skating, Roller skating, Kayaking, Flying, Graffiti, Ghost hunting, scrapbook

Introduction: My name is Tish Haag, I am a excited, delightful, curious, beautiful, agreeable, enchanting, fancy person who loves writing and wants to share my knowledge and understanding with you.