Boeksamenvatting bij Consciousness: An Introduction - Blackmore - 2e druk, Europese editie (2024)

Table of Contents
Wat is het probleem van bewustzijn? - Chapter 1 (2e druk) Waaruit bestaat de wereld? Bewustzijn in de psychologie Hoe voelt het om...te zijn? - Chapter 2 (2e druk) Het zijn van… Subjectiviteit en qualia Mary De filosofiezombie Het moeilijke probleem Hoe verschillen bewuste en onbewuste activiteit van elkaar? - Chapter 3 (2e druk) Het causale doeltreffendheid van het bewustzijn De rol van het bewustzijn in bewegingen Bewuste en onbewuste handelingen Theorieën Hoe kan het verstand gezien worden als theater? - Chapter 4 (2e druk) Het theater als metafoor De plaats van het bewustzijn Het mentale scherm Alternatieven voor het Cartesiaans theater Het multiple drafts model van Dennett Wat hebben aandacht en timing met het bewustzijn te maken? - Chapter 5 (2e druk) Aandacht en bewustzijn De aandacht richten De halve seconde vertraging van het bewustzijn Interpretatie van het werk van Libet Flitsen Wat wordt bedoeld met 'de grote illusie'? - Chapter 6 (2e druk) Gaten invullen Veranderingsblindheid (‘change blindness’) ‘Inattentional blindness’ Theorieën over visie Wat houden 'de zelf' en 'de meervoudige zelf' in? - Chapter 7 (2e druk) Meervoudige persoonlijkheid Doorgesneden hersenen (split brain) Welke theorieën over de zelf zijn er? - Chapter 8 (2e druk) James Neurowetenschappelijke modellen Lussen (‘loops’), tunnels en de parelvisie (‘pearl view’) Geen publiek in het Cartesiaans theater Wanneer is er wel of geen sprake van vrije wil? - Chapter 9 (2e druk) De anatomie van wilskracht De rol van de bewuste wil in vrijwillige actie Het debat over de onderzoeksresultaten van Libet De ervaring van vrije wil Hoe interacteren de hersenen en het bewustzijn met elkaar? - Chapter 10 (2e druk) Het menselijk brein Onbewustzijn Bewuste visie Concurrentie en bewustzijn Pijn Op welke manier kan het bewustzijn als een eenheid gezien worden? - Chapter 11 (2e druk) Het geheel Het bindingsprobleem (‘binding problem’) Binding en gelijktijdigheid (synchronie) Micro-bewustzijn Integratie van meerdere zintuigen (multisensorische integratie) Her-entrée en de dynamische kern Eenheid als illusie Wat is de invloed van een hersenbeschadiging op het bewustzijn? - Chapter 12 (2e druk) Amnesie Verwaarlozing (neglect) Blindzicht (blindsight) Blindzicht en bewustzijn Wat is het verband tussen de evolutie en het bewustzijn? - Chapter 13 (2e druk) De evolutietheorie Lamarckisme Het doel van evolutie Menselijke evolutie Bewustzijn en evolutie Zombie-evolutie Samenvatting bewustzijn en evolutie Welke visies op de functie van het bewustzijn zijn er? - Chapter 14 (2e druk) Panpsychisten De rol van het bewustzijn bij overleven Het interne oog Humphrey en Mithen Geen functie Universeel Darwinisme Imitatie Hoe kan het bewustzijn van dieren onderzocht worden? - Chapter 15 (2e druk) Dieren en bewustzijn ‘Mirror self-recognition’ (MSR): zelfherkenning Theorie van het verstand (‘Theory of Mind’, TOM) Imitatie Taal Hoe kan een machine verstand bijgebracht worden? - Chapter 16 (2e druk) Kunstmatig bewustzijn ‘Mind-like’ machines Connectionisme Belichaamde cognitie Intelligentie zonder representatie De Turing-test Welke visies zijn er op het bewustzijn van machines? - Chapter 17 (2e druk) Denken en bewustzijn Tegenargumenten De Chinese kamer Kritiek Hoe zou een bewuste machine gebouwd moeten worden? - Chapter 18 (2e druk) Echte overtuigingen en overtuigingen die echt lijken X-factor Sprekende machines Onsterfelijkheid Hoe verloopt de onbewuste verwerking? - Chapter 19 (2e druk) Bewuste en onbewuste verwerking Priming Onbewustzijn en emotie De implicaties van onbewuste perceptie Problemen oplossen Intuïtie Creativiteit Hoe kunnen we onderscheid maken tussen werkelijkheid en verbeelding? - Chapter 20 (2e druk) Onderscheid maken Hallucinaties Definitie Context en inhoud van hallucinaties Slapen Andere werelden Wat omvat het paranormale allemaal? - Chapter 21 (2e druk) Spiritualisme Parapsychologie ‘Extrasensory perception’, ESP ‘Psychokinese’, PK De kracht van toevalligheden Implicaties Welke drugs hebben invloed op het bewustzijn en hoe? - Chapter 22 (2e druk) Definities van ASC en SoC Wat is veranderd in een ASC? Het in kaart brengen van jet bewustzijn Wat hebben slaap en dromen te maken met bewustzijn? - Chapter 23 (2e druk) Waken en slapen Het AIM-model Dromen en REM- slaap Dromen en ervaringen Rare dromen Lucide dromen Wat zijn voorbeelden van 'bijzondere menselijke ervaringen'? - Chapter 24 (2e druk) EHE Buiten het lichaam treden (‘out-of-body experiences’, OBE’s) Theorieën over OBE OBE’s in de psychologie en de neurowetenschap Bijna dood ervaringen (‘near-death experiences’, NDE’S) Interpretatie van NDES Mystieke ervaringen Beschouwing Hoe ziet de blik van binnenuit er uit? - Chapter 25 (2e druk) Wetenschap en methoden Chalmers en Dennett Fenomenologie Neurofenomenologie Een wederkerend model Heterofenomenologie Wat is er bekend over de werking van meditatie en mindfulness? - Chapter 26 (2e druk) Manieren van mediteren Concentratiemeditatie Ontspanning en stressreductie Siddhis en fysieke krachten Inzicht en ASC’s Waarom mediteren? Welke visies zijn er op 'ontwaken'? - Chapter 27 (2e druk) Boeddhisme en de wetenschap Transformatie en therapie Spontane ‘awakening’ ‘Geen zelf’ Abonneechapter met online BulletPoints van Consciousness - Blackmore (2e druk) Wat is het probleem? BulletPoints 1 Hoe voelt het om...te zijn? BulletPoints 2 Hoe verschillen bewuste en onbewuste activiteit van elkaar? BulletPoints 3 Hoe kan het verstand gezien worden als theater? BulletPoints 4 Wat hebben aandacht en timing met het bewustzijn te maken? BulletPoints 5 Wat wordt bedoeld met 'de grote illusie'? BulletPoints 6 Wat houden 'de zelf' en 'de meervoudige zelf' in? BulletPoints 7 Welke theorieën over de zelf zijn er? BulletPoints 8 Wanneer is er wel of geen sprake van vrije wil? BulletPoints 9 Hoe interacteren de hersenen en het bewustzijn met elkaar? BulletPoints 10 Op welke manier kan het bewustzijn als een eenheid gezien worden? BulletPoints 11 Wat is de invloed van een hersenbeschadiging op het bewustzijn? BulletPoints 12 Wat is het verband tussen de evolutie en het bewustzijn? BulletPoints 13 Welke visies op de functie van het bewustzijn zijn er? BulletPoints 14 Hoe kan het bewustzijn van dieren onderzocht worden? BulletPoints 15 Hoe kan een machine verstand bijgebracht worden? BulletPoints 16 Welke visies zijn er op het bewustzijn van machines? BulletPoints 17 Hoe zou een bewuste machine gebouwd moeten worden? BulletPoints 18 Hoe verloopt de onbewuste verwerking? BulletPoints 19 Hoe kunnen we onderscheid maken tussen werkelijkheid en verbeelding? BulletPoints 20 Wat omvat het paranormale allemaal? BulletPoints 21 Welke drugs hebben invloed op het bewustzijn en hoe? BulletPoints 22 Wat hebben slaap en dromen te maken met bewustzijn? BulletPoints 23 Wat zijn voorbeelden van 'bijzondere menselijke ervaringen'? BulletPoints 24 Hoe ziet de blik van binnenuit er uit? BulletPoints 25 Wat is er bekend over de werking van meditatie en mindfulness? BulletPoints 26 Welke visies zijn er op 'ontwaken'? BulletPoints 27 When and how is the concept of consciousness introduced? - ExamTests 1 MC-questions Open questions Answer indication MC-questions Answer indication Open questions Consciousness - Blackmore - TentamenTickets

Boeksamenvatting bij Consciousness: An Introduction - Blackmore - 2e druk, Europese editie

  • Wat is het probleem van bewustzijn? - Chapter 1 (2e druk)
  • Hoe voelt het om...te zijn? - Chapter 2 (2e druk)
  • Hoe verschillen bewuste en onbewuste activiteit van elkaar? - Chapter 3 (2e druk)
  • Hoe kan het verstand gezien worden als theater? - Chapter 4 (2e druk)
  • Wat hebben aandacht en timing met het bewustzijn te maken? - Chapter 5 (2e druk)
  • Wat wordt bedoeld met 'de grote illusie'? - Chapter 6 (2e druk)
  • Wat houden 'de zelf' en 'de meervoudige zelf' in? - Chapter 7 (2e druk)
  • Welke theorieën over de zelf zijn er? - Chapter 8 (2e druk)
  • Wanneer is er wel of geen sprake van vrije wil? - Chapter 9 (2e druk)
  • Hoe interacteren de hersenen en het bewustzijn met elkaar? - Chapter 10 (2e druk)
  • Op welke manier kan het bewustzijn als een eenheid gezien worden? - Chapter 11 (2e druk)
  • Wat is de invloed van een hersenbeschadiging op het bewustzijn? - Chapter 12 (2e druk)
  • Wat is het verband tussen de evolutie en het bewustzijn? - Chapter 13 (2e druk)
  • Welke visies op de functie van het bewustzijn zijn er? - Chapter 14 (2e druk)
  • Hoe kan het bewustzijn van dieren onderzocht worden? - Chapter 15 (2e druk)
  • Hoe kan een machine verstand bijgebracht worden? - Chapter 16 (2e druk)
  • Welke visies zijn er op het bewustzijn van machines? - Chapter 17 (2e druk)
  • Hoe zou een bewuste machine gebouwd moeten worden? - Chapter 18 (2e druk)
  • Hoe verloopt de onbewuste verwerking? - Chapter 19 (2e druk)
  • Hoe kunnen we onderscheid maken tussen werkelijkheid en verbeelding? - Chapter 20 (2e druk)
  • Wat omvat het paranormale allemaal? - Chapter 21 (2e druk)
  • Welke drugs hebben invloed op het bewustzijn en hoe? - Chapter 22 (2e druk)
  • Wat hebben slaap en dromen te maken met bewustzijn? - Chapter 23 (2e druk)
  • Wat zijn voorbeelden van 'bijzondere menselijke ervaringen'? - Chapter 24 (2e druk)
  • Hoe ziet de blik van binnenuit er uit? - Chapter 25 (2e druk)
  • Wat is er bekend over de werking van meditatie en mindfulness? - Chapter 26 (2e druk)
  • Welke visies zijn er op 'ontwaken'? - Chapter 27 (2e druk)
  • Abonneechapter met online BulletPoints van Consciousness - Blackmore (2e druk)
  • When and how is the concept of consciousness introduced? - ExamTests 1
  • Consciousness - Blackmore - TentamenTickets

Back to top

Wat is het probleem van bewustzijn? - Chapter 1 (2e druk)

Waaruit bestaat de wereld?

Het probleem van bewustzijn is gerelateerd aan één van de oudste vragen van de filosofie: waaruit bestaat de wereld? Wie ben ik? Dit is in principe gerelateerd aan het geest-lichaamprobleem: wat is de relatie tussen het fysieke en het mentale?

Ondanks het feit dat we steeds meer leren over de werking van de hersenen, blijft het bewustzijn een mysterie. Bewustzijn (‘consciousness’) is geen synoniem voor het woord ‘verstand’ (mind), waar tegenwoordig veel meer over bekend is dan vroeger. Toen maakte men gebruik van de term ‘élan vital’ om te verklaren hoe niet-levende dingen levend gemaakt konden worden. Tegenwoordig wordt dit begrip niet meer gebruikt, aangezien we weten dat biologische processen hier verantwoordelijk voor zijn. Het gebruik van die term is dus niet meer nodig. Sommige wetenschappers geloven dat dit ook zal gebeuren met de term bewustzijn. Als we op den duur weten hoe hersenprocessen zorgen voor een gevoel van bewustzijn, dan zou het begrip op den duur niet meer nodig kunnen zijn.

Filosofische theorieën

Millennia lang hebben filosofen geworsteld met diverse versies van het probleem van bewustzijn. Hun oplossingen kunnen over het algemeen verdeeld worden in monistische theorieën, die suggereren dat er één soort van dingen zijn in de wereld, en dualistische theorieën, die suggereren dat er twee soorten dingen zijn. Sommige theorieën stellen dat de mentale wereld fundamenteel is en sommige theorieën stellen dat de fysieke wereld fundamenteel is.

Monisten

Monistische theorieën gaan ervan uit dat de wereld bestaat uit slechts één soort materie (lichaam of geest), terwijl dualistische theorieën stellen dat de wereld uit twee dingen bestaat (lichaam en geest). Sommige monistische theorieën stellen dat alles uit de geest bestaat, volgens deze theorieën hebben we alleen ideeën en percepties van een potlood. We weten niet of een potlood echt bestaat. Mensen die van dit uitgangspunt uitgaan, worden mentalisten of idealisten genoemd. Berkeley stond achter dit uitgangspunt. Het nadeel van dit perspectief is dat we dus nooit zeker kunnen weten of er objecten bestaan met vaststaande kenmerken.

Materialisten zijn ook monisten. Zij geloven dat er alleen maar materie bestaat. Een voorbeeld is de identiteitstheorie. Deze stelt dat mentale ervaringen hetzelfde zijn als lichamelijke ervaringen. Een ander voorbeeld is het functionalisme. Dit perspectief gaat ervan uit dat mentale ervaringen hetzelfde zijn als functionele ervaringen.

Epifenomenalisme gaat ervan uit dat lichamelijke processen mentale gebeurtenissen veroorzaken, maar dat mentale gebeurtenissen geen effect hebben op lichamelijke gebeurtenissen. Huxley was een aanhanger van dit idee. Hij ontkende niet dat bewustzijn of subjectieve ervaringen bestaan, maar stelde wel dat deze geen enkel (causaal) verband hebben met lichamelijke processen. Hij maakte gebruik van het begrip ‘conscious automata’ om aan te geven dat mensen en dieren met hun mentale ervaringen geen invloed hebben op hun lichaam. Het behaviorisme is op dit idee gebaseerd. Een kritiekpunt op het epifenomenalisme is dat als het bewustzijn nergens effect op heeft, we er dan ook nooit over zouden kunnen spreken.

Het neutraal monisme stelt dat de wereld bestaat uit verschillende zintuiglijke waarnemingen. De wereld bestaat uit enkel materie, maar deze is noch fysiek, noch mentaal. Het verstand wordt niet gereduceerd tot materie, maar materie bestaat op zichzelf wel. Er wordt uitgegaan van een samenspel van het verstand en de hersenen.

Het panpsychisme stelt daarentegen dat alle materiële dingen in het universum een (primitief) bewustzijn of mentale eigenschappen bezitten. Dit kan op twee manieren worden geïnterpreteerd:

  1. dat alles in het universum bewustzijn heeft,

  2. dat alles van mentale aard is, of dit nou bewust of onbewust is.

Dualisme

Bij het dualisme gaat het om een combinatie van materie (het lichaam) en geest. De bekendste dualist is René Descartes. Descartes stelde dat de hypofyse de plaats is waar het verstand en het lichaam interactie hebben. Hij probeerde zijn ideeën te baseren op zekere kennis. Hij stelde dat in principe alles onecht zou kunnen zijn (bijvoorbeeld het feit dat je een potlood vasthoudt of op een stoel zit). Het enige wat hij zeker wist dat hij nadacht en dat hij er daarom zeker van was dat hij bestond (‘Ik denk, dus ik besta’). Hij geloofde dat de geest en het lichaam beide bestaan.

De theorie van Descartes is een vorm van substantie-dualisme, dat het tegenovergestelde is van kenmerk-dualisme (property dualism of de duale aspect theorie). Kenmerk-dualisme stelt dat hetzelfde ding (bijvoorbeeld een mens) beschreven kan worden door middel van mentale termen of lichamelijke termen, maar dat de ene beschrijving niet gereduceerd kan worden tot de ander. Als je bijvoorbeeld pijn hebt, kan dit in mentale of lichamelijke termen beschreven worden. Substantie-dualisme houdt zich bezig met de vraag hoe het lichaam en het verstand interactie hebben, terwijl het om twee verschillende substanties gaat. Het verstand zou dus invloed hebben op het lichaam, maar ook omgekeerd.

Het probleem van substantie-dualisme is hoe de geest interacteert met het lichaam wanneer de twee van verschillende substanties gemaakt zijn. Fysieke gebeurtenissen en het verwerkingsproces hiervan door de hersenen zijn aanleiding voor het verzamelen van ervaringen in de wereld (gedachten, beelden, beslissingen etc.). In de andere richting moeten gedachten en gevoelens in staat zijn om het fysieke materie te beïnvloeden. Descartes geloofde dat de geest en het lichaam in interactie met elkaar kwamen via de pijnappelklier in het centrum van het brein.

Bijna alle wetenschappers zijn het er echter tegenwoordig over eens dat het idee van dualisme niet waar kan zijn. Ryle is bijvoorbeeld een groot tegenstander van het dualisme. Hij stelt dat het verstand geen entiteit is dat dingen uitvoert of veroorzaakt.

Tegenwoordig zijn er daarom nog maar een handjevol dualisten. Voorbeelden zijn Popper en Eccles die de moderne theorie van dualistisch interactionisme’ opstelden. Volgens deze theorie kunnen synapsen in de hersenen beïnvloed worden door geestelijke en gevoelsmatige aspecten. Wie jij bent heeft dus invloed (en controle) op hoe je hersenen werken. Het is echter niet duidelijk hoe dit gebeurt. Ook de meer recente theorie van Libet blijft zonder onderbouwing. Volgens deze theorie worden subjectieve ervaringen en vrije wil aangestuurd door een ‘mentaal veld van bewustzijn’ dat geen gebruik maakt van neurale routes en verbindingen. Het lijkt er op dat alle varianten van dualisme vastlopen in raadselachtigheid en daardoor wetenschappelijk niet verklaard kunnen worden.

Bewustzijn in de psychologie

De term ‘psychologie’ verscheen als eerst in de achttiende eeuw om de filosofie van het mentale leven te beschrijven, maar het was richting het eind van de negentiende eeuw toen de psychologie als een wetenschap werd gezien. Op dat moment bestonden verschillende benaderingen om de geest te bestuderen. Sommige psychologen waren geïnteresseerd in lichamelijke processen, terwijl andere psychologen meer interesse hadden in subjectieve ervaringen van mensen. Er was echter geen groot onderscheid tussen deze twee visies.

James

James stelde dat de psychologie zich onder andere bezig dient te houden met cognities, verlangens, redeneringen en fouten. Dit zijn allemaal begrippen die met het bewustzijn te maken hebben. James, die werkte vanuit een monistische benadering, had niks met het dualisme en stelde dat het bewustzijn gemanipuleerd kan worden door de hersenen te beschadigen of door alcohol te gebruiken. Hij stelde daarom dat de psychologie zich ook bezig moet houden met de hersenen. Hij vond het onderzoek naar bewustzijn belangrijk en kwam met ‘de stroom van bewustzijn’. Dit begrip gebruikt hij om te beschrijven dat gedachten, ideeën, beelden en gevoelens als het ware altijd door ons hoofd ‘stromen’. Door zijn nadruk op het bewustzijn, vond hij het belangrijk dat mentale gebeurtenissen onderzocht werden. Hij baseerde zijn ideeën over het bewustzijn op onderzoeksresultaten over aandacht, geheugen en waarnemingen.

Psychofysica houdt zich bezig met de relatie tussen concrete stimuli en individuele ervaringen. Weber en Fechner hielden zich bijvoorbeeld bezig met de relatie tussen geluidsdruk en het waarnemen van luidheid (de Weber-Fechner Wet) en Helmholtz mat voor het eerst de snelheid van geleiding tussen zenuwcellen (‘velocity of thought’ (‘de snelheid van denken’). Deze theorieën benadrukten dat wat er in het zenuwstelsel gebeurt onbewust is en dat onze bewuste ervaringen afhankelijk zijn van het onderbewuste.

Freud

Freud stelde dat we worden geleid door het onderbewuste. Volgens zijn theorie bestaat dit onderbewuste uit drie delen:

  1. ‘id’: de biologische verlangens en behoeften,

  2. ‘ego’: allerlei verdedigingsmechanismen

  3. ‘superego’: alle onacceptabele verlangens en behoeften onderdrukt die volgens Freud tot uiting zouden komen in dromen.

Gedurende het einde van de twintigste eeuw is het onderbewuste van Freud vervangen door het cognitief onderbewuste. Dit onderbewuste is in staat allerlei verschillende vormen van leren, denken en geheugen te manifesteren zonder bewustzijn. Dit wordt soms het ‘nieuwe onderbewuste’ genoemd.

Fenomenologie legt de nadruk op subjectieve ervaringen. Husserl stelde bijvoorbeeld dat we pas kunnen weten hoe dingen in de wereld zijn als we gebruik maken van bewuste ervaringen. Hiervoor zou geen gebruik gemaakt moeten worden van wetenschappelijke benaderingen. Dit noemde hij ook wel ‘fenomenologische reductie’ of ‘epoché’.

Husserl borduurde voort op het werk van Brentano. Deze stelde dat elke subjectieve ervaring over verwijzingen gaat en dat bewuste ervaringen over objecten of gebeurtenissen gaan. Dit noemde Brentano ook wel ‘intentionaliteit’.

Wundt was een aanhanger van het introspectionisme: op betrouwbare en precieze wijze de eigen innerlijke ervaringen beschrijven. Je moet hiervoor dus jezelf kunnen bestuderen. Hij stelde dat er twee ‘fysische elementen’ bestaan:

  1. objectieve elementen of sensaties zoals tonen, hitte of licht en

  2. subjectieve elementen of gevoelens.

Elke bewuste ervaring zou afhangen van een samenspel van zowel objectieve als subjectieve elementen.

De theorie van Freud, fenomenologie en introspectionisme houden zich bezig met individuele, innerlijke ervaringen. Ze bevatten echter één probleem. Als een persoon een privé-ervaring claimt te observeren die anders is dan de ervaring van iemand anders, hoe zou je dan tussen deze twee ervaringen kunnen kiezen? Hier biedt het behaviorisme een antwoord voor.

Het behaviorisme

Watson stelde dat de psychologie zich überhaupt niet bezig dient te houden met het wel of niet bestaan van het bewustzijn en zag de psychologie daarom als een natuurlijke wetenschap. Het doel zou moeten zijn om gedrag te voorspellen en te beïnvloeden. Een voordeel van deze benadering is dat gedrag steeds beter meetbaar werd.

Watson was beïnvloed door Pavlov en zijn werk over reflexen en klassieke conditionering. Pavlov onderzocht hoe herhaling de kans op het voorkomen van bepaalde gedragingen verhoogt. Hij stelde dat bijna alles wat we doen op die manier wordt aangeleerd.

Skinner richtte zich voornamelijk op operante conditionering. Hij leerde ratten en duiven gedrag aan door ze te straffen of te belonen voor hun handelingen. Skinner geloofde dat de perfecte samenleving gecreëerd zou kunnen worden met operante conditionering. Hij geloofde ook dat de psychologie zich niet bezig diende te houden met het onderzoek naar bewustzijn. Dit zorgde ervoor dat de psychologie van die tijd een erg beperkte tak van de wetenschap werd.

Rond 1960 begon het behaviorisme daarom steeds meer terrein te verliezen aan de cognitieve psychologie. Deze tak van de psychologie houdt zich bezig met informatieverwerking en interne representaties. In 1970 begon men weer meer over het bewustzijn te praten, vooral omdat er interesse was in hypnose en slaapprocessen.

De mysterieuze kloof

Dennett stelde dat dat het bewustzijn een mysterie was. Volgens hem is een mysterie iets waarvan mensen (nog) niet weten hoe ze erover moeten denken. Eigenlijk is er sprake van een soort mysterieuze kloof tussen lichamelijke processen en bewuste ervaringen.

Chalmers stelt dat de onduidelijkheden over het bewustzijn verdeeld kunnen worden in:

  1. de gemakkelijke problemen en

  2. het moeilijke probleem.

Het ‘moeilijke probleem is: hoe kunnen fysieke processen in de hersenen subjectieve ervaringen veroorzaken? Chalmers verdeelde dit lastige probleem in gemakkelijke problemen; problemen die vatbaar zijn voor standaard methoden van de cognitieve wetenschap en opgelost zouden kunnen worden, bijvoorbeeld door het betrekken van computer- of neurale mechanismen.

Het grootste moeilijke probleem is ervaring: hoe voelt het om een organisme te zijn of in een bepaalde toestand te verkeren? De vraag is hoe hersenprocessen leiden tot subjectieve ervaringen.

Back to top

Hoe voelt het om...te zijn? - Chapter 2 (2e druk)

Het zijn van…

Nagel stelt dat het bewustzijn een subjectiviteit is of ‘hoe voelt het om…te zijn’. Hij vindt dat als we zeggen dat een organisme een bewustzijn heeft, dat dat betekent dat het zich op een specifieke manier voelt om dat organisme te zijn.

Block noemt de vraag ‘hoe voelt het om…?’ een uiting van fenomenaliteit. Hij maakt onderscheid tussen fenomenaliteit (F-bewustzijn) en ‘toegang-bewustzijn’ (T-bewustzijn). Toegang-bewustzijn gaat volgens hem over het vermogen om te redeneren en ook om spraak en handelingen te leiden. Dit is dus een onderscheid in twee soorten bewustzijn. Fenomenaliteit bestuderen wil zeggen: luisteren naar wat mensen melden over bewuste ervaringen.

Subjectiviteit en qualia

Qualia zijn privé kwaliteiten, de manier waarop iemand een ervaring beleeft. Het enkelvoud van qualia is een quale. De term wordt gebruikt om kwaliteit te benadrukken om op deze manier niet over fysieke eigenschappen of beschrijvingen te praten, maar over de ervaring zelf. Bewuste ervaringen bestaan uit qualia en het probleem van bewustzijn kan worden herformuleerd in termen van hoe de qualia gerelateerd zijn aan de fysieke wereld of hoe objectieve hersenen subjectieve qualia produceren.

Dennett vindt echter dat we wel bewuste ervaringen en oordelen over onze ervaringen hebben, maar hij zegt wel dat speciale, individuele, innerlijke, subjectieve gevoelens niet bestaan. Hij stelt daarom dat we überhaupt niet moeten denken in termen van qualia. Volgens hem bestaan bewuste ervaringen wel, maar qualia niet.

Hoe weten we of qualia echt bestaan? Dat is moeilijk te bepalen, omdat het gaat om ervaringen en niet om meetbare zaken. We kunnen echter wel gedachte-experimenten uitvoeren. Zijn qualia iets anders dan de hersenen zelf? Hebben qualia een toegevoegde waarde? Om dit soort vragen te beantwoorden maken we gebruik van een gedachte-experiment waar Mary de hoofdrol in speelt.

Mary

Mary leeft in de verre toekomst en heeft alle kennis over kleurenwaarneming en de visuele processen die hiervoor gebruikt worden. Ze weet precies dat bepaalde golflengten van licht op de retina de ervaring van blauw, rood of een andere kleur veroorzaken. Mary is echter haar hele leven opgegroeid in een gesloten kamer waar ze naar een zwart-wit televisie heeft kunnen kijken. Ze heeft zelf dus nooit kleuren gezien, terwijl ze wel veel over kleuren weet. Wat gebeurt er als ze op een dag de kamer uit mag?

Op deze vraag zijn twee verschillende reacties mogelijk:

  1. Sommige wetenschappers stellen dat Mary verbaasd zal zijn. Eén van deze wetenschappers is Jackson. Volgens hem zal Mary iets nieuws leren, namelijk hoe rood is. Chalmers stelt ook dat geen enkele hoeveelheid kennis over de kleur rood haar zou kunnen voorbereiden op hoe deze kleur in werkelijkheid is.

  2. Andere wetenschappers stellen dat Mary niet verbaasd zal zijn, omdat zij immers al alle kennis bezit over de kleurentelevisie.

Dennett stelt dat als Mary vrijkomt en een blauwe banaan te zien krijgt, dat ze weet dat dit niet mogelijk is. Ze weet tenslotte alles over kleuren en dus ook over hoe kleuren er uitzien. Ze weet ook dat blauw er anders uitziet dan geel. Kortom: als je gelooft dat Mary verbaasd zal zijn als ze vrijkomt, dan geloof je dat bewustzijn, subjectieve ervaringen of qualia een toegevoegde waarde hebben naast feitenkennis over de wereld. Als je denkt dat ze niet verbaasd zal zijn, dan geloof je dat het hebben van alle kennis over de wereld alles al zegt en dus ook al zegt hoe het voelt om iets te ervaren.

De filosofiezombie

Een ander gedachte-experiment is het experiment van de zombie. Een zombie is iemand die precies hetzelfde eruit ziet als jou, maar geen bewustzijn heeft. De vraag bestaat: is een dergelijke zombie mogelijk?

Ook op deze vraag bestaan twee verschillende reacties:

  1. Ja, een dergelijke zombie is mogelijk. Deze reactie berust op het bewuste inessentialisme, het idee dat het bewustzijn een soort optionele bonus is. Moody stelt bijvoorbeeld dat zombies mensen zijn die dingen als denken, verbeelden, dromen, geloven en begrijpen wel gebruiken, maar deze termen niet zo begrijpen als wij. Zij zullen zich daarom nooit wijden aan concepten als het bewustzijn of dromen.

  2. Nee, een dergelijke zombie is niet mogelijk. Een voorbeeld van iemand die een dergelijke reactie zou kunnen geven is Dennett, hij introduceerde namelijk het concept van een zimbo. Een zimbo is een complexe zombie die zijn eigen activiteiten kan begeleiden en interne (maar onbewuste) toestanden heeft. Als je een zimbo zou vragen naar zijn dromen of gevoelens dan zou hij deze vragen kunnen beantwoorden op een manier die we zouden kunnen begrijpen. Daarom zou het voor ons zo kunnen lijken alsof hij, net zoals wij, een bewustzijn heeft. De zimbo zou denken dat hij een bewustzijn heeft, terwijl hij dat niet heeft. Dennett stelde dat dit ook aan de hand is met mensen. We zouden eigenlijk allemaal zombies zijn. We denken alleen maar dat we een bewustzijn hebben.

Het moeilijke probleem

Zoals eerder gezegd stelde Chalmers dat onduidelijkheden over het bewustzijn opgedeeld kunnen worden in makkelijke en moeilijke vragen. De vraag van Chalmers gaat dus over subjectiviteit: hoe voelt het om…? Wetenschappers hebben op verschillende manieren gereageerd op het idee van Chalmers dat er een moeilijke vraag bestaat wanneer we het hebben over bewustzijn. De reacties zijn te verdelen in vier categorieën:

  1. het moeilijke probleem is onoplosbaar,

  2. het moeilijke probleem is op te lossen,

  3. het is essentieel om eerst de makkelijke vragen op te lossen, en

  4. er is helemaal geen sprake van moeilijk probleem.

Het moeilijke probleem is onoplosbaar

James stelde dat we nooit kunnen weten wat het bewustzijn precies is. Nagel stelde ook dat het vraagstuk onoplosbaar is. McGinn sprak over de ‘yawning conceptual divide’. Hij bedoelde hiermee dat hoe lang je ook naar de hersenen (en naar neuronen en synapsen) kijkt, je het bewustzijn nooit zal kunnen waarnemen. Hij stelde dat we op dit terrein ‘cognitief gesloten’ zijn. Dit betekent dat al zouden we willen weten waar het bewustzijn vandaan komt, we hier nooit achter zouden kunnen komen, omdat het niet in onze macht ligt om dit uit te vinden. Pinker was het hiermee eens.

Het moeilijke probleem is op te lossen

Sommige mensen vinden dat het moeilijke probleem opgelost kan worden, maar alleen als we een nieuw referentiekader gebruiken om het universum te begrijpen. Chalmers stelt dat we hiervoor gebruik moeten maken van het dualisme. We zouden volgens hem voor elke vorm van informatie moeten kijken naar zowel het fysische aspect als het ervaringsaspect. We zouden bewustzijn dus alleen kunnen begrijpen als we een nieuwe theorie ontwikkelen over hoe we naar informatie kijken.
Clarke stelt dat het verstand niet gelokaliseerd kan worden. Hij gaat hierbij uit van kwantumfysica. Het verstand is volgens hem de sleutel tot het universum. Het verstand zou een plaats innemen; nog vóór ruimte en tijd. Chalmers en Clarke gaan allebei uit van het dualisme en hun ideeën liggen dicht bij het panpsychisme. We kwamen eerder al het mentaal veld van bewustzijn van Libet tegen. Het bestaan hiervan is volgens hem noodzakelijk aangezien de structuur en het functioneren van zenuwcellen nooit een bewuste, subjectieve ervaring kunnen verklaren. De wiskundige Penrose werpt op dat bewustzijn afhankelijk is van niet-algoritmische processen.

Probeer eerst makkelijke problemen op te lossen

Chalmers stelt dat de makkelijke problemen gaan over het verband tussen aandacht, het geheugen en het bewustzijn. Crick en Koch ontwierpen een theorie over hoe deeltjes aan elkaar verbonden worden in de hersenen om een perceptueel geheel van een object te vormen. Chalmers vraagt zich echter af in hoeverre integratie van deeltjes gelijk staat aan een bewuste visuele ervaring. Crick en Koch stellen dat het moeilijke probleem van de qualia – de roodheid van rood – niet rechtstreeks is op te lossen. Beter kunnen we proberen neurale correlaten van bewustzijn (neural correlate(s) of consciousness) te vinden, in de hoop om zo meer licht op de qualia te werpen.

Er is helemaal geen moeilijk probleem

O’Hara en Scutt noemen drie redenen om het moeilijke probleem te negeren

  1. We weten hoe we om moeten gaan met de makkelijke problemen en dat we ons daarom op die problemen moeten richten.

  2. Zij vinden dat het oplossen van de makkelijke problemen onze ideeën over het moeilijke probleem zullen veranderen.

  3. Tot slot stellen ze dat het oplossen van het moeilijke probleem alleen nodig is als we zeker weten dat er zoiets als een moeilijk probleem bestaat. Die conclusie mogen we volgens hen nog niet trekken, aangezien het probleem nog niet goed genoeg begrepen wordt.

Churchland gaat nog verder en stelt dat het probleem verkeerd begrepen wordt. We zouden volgens haar niet van te voren kunnen voorspellen welke problemen moeilijk zijn en welke problemen makkelijk zijn. Hoe kunnen we bij voorbaat al weten dat het verklaren van subjectiviteit moeilijker is dan het oplossen van de makkelijke problemen? Daarnaast vraagt ze zich af of de moeilijke problemen wel goed genoeg gedefinieerd zijn om deze af te zonderen van de makkelijke problemen. Dennett stelt dat het onderscheid maken tussen makkelijke en moeilijke problemen bij voorbaat al niet slim is. Er zullen namelijk altijd onbeantwoorde vragen bestaan. We weten nu bijvoorbeeld hoe verwekking, geboorte en groei werken, maar we weten niet hoe het leven an sich werkt. Dat zou je ook als een moeilijk probleem kunnen zien, maar dat maakt alles juist alleen maar ingewikkelder. Het is daarom beter om niet te denken in termen van makkelijke en moeilijke problemen.

Back to top

Hoe verschillen bewuste en onbewuste activiteit van elkaar? - Chapter 3 (2e druk)

Al vele eeuwen bestaan er allerlei varianten van het idee dat het verstand uit verschillende gedeeltes bestaat. Reeds bij de oude Egyptenaren en in oude Hindoe teksten vinden we de veronderstelling dat het verstand onderverdeeld is in parten. Plato stelde dat de ziel bestaat uit de rede, de ‘spirit’ en begeerte. Bovenal nam het een centrale plaats in in psychoanalytische theorieën van begin twintigste eeuw. Echter, hoe meer we ontdekken over de werking van de hersenen, hoe onwaarschijnlijker het idee van het in parten gedeelde verstand wordt.

Een andere onderverdeling is het optreden van twee soorten van verwerking (processing). Hierover gaan de ‘dual-process’ theorieën. Veel van deze theorieën stellen dat het ene proces automatisch, moeiteloos en niet-flexibel verloopt, terwijl het andere veel langzamer, beheerst en flexibel verloopt. Deze onderverdeling kun je moeiteloos over het onderscheid tussen onbewust en bewust schuiven. In het dagelijks leven hebben we het gevoel dat we veel dingen onbewust doen. Wanneer we dingen bewust doen hebben we het gevoel dat ons bewustzijn er ook echt de controle over heeft. Als dat inderdaad zo is, hoe doet het verstand dat dan?

Het causale doeltreffendheid van het bewustzijn

Stel: iemand gooit een bal naar je. Voordat de bal aankomt begin je er al naar te grijpen. Je lijkt je dus bewust te zijn van de bal die naar je toekomt, maar ook van wat je moet doen om de bal te vangen. De volgorde lijkt dus te zijn:

  1. je neemt iets bewust waar en

  2. je voert een handeling uit op basis van de bewuste ervaring.

Dit is eigenlijk heel vreemd, aangezien er dus fysische informatie over de buitenwereld (de bal) in je hersenen binnenkomt en jij daardoor een bewuste ervaring krijgt. Deze bewuste ervaring zorgt er dan op één of andere manier weer voor dat je een handeling uitvoert.

Descartes ging hierbij uit van een dualistische benadering, maar dit is geen oplossing voor het probleem. Filosoof Kim stelde dat onbewuste gedachten en handelingen kunnen ontstaan uit een bewuste gedachte, maar dat hoeft niet direct te betekenen dat dit doorslaggevend is. De vraag moet zijn of bewustzijn een causale kracht heeft. Hodgson stelde dat gevoelens, hoe intens ze ook zijn, nooit een causale rol kunnen spelen bij lichamelijke processen. Gevoelens zijn volgens hem alleen bijkomstigheden. Dit is overeenkomstig met het idee van Huxley dat in deel A is besproken. We gaan ervan uit dat onze subjectieve gevoelens en bewuste keuzes onze handelingen veroorzaken. Als je de hersenen echter onderzoekt, dan lijkt hier geen ruimte voor te zijn. Informatie komt via de zintuigen binnen en wordt vervolgens verder verwerkt door verschillende hersendelen. Dit zorgt vervolgens voor handelingen van het individu.

De rol van het bewustzijn in bewegingen

Bewuste perceptie is niet noodzakelijk voor alle bewegingen. Visueel-motorische controle en bewuste perceptie staan los van elkaar. Tevens kunnen accurate bewegingen gemaakt worden op stimuli die niet zodanig bewust worden ervaren. Paulignan et al. toonden bijvoorbeeld aan dat het bewustzijn mogelijk te laat komt om een causale rol te spelen binnen een actie. Castiello et al. toonden in hun onderzoek aan dat neurale activiteit een belangrijke hoeveelheid tijd moet verwerken voordat het een bewuste ervaring teweeg kan brengen. Het probleem aan bovenstaande experimenten is echter dat het moment van bewustwording niet precies gemeten kan worden. Milner en Goodale stellen dat er een verschil bestaat tussen twee visuele systemen:

  1. visuele perceptie en

  2. visueel-motorische controle.

Deze categorieën hangen samen met de ventrale en de dorsale route. De ventrale route wordt ook wel de ‘wat’-route genoemd en de dorsale route wordt ook wel de ‘waar’-route genoemd.

Milner en Goodale stellen voor een onderscheid te maken op basis van fundamenteel verschillende taken die de hersenen uitvoeren. Deze categorieën zijn volgens hen:

  1. snelle visueel-motorische controle en

  2. minder dringende visuele perceptie.

Zij noemen deze processen: ‘vision-for-action’ en ‘vision-for-perception’.

Volgens Milner en Goodale is visueelmotorische controle dominanter dan visuele perceptie bij taken die door de hersenen worden uitgevoerd. Hierdoor zou de actie vóór het bewust worden hiervan kunnen komen.

Bewuste en onbewuste handelingen

Er is geen twijfel over de uitspraak dat wij bepaalde handelingen bewust lijken te doen, bepaalde handelingen onbewust lijken te doen en andere soms bewust en soms onbewust. We kunnen handelingen over het algemeen verdelen in vijf categorieën:

  1. handelingen die altijd onbewust zijn,

  2. handelingen waar bewust controle over uitgeoefend kan worden,

  3. handelingen die eerst bewust uitgevoerd, maar met de tijd onbewust uitgevoerd worden,

  4. handelingen die zowel bewust als onbewust uitgevoerd kunnen worden en

  5. handelingen die altijd bewust uitgevoerd moeten worden.

Altijd onbewuste handelingen

Je kunt je haar bijvoorbeeld niet bewust laten groeien; je haar groeit uit zichzelf. Ook heb je geen invloed op reflexen.

Handelingen waar bewust controle over uitgeoefend kan worden

Sommige handelingen (die normaal gesproken onbewust uitgevoerd worden) kunnen beïnvloed worden door bewuste controle. Dit kan door feedback over de gevolgen van de handelingen te geven. Dit wordt ook wel biofeedback genoemd. Stel: je ziet op een scherm hoe snel of langzaam je hart klopt. Je kunt leren invloed uit te oefenen op de snelheid waarmee je hart klopt door daar bewust mee om te gaan. Je kunt bijvoorbeeld diep in- of uitademen om kalm te worden en je hart langzamer te laten kloppen. Over iets dat normaal gesproken onbewust gebeurt (het kloppen van je hart) kun je dus bewuste controle uitoefenen.

Aanvankelijk bewuste handeling daarna onbewuste handeling

Om vaardigheden aan te leren moet eerst gebruik gemaakt worden van het bewustzijn. Op een gegeven moment worden de vaardigheden gemakkelijk, maar toch goed uitgevoerd. Denk bijvoorbeeld maar aan autorijden of fietsen. Op den duur gaat dat automatisch.

Handelingen die zowel bewust als onbewust uitgevoerd kunnen worden

Als vaardigheden goed aangeleerd zijn, kunnen ze zowel bewust als onbewust (automatisch) uitgevoerd worden. Denk maar eens aan het zetten van een kopje thee.

Handelingen die alleen bewust uitgevoerd kunnen worden

Als je je een naam of een telefoonnummer probeert te herinneren, maak je gebruik van je bewustzijn. Als je een moeilijk moreel besluit moet nemen dan gaat dat ook niet automatisch. In dat geval is het gebruik van het bewustzijn noodzakelijk.

Theorieën

Causale en non-causale theorieën

Sommige theorieën schrijven een duidelijke causale rol toe aan het bewustzijn, volgens hen veroorzaakt het bewustzijn gebeurtenissen in het brein. De meest duidelijke van zulke theorieën is het dualisme. Twee eeuwen na Descartes beschreef Carpenter een andere vorm van interactionisme. In één richting veroorzaakt fysiologische activiteit een sensationeel bewustzijn, terwijl in de andere richting sensaties, emoties en ideeën voor het vrijkomen van zenuwkracht, hetgeen veranderingen in de hersenen teweeg brengt.

De enige moderne, dualistische theorie is de theorie van Popper en Eccles. Zij noemen hun theorie ‘dualistisch interactionisme’. Ze maken in hun theorie vooral gebruik van de term ‘zelfbewust verstand’ (‘self-conscious mind’). Ze stelden dat dit een onafhankelijke entiteit is en dat het hierbij gaat om het hoogste niveau van hersenactiviteit. Ze richtten zich vooral op de specifieke hersengebieden (‘liaison areas’) die zich bezighouden met onder andere taal. Deze hersengebieden maken gebruik van verschillende soorten input. Er zou constant sprake zijn van tweerichtingsverkeer tussen het verstand en de hersenen. Het zelfbewuste verstand leest als het ware de neurale gebeurtenissen in de hersenen en integreert deze zodat er één ervaring ontstaat. Daarnaast veroorzaakt het zelf-bewuste verstand zelf ook hersenactiviteit in grote delen van de hersenen.

Ook het door Libet beschreven mentaal veld van bewustzijn werkt in twee richtingen. Het zorgt dat activiteit van hersencellen leidt tot een subjectieve ervaring, en de andere kant op bewerkstelligt het dat waarnemingen, emoties enzovoorts neurale activiteit veroorzaken. Een kritiekpunt is hoe deze interactie dan plaatsvindt. Eccles stelt dat mentale gebeurtenissen bestaan uit ‘psychonen’ en dat elk psychon interactie heeft met een dendron in de hersenen. Hij geeft daarmee antwoord op de vraag waar de interactie tussen het verstand en de hersenen plaatsvindt, maar het blijft onduidelijk hoe dit dan gebeurt. Om deze reden wordt deze theorie door veel wetenschappers afgewezen.

Representationele theorieën

Er bestaan twee representationele theorieën:

  1. higher-order perception (hogere order perceptie-theorie, HOP)

  2. higher-order thought (hogere-orde gedachtetheorie, HOT).

Volgens HOP betekent het bewust zijn van een mentale toestand dat er toezicht gehouden wordt op de mentale toestand. HOT stelt dat het bewustzijn gaat over het hebben van een gedachte over de toestand. Een mentale toestand is dus bewust als de persoon een hogere orde gedachte heeft over hoe het is om in die toestand te zijn. Het verschil tussen bewuste en onbewuste handelingen is dus dat er bij bewuste handelingen sprake is van HOT’s.

Functionalisme

Op filosofisch gebied stelt het functionalisme dat mentale toestanden functionele toestanden zijn. Het functionalisme werkt goed bij het verklaren van mentale toestanden zoals verlangens en overtuigingen, maar niet goed bij het verklaren van het bewustzijn. Het functionalisme kan geen antwoord geven op vragen over wat bewustzijn doet of wat het verschil is tussen bewuste en onbewuste handelingen.

Global workspace theorie (GWT)

Baars ontwierp de global workspace theorie. Hij stelde dat het cognitieve systeem gebouwd is op een globale werkplek net zoals het podium van een theaterzaal. Onbewuste processen (zoals zintuiglijke waarnemingen, ‘inner speech’, ideeën) concurreren om in het middelpunt van de aandacht te staan op dat podium. Dit doen zij om informatie door te geven aan het onbewuste publiek in de zaal, d.w.z. gebieden van het onderbewuste brein. Bij het doorgeven van de informatie zou gebruik gemaakt worden van het bewustzijn. Bewuste handelingen zijn dus die handelingen die toegang hebben verworven tot de globale werkplek, het werkgeheugen.

Baars stelt dat het bewustzijn een vorm van biologische aanpassing is. Het is een soort poort om informatie binnen te brengen en uit te wisselen, maar ook om te coördineren en controle uit te oefenen. Baars stelt tevens dat het bewustzijn negen functies heeft en dat deze functies nodig zijn om gedachten en handelingen te integreren. Daarnaast zou bewustzijn nodig zijn om je aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Baars is een tegenstander van het idee dat het bewustzijn geen causale rol inneemt in het zenuwstelsel. Hij vindt dat bewuste handelingen worden gekneed door constante feedback, terwijl dat niet geldt voor onbewuste handelingen. Volgens Baars is het bewustzijn ontstaan om ons voor gevaar te behoeden. Hij stelt dat er helemaal geen kloof bestaat tussen het verstand en het lichaam.

Back to top

Hoe kan het verstand gezien worden als theater? - Chapter 4 (2e druk)

Het theater als metafoor

Hume stelt dat het verstand een soort van theater is waar verschillende percepties verschijnen, voorbijgaan, opnieuw terugkomen en zich mengen in verschillende situaties. Zo een vergelijking klinkt aantrekkelijk en in dit hoofdstuk zullen de voor- en nadelen van het maken van een dergelijke vergelijking uiteengezet worden.

Hoe voelt het om onszelf te zijn? Sommige mensen zullen dit beschrijven als een situatie waarin de ‘ik’ ergens in hun hoofd zit en dat ze met hun ogen naar de wereld kijken. De ‘ik’ kan geluiden horen die het bewustzijn bereiken. Als je je ogen sluit, dan lijkt het alsof je naar mentale beelden kijkt. Gedachten en gevoelens komen in het bewustzijn van de ‘ik’ en gaan daarna weer weg.

Als je een soortgelijke beschrijving van het ‘ik’ maakt, dan is dit wat Dennett het ‘Cartesiaans theater (CT)’ noemt. Dit houdt in dat we het gevoel hebben dat ons ‘ik’ zich ergens in ons hoofd bevindt. Op die plaats komen ook bewuste beelden binnen en als zij samenkomen, dan is er sprake van bewustzijn. Daarnaast stelt hij dat materialisten (die het dualisme afwijzen) soms toch geloven dat er een plaats bestaat waar het bewustzijn zich afspeelt en dat er iemand is (het ‘ik’) die dit overkomt. Zo een visie is in essentie dan toch wel dualistisch. Dennett noemt deze visie ‘Cartesiaans materialisme’ (CM).

Bij zowel CT als CM is er sprake van een dualistische benadering. Je bent een aanhanger van CT als je gelooft dat er een ruimte, plaats of fase bestaat waarin bewuste ervaringen zich uiten. Je bent een Cartesiaanse materialist als je gelooft dat het bewustzijn niet afzonderlijk van de hersenen bestaat en dat er een soort van theater in het hoofd bestaat waar alles samenkomt. Als het Cartesiaanse theater bestaat, dan zouden we dat moeten kunnen lokaliseren in het hoofd.

De plaats van het bewustzijn

Als we handelingen uitvoeren, dan kunnen we de hersenprocessen terugvinden die hier de oorzaak van zijn. Er is geen specifiek hersendeel aan te wijzen waar ons bewustzijn vandaan komt. Er vindt heel wat parallelle verwerking plaats in de hersenen. Daarnaast zijn er complexe feedbackprocessen waar de hersenen gebruik van maken. Er is dus sprake van veel integratie.

Er is ook niet een specifieke tijd waarin het bewustzijn zich moet uiten. Het is waar dat informatie eerst binnenkomt en dat handelingen daarna pas volgen, maar tussen beide is er sprake van veelvoudige parallelle verwerking. Er is dus geen magisch moment waarin input wordt vertaald naar output of een moment waarop het bewustzijn ervaren wordt.

Het mentale scherm

Shepard liet deelnemers een beeld zien van aan elkaar vastgeplakte blokjes in de ruimte, maar dan wel vanuit verschillende oogpunten. De blokjes waren dus geroteerd en de deelnemers moesten zeggen of het ging om hetzelfde beeld of niet. Om dit te kunnen moet je de positie van de blokjes mentaal roteren. De vraag is dus of je kijkt naar hetzelfde beeld als deze er verschillend uitziet, omdat objecten omgedraaid of gekanteld kunnen worden in de ruimte. De vraag is waar in ons hoofd de mentale rotatie van de vormen plaatsvindt. Shepard en Metzler ontdekten dat het moment waarop mensen doorhadden dat het om hetzelfde beeld ging correleerde met de tijd die nodig is om de plaatjes te roteren. Als een plaatje in het hoofd dus heel erg (bijvoorbeeld 180 graden) geroteerd moet worden, dan duurt het langer om te besluiten of het gaat om hetzelfde beeld dan als het plaatje maar een beetje geroteerd moet worden (5 graden).

Deze resultaten laten zien dat er iets meetbaars in het hoofd gebeurt wanneer mensen zich dingen moeten voorstellen. De resultaten laten echter niet zien dat het bewustzijn verantwoordelijk is voor deze voorstellingen. Daarnaast laten de resultaten niet zien dat er een mentaal scherm bestaat waarop beelden worden geprojecteerd (zoals bij CT).

Mentale rotaties

Mentale rotaties kunnen onbewust tot uiting komen.. Het is gebleken dat als we een visueel beeld mentaal scannen, dat de visuele cortex dan geactiveerd wordt, net zoals dat gebeurt wanneer we naar een object kijken. Als je gelooft dat er een mentaal scherm bestaat waarop een geroteerd beeld wordt geprojecteerd en dat de ‘ik’ bewust of onbewust naar dat scherm kijkt, dan is de vraag natuurlijk waar dat scherm zich in het hoofd bevindt. De ‘ik’ zou als het ware zelf moeten nadenken en kunnen kijken om naar het mentale scherm te kijken. Dit is heel onwaarschijnlijk. We kunnen alleen zeggen dat er sprake is van verwerking in verschillende delen van de cortex. Hierdoor kunnen we rotatieproblemen oplossen, naar mentale rotatie kijken en dit beschrijven.

Alternatieven voor het Cartesiaans theater

Het probleem dat oprijst bij het concept Cartesiaans theater is hetzelfde probleem dat beschreven is in hoofdstuk 3. We zijn ons bewust van sommige acties, maar niet van alle acties. We weten bovendien dat alle acties, percepties en wensen gerelateerd zijn aan neurale activiteit in het brein. De vraag die oprijst is daarom: wat maakt sommige gebeurtenissen bewust en andere onbewust, sommige in bewustzijn en sommige buiten het bewustzijn?

Hiervoor is het nodig om naar alternatieven te kijken van het Cartesiaans theater. Sommige van deze alternatieve theorieën houden het theatermetafoor in hun achterhoofd, terwijl andere theorieën de mogelijkheden van het Cartesiaans theater negeren. Voorbeelden van deze alternatieve theorieën worden hieronder besproken.

Global workspace theory (GWT)

Deze theorie van Baars is gebaseerd op de theaterhypothese. Hij stelt dat bewuste gebeurtenissen in het theater van het bewustzijn gebeuren. Hij stelt dat er een groot verschil is tussen het beperkte aantal items dat beschikbaar is in het bewustzijn en de vele onbewuste processen die aanwezig zijn. Hij gelooft dat bewustzijn in het theater dient als een schijnwerper op het podium. Met de schijnwerper wordt de aandacht gericht op verschillende acteurs (dus gebeurtenissen uit de buitenwereld), zodat we ons bewust worden van deze gebeurtenissen. Het felle licht wordt omringd door gebeurtenissen waar we ons heel vaag bewust van zijn.

De interacties tussen het podium, het publiek en wat er achter de schermen gebeurt zijn gebaseerd op het idee van een ‘global workspace architecture’. Deze visie stelt dat de hersenen zo gestructureerd zijn dat er maar met een aantal items per keer omgegaan kan worden in de ‘global workspace’ (het werkgeheugen of het korte termijn geheugen). We kunnen ongeveer zevens items vasthouden in ons werkgeheugen.

Baars stelt dat het bewustzijn geen bijkomstigheid is, maar hij stelt ook dat het bewustzijn niet iets mysterieus is. Het bewustzijn is volgens hem het werkende deel van het gehele cognitieve systeem. Wat ervoor zorgt dat we ons bewust zijn van een gebeurtenis is volgens Baars dat de gebeurtenis wordt verwerkt binnen het werkgeheugen en dat de gebeurtenis beschikbaar wordt gemaakt voor de rest van het (onbewuste) systeem. Baars ziet bewustzijn als een variabele met verschillende waarden. Hij vindt dat we daarom moeten denken in termen van ‘meer bewust’ of ‘minder bewust’ in plaats van ‘bewust’ en ‘onbewust. Dit noemt hij ‘contrastive analysis’. Hij stelt zoals CT niet dat er een vaste plaats is waar het bewustzijn in de hersenen gelokaliseerd is. Hij stelt wel dat ergens in de hersenen de informatie samenkomt vanuit gebieden die met het werkgeheugen te maken hebben. Zijn theorie gaat er wel van uit dat dingen zich in of uit het bewustzijn kunnen bevinden. Volgens Dennett heeft Baars daarom een Cartesiaans materialistische visie. Baars stelt met zijn theorie dat beschikbaarheid van informatie in het werkgeheugen het gevoel van bewustzijn verklaart. Hij kan echter niet uitleggen hoe en waarom dat gebeurt.

Neuronal global workspace

Een vergelijkbare theorie is het ‘neuronal global workspace’ model van Dehaene. Ook deze theorie stelt dat er door onbewuste processen wordt gestreden om toegang tot de beperkte capaciteit van de global workspace, het werkgeheugen. Dit werkgeheugen werkt waarschijnlijk dankzij een uitgebreid netwerk van verschillende hersengebieden. Informatie die toegang heeft gekregen kan dus uitgebreid worden doorgegeven aan andere hersengebieden.

De beschikbaarheid van informatie (global availability) die zo ontstaat, biedt de mogelijkheid tot (non)verbaal uiten. Hierbij zijn er twee mogelijkheden:

  1. wanneer de informatie in de global workspace komt gebeurt er nóg iets – tot nu toe onverklaarbaars – waardoor de informatie bewust wordt, óf

  2. als de informatie beschikbaar is geworden om geuit te worden, is dat hetzelfde als ‘bewust zijn’.

Theorieën die niet uitgaan van theaters

Veel theorieën verwerpen geheel het controversiële beeld van het podium en het theater. Libet gelooft bijvoorbeeld met zijn theorie over ‘neuronal adequacy’ niet in de vergelijking van het bewustzijn en een theater. Hij stelt dat we ons bewust worden van een gebeurtenis wanneer neuronen voor een bepaalde periode vuren. Veel gebeurtenissen blijven onbewust, omdat deze drempelwaarde niet door neuronen wordt bereikt.

Een ander voorbeeld is de ‘astonishing hypothesis’ van Crick. Deze theorie stelt dat je blijdschap, zorgen, ambities, je gevoel van persoonlijke identiteit en vrije wil niet meer zijn dan het samenkomen van zenuwcellen. Volgens deze visie staat bewuste ervaring gelijk aan de werking van neuronen. Bewuste ervaring wordt dus niet veroorzaakt door neuronen en het bewustzijn heeft ook geen interactie met neuronen. Bewustzijn en de werking van neuronen zijn volgens deze visie dus dezelfde dingen. Crick stelt dat het bewustzijn het meest gerelateerd is aan neurale activiteiten in de lagere corticale gebieden van de hersenen. Om je ergens bewust van te worden moeten deze corticale gebieden ondersteund worden door een soort korte termijn geheugen.

Het ‘eliminative materialisme’ van Paul en Pat Churchland stelt bewuste ervaringen gelijk aan hersenactiviteit. Zij stellen dat het vrij simpel is: neurale processen en subjectieve ervaringen zijn hetzelfde. “Elektromagnetische golven veroorzaken licht niet, correleren niet met licht; zij zijn licht. Dat is wat licht is.”

Het multiple drafts model van Dennett

Dennett stelt dat we CM het beste kunnen vermijden als we het hele concept van CT verbannen. We moeten volgens hem niet meer denken in termen van een theater of een publiek. Dennett is voorstander van het ‘multiple drafts model’. Dit model stelt dat alle mentale activiteiten (percepties, emoties en gedachten) in de hersenen ontstaan door parallelle processen in verschillende hersenroutes. Deze processen zorgen ervoor dat zintuiglijke input geïnterpreteerd kan worden. Deze processen zouden constant herzien worden. Om deze reden worden onze percepties en gedachten constant herzien en omgevormd.

Maar welke versies van onze percepties en gedachten zijn dan bewust? Als je denkt in termen van CT dan zou je zeggen dat alleen sommige versies door het publiek gezien kunnen worden. Dennett noemt zo een verklaring de ‘mythe van dubbele transductie’. De theorie van Dennett maakt geen gebruik van een ‘ik’ dat onderscheid maakt tussen waar iemand zich bewust of onbewust van zal zijn. Er zijn alleen maar meerdere ontwerpen van gevoelens, gedachten en percepties waarmee de hersenen werken. Sommige van deze ontwerpen (‘drafts’) worden gebruikt om gedrag te begeleiden of spraak te produceren, terwijl anderen worden opgeslagen in het geheugen.

Dennett stelt dat er, zoals door CT wordt beweerd, geen sprake is van een publiek. We praten over onze ervaringen en hebben daarom het gevoel dat er een soort ‘ik’ bestaat dat hiervoor verantwoordelijk is. Het is volgens hem een illusie dat er een observeerder (de ‘ik’) bestaat. We stellen weer twee vragen (zoals we dat bij de voorgaande theorieën ook hebben gedaan):

  1. is er bij deze theorie sprake van CT, en

  2. hoe verklaart deze theorie subjectiviteit (dus het feit dat we het gevoel hebben iets te ervaren)?

Bij deze theorie is er geen sprake van CT, aangezien Dennett niet gelooft in de vergelijking van het bewustzijn met een theater en een bijbehorend publiek. Daarnaast stelt dat hij subjectiviteit niet gezien moet worden in termen van wat de ‘ik’ ervaart. Toch heeft hij een kijk op de kwestie van subjectiviteit. Er is altijd sprake van een vertaling van een parallelle stroom van gebeurtenissen in het hoofd en deze gebeurtenissen kunnen op verschillende manieren vertaald en/of geïnterpreteerd worden.

Back to top

Wat hebben aandacht en timing met het bewustzijn te maken? - Chapter 5 (2e druk)

Een paar eeuwen geleden stelde James de volgende vraag: veroorzaakt bewustzijn aandacht of is bewustzijn het effect van het richten van aandacht? We hebben het gevoel dat ons bewustzijn ervoor zorgt dat sommige onderdelen van de wereld als het ware oplichten, terwijl dat niet geldt voor dingen waar we niet bewust naar kijken. Dit wordt ook wel ‘spotlight of attention’ genoemd. Het voelt dus alsof we onze aandacht ergens bewust op kunnen richten.

Er zijn talloze theorieën over aandacht uitgevoerd. Rond 1950 voerden onderzoekers bijvoorbeeld experimenten uit met de dichotische luistertaak. Bij zo een experiment krijgt iemand verschillende boodschappen te horen in beide oren. Het is de bedoeling dat iemand alleen aandacht besteedt aan de boodschappen die in het ene oor binnenkomen. Het resultaat van dit experiment was dat wat er binnenkomt in het andere oor onbewust wordt waargenomen, terwijl er geen aandacht aan besteed wordt. Dit soort bevindingen leidde tot het nog altijd voortgaande debat over het moment van aandachtselectie: vroeg, dicht bij het sensorische niveau, of pas nadat veel verwerking heeft plaatsgevonden.

Andere theorieën zagen aandacht als een flessenhals, waarbij pre-bewuste sensorische filters nodig waren om te besluiten wat doorgelaten zou moeten worden naar diepere fasen van de verwerking. Deze perceptie past goed bij het idee dat het brein een gelimiteerde capaciteit heeft voor gedetailleerde verwerking. Er is dan sprake van parallelle verwerking.

Aandacht en bewustzijn

Er zijn tegenwoordig uiteenlopende ideeën over de relatie tussen aandacht en bewustzijn. Mack stelt op basis van ‘inattentional blindness’ (zie deel 6) dat er geen bewuste perceptie kan bestaan zonder aandacht. Crick stelt daarentegen dat het bewustzijn nauw verbonden is aan aandacht.

Er bestaan dus in principe twee tegengestelde ideeën over bewustzijn en aandacht. Het eerste idee is dat als ergens aandacht aan besteed wordt, dat het dan in het bewustzijn terechtkomt. Het andere idee is dat het bewustzijn de aandachtsprocessen als het ware leidt en dat dit de grootste functie van het bewustzijn is. Dit past bij onze eigen ervaring van bewustzijn, namelijk dat we zelf (door middel van ons bewustzijn) kiezen waar we onze aandacht op richten.

James noemde bovenstaande ideeën de oorzaaktheorie en de gevolgtheorie. Hij stelde dat het bijna onmogelijk is om te weten welke theorie klopt en stelde op basis van ethische overwegingen dat vrijwillige aandacht een kracht (en dus een oorzaak) was. Deze kracht zou samenhangen met de eigen wil van de mens. Tegenwoordig vragen onderzoekers zich nog steeds af of het bewustzijn een oorzaak of een gevolg is.

De aandacht richten

Aandacht kan onvrijwillig of intentioneel gericht zijn en deze twee processen hangen grotendeels af van verschillende systemen in het brein. Vaak wordt aandacht onvrijwillig op iets gericht. We reageren bijvoorbeeld onmiddellijk wanneer we een luid geluid horen of als iemand onze naam uitspreekt. Deze onvrijwillige aandacht wordt aangestuurd door het ventrale aandachtssysteem en vindt voornamelijk plaats in de rechter hersenhelft in de frontale, parietale en temporale gebieden. Sommige lichamelijke systemen proberen er constant voor te zorgen dat het lichaam, de ogen en het hoofd altijd gecoördineerd blijven in relatie tot de buitenwereld.

Sommige van deze controlesystemen zijn gebaseerd op ‘retinocentric coordinates’. Dit houdt in dat ze objecten stabiel proberen te houden op de retina. Andere systemen gebruiken ‘craniocentric coordinates’. Dit houdt in dat de wereld als het ware stabiel gehouden moet worden in relatie tot de positie van het hoofd. Vaak gaan beide soorten controlesystemen samen met snelle en onbewuste processen.

De ogen op een object richten is niet hetzelfde als aandacht besteden aan dat object. Helmholz bewees dat het mogelijk is om naar het ene object te kijken, maar de aandacht ergens anders op te vestigen. Dit wordt ook wel ‘covert attention scanning’ genoemd. De superior colliculus en de frontale ooggebieden (FEF’s: ‘frontal eye fields’) zijn verantwoordelijk voor het kijken naar een object en neuronen in de posterior parietal cortex zorgen ervoor dat aandacht verschoven kan worden. Activiteit in deze FEF-neuronen correspondeert met het mentale ‘spotlight of attention’.

Een andere vorm van onvrijwillige visuele aandacht gebeurt als het sprake is van een ‘pop-out’. Als er tussen verschillende stimuli een stimulus tussen zit die anders is dan de rest, dan zal deze als het ware ‘eruit poppen’ en de aandacht trekken.

De halve seconde vertraging van het bewustzijn

Libet voerde experimenten uit waaruit bleek dat er sprake moet zijn van ongeveer een halve seconde durende neurale activiteit om bewustzijn te veroorzaken. Dit wordt ook wel ‘half-second delay’ genoemd. Tijdens zijn experimenten stimuleerde hij de sensorische cortex van mensen die wakker en bewust waren. Hun somatosensorische cortex werd gestimuleerd met elektroden. Deze stimulatie verschilde steeds in frequentie, intensiteit en tijdsduur. Het resultaat was dat de deelnemers stelden dat ze bewuste zintuiglijke waarnemingen hadden.

Libet ontdekte het verband tussen de intensiteit van de stimulatie en hoe lang de zintuiglijke ervaring duurt. Hij stelde dat er een bepaalde mate van intensiteit nodig is voor zintuiglijke waarnemingen. Als deze mate niet bereikt wordt, dan zou er geen waarneming plaatsvinden, hoe lang een hersendeel ook gestimuleerd werd. Hij ontdekte dat de stimulatie minstens een halve seconde moet duren om effect te hebben. Er wordt ook wel gezegd dat de ‘train duration’ minstens een halve seconde moet duren. Libet concludeerde bovendien dat alleen de somatosensorische cortex zelf voor een bewuste waarneming kan zorgen.

De terugverwijzingshypothese (‘backwards referral hypothesis’) voorspelt dat stimulatie van de medial lemniscus terugverwezen (‘subjective referral’) moet worden. Libet onderzocht deze hypothese door deelnemers te vragen over de timing van verschillende stimuli. Zoals voorspeld vond hij dat wanneer een aanraking van de huid op hetzelfde moment voorkwam als de stimulatie van de mediale lemniscus, dat deelnemers het gevoel hadden dat ze beide op hetzelfde moment voorkwamen. De stimulatie van de mediale lemniscus werd alleen gevoeld wanneer de stimulatie lang genoeg duurde. Over het algemeen zijn critici niet tot overeenstemming gekomen over de zwakke punten en resultaten van de experimenten van Libet. De enige manier om zeker te zijn is om de experimenten te herhalen. Het is helaas niet meer mogelijk om zijn experimenten te repliceren, omdat er tegenwoordig strengere regels worden gehanteerd voor het stimuleren van de hersenen. Er zijn onderzoekers die op basis van de experimenten van Libet tot een andere conclusie over het bewustzijn komen.

Interpretatie van het werk van Libet

Libet stelt dus dat een ervaring pas bewust is wanneer deze minimaal een halve seconde duurt. Hiermee maakt hij onderscheid tussen bewuste en onbewuste processen. Milner en Goodale stellen dat de ventrale route leidt tot het bewustzijn, terwijl dat niet geldt voor de dorsale route. Libet stelt alleen maar dat een activiteit een bepaalde tijdsduur moet hebben wil het bewust opgemerkt worden. Daarnaast stelt Libet dat de terugverwijzingshypothese bewijs geeft tegen het materialisme en de ‘theorie van psychoneurale identiteit’. Deze theorie stelt dat het bewustzijn en de activiteit van neuronen dezelfde dingen zijn. Eccles, Popper en Penrose vinden dat de bevindingen van Libet bewijs geven voor het dualisme.

Flitsen

Wundt ontdekte het ‘subjective time displacement’ fenomeen. Dit houdt in dat wanneer je deelnemers vraagt om de relatieve timing van auditieve of visuele stimuli vast te stellen, dat mensen fouten maken bij het vaststellen van welke gebeurtenis als eerste gebeurd is.

We ervaren dingen dus niet altijd in de volgorde waarin ze gebeuren. Een idee is dat er twee werelden bestaan:

  1. een buitenwereld waarin gebeurtenissen in één volgorde gebeuren en

  2. een wereld die we van binnen ervaren door middel van ons bewustzijn.

In deze wereld kunnen gebeurtenissen in een andere volgorde voorkomen. Libet gaat niet uit van dit idee, maar het blijft een mogelijkheid. Bewijs voor dit idee wordt gegeven door het zogenaamd phi-fenomeen.

Als twee flitsen (in verschillende posities) heel kort na elkaar worden laten zien, dan heeft de observeerder het gevoel dat er sprake is van één licht dat beweegt. Hij of zij ziet dus niet twee aparte flitsen. Bij het phi-fenomeen is het ook zo dat de kleur van de flits van rood naar groen verandert nog voordat de tweede flits wordt laten zien. Iemand die dit observeert ziet echter alleen maar één bewegend lichtpunt dat van rood naar groen verandert.

Een ander voorbeeld is wat ‘cutaneous rabbit’ wordt genoemd. Als je een aantal keer op je pols, daarna op je elleboog en tot slot op je bovenarm wordt aangeraakt dan voelen die aanrakingen niet als afzonderlijk, maar als een geheel. Het voelt dan alsof er iets van onder tot boven aan de arm ‘klimt’.

Back to top

Wat wordt bedoeld met 'de grote illusie'? - Chapter 6 (2e druk)

Wat betekent het om te zien? Is visuele ervaring een illusie? De term ‘grote illusie’ ontstond naar aanleiding van onderzoek naar ‘changing blindness' en ‘inattentional blindness’. De term ‘de grote illusie’ staat voor het idee dat de rijkheid van onze visuele wereld een illusie is. Alva Noë stelt met zijn ‘new sceptism’ dat de hersenen een innerlijk model van de wereld bouwen, zodat we eigenlijk misleid worden over de aard van onze ervaringen. Een illusie is niet iets wat niet bestaat (zoals een fee of een geest), maar iets dat niet is wat het lijkt te zijn.

Er bestaan twee soorten theorieën over visuele ervaring. Het eerste idee is dat er een stroom van bewuste visuele impressies is die verklaard moeten worden. De implicatie hiervan is dat er op elk moment een oneindig aantal delen bestaat in een oneindige visuele stroom. Het tweede idee is dat zien het hebben van interne mentale foto’s betekent; het idee dat de visuele wereld gerepresenteerd is in ons hoofd. Dit idee is al minstens enkele eeuwen oud en Leonardo da Vinci was de eerste die het oog beschreef als een ‘camera obscura’, een donkere kamer waarin een beeld van de wereld geprojecteerd werd.

Gaten invullen

James zegt dat we tijdens het rondkijken niet alles wat we zien in ons kunnen opnemen. Toch zijn we er niet bewust van dat we over dingen heen hebben gekeken. Hoe komt het dat we deze ‘gaten’ niet waarnemen? Een visie is dat de hersenen de missende delen zelf invullen. Een andere mogelijkheid is dat het niet nodig is om de gaten op te vullen, omdat de gaten staan voor een gebrek aan informatie.

Er zijn allerlei visies over gaten invullen:

  1. De hersenen vullen daadwerkelijk alle details in zodat er een compleet beeld in de hersenen ontstaat (of in het bewustzijn?); dit wordt ‘isomorphic filling-in’ genoemd en vindt waarschijnlijk plaats op lage niveaus van het visuele systeem. Zoals we net al zagen stelt Koch dat hiervoor actieve processen zoals ‘completion’ worden gebruikt.

  2. De gaten worden op een hoger niveau van het visuele systeem ingevuld en dit is meer conceptueel van aard, in plaats van dat er een plaatje wordt ingevuld. Dit heet ‘symbolic filling-in’.

  3. De hersenen hebben niet de behoefte om gaten in te vullen. Deze laatste is de meest sceptische visie.

Het ligt echter gecompliceerder dan deze twee visies. Ramachandran stelt dat als mensen twee verticale lijnen zien (één boven en één onder de blinde vlek), dat ze dan toch denken dat de verticale lijn doorloopt. Daarnaast heeft Ramachandran aangetoond dat gaten in kleur en beweging ook worden ingevuld door de hersenen.

Veranderingsblindheid (‘change blindness’)

Uit onderzoek blijkt dat mensen veranderingen in plaatjes vaak niet opmerken als op dat moment ze een oogbeweging moeten maken, bijvoorbeeld als ze eerst naar een plaatje links en dan naar een plaatje rechts moeten kijken. In dit experiment werden tijdens een saccade (hierbij wordt een verspringing van het oog gemeten met bepaalde apparatuur) delen van de omgevende tekst veranderd en deze veranderingen merkten de mensen niet op. Een oogbeweging zorgt ervoor dat we alleen nog op ons geheugen kunnen vertrouwen om veranderingen vast te stellen. Blijkbaar is ons geheugen niet perfect en hebben we niet altijd een stabiel en gedetailleerd beeld van de wereld in ons bewustzijn. Het blijkt niet eens nodig te zijn om gebruik te maken van twee verschillende plaatjes. Het is ook mogelijk om een plaatje een beetje te verschuiven en ondertussen een verandering in het plaatje aan te brengen. Dan merken mensen de verandering ook niet op. Bij veranderingsblindheid is aandacht nodig om veranderingen op te merken, maar de vraag is of de aandacht richten voldoende is. Waarschijnlijk is dit niet zo, omdat het fenomeen niet verdwijnt als mensen hun aandacht richten op een object, plaatje of gebeurtenis.

Mensen hebben zelf echter wel altijd het idee dat ze veranderingen opmerken en kunnen niet geloven dat ze over veranderingen heen hebben gekeken.

‘Inattentional blindness’

Mack en Rock stellen dat bewuste perceptie afhangt van aandacht. Ze kwamen tot deze conclusie door ‘inattentional blindness’ te onderzoeken. Inattentional blindness houdt in dat er geen sprake is van bewuste perceptie wanneer iets niet in de aandacht staat.

Theorieën over visie

Deze experimenten vertellen ons dat er waarschijnlijk niet zoiets is als een ‘stroom van visie’ wat aan het begin van dit hoofdstuk is besproken. Zien is waarschijnlijk niet een proces van het opbouwen van gedetailleerde representaties die gebruikt kunnen worden om details met elkaar te vergelijken. We slaan blijkbaar niet zoveel informatie op als we dachten, anders zou veranderingsblindheid bijvoorbeeld niet bestaan. Toch hebben we het gevoel dat er sprake is van continuïteit als we naar de buitenwereld kijken. We hebben niet het gevoel dat we losse stukken zien, maar dat visie als het ware steeds doorgaat en ‘vloeit’.

Simons en Levin stellen dat we een rijke visuele ervaring hebben wanneer we ons ergens op richten. We halen hier een betekenis uit en wanneer we onze ogen bewegen, krijgen we een nieuwe visuele ervaring. Ons visuele systeem gaat er echter van uit dat de visuele details niet veranderd zijn. We nemen daarom geen veranderingen waar. Dit zorgt voor een fenomenale ervaring van continuïteit zonder teveel verwarring.

Rensink gelooft dat mensen nooit een complete representatie van de wereld kunnen hebben. We maken alleen een representatie van een object als dat nodig is, maar we hebben niet overal een representatie van. O’Regan beaamt dit. Er is geen nood om grote hoeveelheden visuele informatie op te slaan, omdat we de wereld zelf kunnen gebruiken als extern geheugen als ‘het beste model’. Hij verwerpt wel dat we überhaupt interne modellen nodig hebben: de visuele wereld is niet iets wat we hebben, maar wat we doen.

O’Regan en Noë geloven dat zien niets te maken heeft met het opbouwen van interne representaties van objecten. Zij zijn voorstander van een sensormotorische theorie van visie en visueel bewustzijn. Zij stellen dat traditionele theorieën niet kunnen verklaren hoe interne representaties leiden tot visueel bewustzijn. Ze negeren dit probleem door te stellen dat zien niet het bouwen is van modellen maar een handeling om de omgeving te verkennen. Een organisme heeft de ervaring van zien wanneer het de vaardigheden ontwikkeld om visuele informatie te extraheren van de wereld. Interactie met de visuele informatie gebeurt door lichaamsbewegingen, knipperingen en andere acties waardoor je ‘visueel manipuleert’.

Wat je dan ziet is niet een plaatje van de wereld maar informatie die vraagt om verdere exploratie. Als je stopt met manipuleren van de wereld, wanneer je niet interacteert, zie je niks. De inconsistentie van de stroom van visie en de veronderstelling van een interne stroom van plaatjes en representaties wordt veronderstelt door de resultaten van filling-in, inattentional blindness en change blindness. Het meest extreme standpunt dat je kan nemen is dat de hele stroom van visie een illusie is.

Back to top

Wat houden 'de zelf' en 'de meervoudige zelf' in? - Chapter 7 (2e druk)

Vragen over de aard van bewustzijn zijn nauw gebonden aan vragen over de aard van de zelf, omdat het lijkt alsof er iemand die ervaart nodig is om ervaringen tot stand te laten komen. De door ons ervaren ‘zelf’ lijkt centraal te staan bij alles waar we ons bewust van zijn op elk moment. Hierdoor heeft de zelf zowel uniciteit als continuïteit. Het probleem start echter wanneer je je afvraagt wat voor soort iemand diegene die ervaart moet zijn.

Hoe komt het dat we het gevoel hebben dat er een ‘zelf’ bestaat die constant allerlei ervaringen heeft? Er zijn twee ideeën over de zelf in de psychologie:

  1. er bestaat zoiets als een zelf die allerlei ervaringen heeft en besluiten maakt, en

  2. het lijkt alsof er een zelf bestaat, maar dit is in werkelijkheid niet het geval.

Uit de eerste visie komen de egotheorieën voort en uit de tweede visie zijn de bundeltheorieën voortgekomen. In veel religies wordt uitgegaan van de eerste visie. Alleen in het boeddhisme wordt ontkend dat de zelf bestaat. Veel vormen van substantie dualisme zijn egotheorieën, omdat ze stellen dat het verstand gelijkstaat aan de zelf. Een voorbeeld is de theorie van ‘dualist interactionism’ van Popper en Eccles. Volgens deze theorie heeft het zelfbewuste verstand (‘self-conscious mind’) controle over de hersenen. Het onderscheid tussen monisten en dualisten is niet hetzelfde als het onderscheid tussen egotheorieën en bundeltheorieën. Er zijn namelijk materialisten (monisten) die wel geloven dat er een zelf bestaat.

Bundeltheorieën zijn gebaseerd op het werk van Hume die stelt dat de zelf niet bestaat, maar dat er sprake is van een bundel van sensaties. Het leven van een persoon zou bestaan uit een aaneenschakeling van sensaties, indrukken en ideeën, die elkaar in een voortdurende stroom razendsnel opvolgen, een mensenleven lang. Hume en Boeddha delen dus het idee dat er geen zelf bestaat. Hume gaf echter toe dat bundeltheorieën ingaan tegen iets wat we als normaal ervaren. We hebben namelijk allemaal het gevoel dat er een zelf bestaat.

Meervoudige persoonlijkheid

Bij mensen met een meervoudige persoonlijkheid lijkt het zo te zijn dat er meerdere zelven in hen leven. Zo kan iemand de zelf van een klein kind, een oude vrouw, een generaal en een docent hebben. De persoonlijkheden wisselen elkaar af en ze hebben verschillende vaardigheden, verschillende intelligentieniveaus en verschillende herinneringen. Ze kunnen zich herinneringen van elkaar niet herinneren.

Het beroemdste voorbeeld van een persoon met een meervoudige persoonlijkheidsstoornis is beschreven door Prince die mevrouw Beauchamp behandelde. Deze mevrouw had een vreselijke jeugd gehad, had pijn en was erg vermoeid. Prince maakte gebruik van hypnose om de pijn en vermoeidheid te verminderen. Tijdens de hypnose verscheen er een tweede, passieve persoonlijkheid naar voren (BII genoemd. Op een dag begon mevrouw Beauchamp echter over zichzelf te praten in de derde naamval, dit was haar derde persoonlijkheid, namelijk Sally (BIII). Deze persoonlijkheid was totaal anders dan mevrouw Beauchamp zelf.

De twee persoonlijkheden hadden geen kennis van elkaar of van de derde persoonlijkheid en elk leven had leegtes in het geheugen hetgeen correspondeerde met de tijden wanneer de andere persoonlijkheden actief waren. Echter, Sally leek wel de andere persoonlijkheden te kennen en claimde in staat te zijn om zich gebeurtenissen te kunnen herinneren wanneer de persoonlijkheden hun controle verloren. Mevrouw Beauchamp erkende echter niet dat ze meerdere persoonlijkheden had.

Prince noemde Sally een ‘subconscious’ (onbewust) zelf, dit betekent dat deze zelf allerlei bewuste ervaringen heeft, terwijl een andere zelf de leiding heeft. Prince wilde de ‘echte’ Miss Beauchamp vinden en stelde dat de andere zelven (zoals Sally) staan voor een splitsing van bewuste toestanden. Het lukte Prince om alle persoonlijkheden samen te brengen tot het echte zelf van Miss Beauchamp.

Prince was duidelijk een aanhanger van de egotheorieën. Hij geloofde niet alleen in de ‘ware mevrouw Beauchamp’, maar ook in diverse andere verschillende zelven die verschillende staten van bewustzijn waren met een gescheiden wil. James geloofde dat het bestaan van mensen zoals Miss Beauchamp bewijs geeft voor het feit dat dezelfde hersenen meerdere zelve kunnen doen ontstaan. Harré en Gillett stellen dat er meerdere zelve in het lichaam van Miss Beauchamp bestonden, maar niet omdat Miss Beauchamp zelf meerdere zelve had, maar omdat de meerdere zelve door redenering waren ontstaan.

Doorgesneden hersenen (split brain)

In het geval van meerdere persoonlijkheid blijft het brein van de persoon in kwestie intact en is de dissociatie eerder mentaal dan lichamelijk. Het omgekeerde lijkt te gebeuren wanneer een persoon een brein heeft dat in tweeën is verdeeld.

Rond 1960 werden operaties uitgevoerd waarbij de doorgang(en) tussen beide hersenhelften werd doorgesneden om symptomen van epilepsie te verminderen. Een persoon bij wie deze operatie werd uitgevoerd heet een ‘split brain patiënt’. Normaal gesproken gaat informatie van het linker visuele veld naar de rechter hemisfeer en informatie uit het rechter visuele veld naar de linker hemisfeer. Als je een split brain patiënt voor een computerscherm zet en twee beelden laat zien, gebeurt er iets interessants. Het plaatje links op het scherm wordt door de rechter hersenhelft verwerkt en dit zorgt ervoor dat iemand niet kan zeggen wat hij of zij heeft gezien. Het waarnemen van het rechter plaatje wordt door de linker hersenhelft verwerkt. Aangezien de linker hersenhelft gespecialiseerd is in spraak, kan iemand wel benoemen wat hij of zij op het rechter plaatje heeft gezien. Sperry stelt dat de ene hersenhelft niet weet wat de andere hersenhelft doet in het geval van een split brain patiënt. Elke hersenhelft heeft dus zijn eigen herinneringen en deze herinneringen kunnen niet doorgegeven worden aan de andere hersenhelft.

Gazzaniga geloofde aanvankelijk dat er bij split brain patiënten sprake is van een ‘double conscious system’. Er zou bij deze mensen dus sprake zijn van twee verschillende vormen van bewustzijn. Later veranderde Sperry zijn mening, omdat hij geloofde dat er een soort ‘interpreteerder’ aanwezig is in de linker hersenhelft. Als een patiënt op een scherm aan de linkerkant een ondergesneeuwd huis ziet en aan de rechterkant een kippenpoot ziet, gebeurt er iets geks. Als hij of zij daarna moet aanwijzen welke objecten horen bij deze plaatjes, wijst de patiënt een kip aan (omdat deze bij de kippenpoot hoort) en wijst hij ook een schep aan. Hij zegt echter niet dat de schep nodig is om de sneeuw weg te halen. Hij zegt de schep gekozen te hebben, omdat een schep nodig om het kippenhok schoon te maken. Dit soort van ’lariekoek’ komt veel voor in experimenten met emoties.

Gazzaniga is op basis van zijn experimenten van mening dat de linker hersenhelft taal gebruikt, overtuigingen ordent en handelingen en intenties aan mensen toeschrijft. Alleen de linker hersenhelft zou verantwoordelijk zijn voor ‘high-level consciousness’.

Uit onderzoek blijkt dat beide hersenhelften verschillende functies hebben. De rechter hersenhelft is verantwoordelijk voor gezichtsherkenning, terwijl verbale vaardigheden zich in de linker hersenhelft bevinden. Als de linker hersenhelft van een persoon wordt verwijderd, dan blijft deze persoon toch zijn of haar bewustzijn behouden. Dit zou kunnen betekenen dat Sperry het bij het rechte eind had toen hij stelde dat er twee verschillende vormen van bewustzijn aanwezig zijn in beide hersenhelften.

MacKay vindt echter dat er geen bewijs bestaat voor deze aanname. Hij maakte onderscheid tussen uitvoerende onderdelen van de hersenen (‘executive levels of brain function’) en superviserende onderdelen van de hersenen (‘supervisory levels of brain function’). Uitvoerende onderdelen van de hersenen kunnen doelgerichte activiteiten leiden en ze kunnen deze activiteiten evalueren in termen van gestelde prioriteiten.

Aanhangers van de bundeltheorie beweren dat de discussie of split brain patiënten één bewustzijn hebben of dat zij er twee hebben onnodig is, omdat er volgens hen geen aparte ‘zelf’ bestaat.

Back to top

Welke theorieën over de zelf zijn er? - Chapter 8 (2e druk)

Tot dusver hebben we theorieën over de zelf verdeeld in twee categorieën: ego-theorieën die een soort van permanente continuïteit met zich meebrengen en bundeltheorieën die dit niet doen. Egotheorieën maken het moeilijk om testbare hypothesen te ontwerpen en bundeltheorieën hebben geen verklaring voor het feit dat mensen het gevoel hebben dat ze een zelf hebben. Egotheorieën hebben wat weg van het idee van een Cartesiaans theater, waarbij de zelf allerlei dingen waarneemt. Het is lastig om te ontkennen dat de zelf bestaat. We hebben namelijk wel het gevoel dat we een zelf hebben.

James

James heeft veel geschreven over het bewustzijn en de zelf. Zijn werk gaat vooral over hoe de zelf aanvoelt. We hebben het gevoel dat we een persoonlijke identiteit hebben. Centraal daarin is continuïteit en eenheid van de zelf. Ook hebben we het gevoel dat onze gedachten van ons zijn en dicht bij ons staan; hierin onderscheiden en verschillen we echter van anderen. Hij maakt onderscheid tussen het wat hij noemt

  1. de empirische zelf of objectieve persoon (‘me’) en

  2. subjectieve gedachten of het pure ego (‘I’).

De empirische zelf is makkelijk om mee om te gaan en bevat drie aspecten:

  1. de materiële zelf; deze bestaat uit het lichaam, kleren, bezittingen, familie en vrienden,

  2. de sociale zelf; deze gaat over iemands reputatie en wat voor beeld anderen van die persoon hebben en hoe hij daarop reageert,

  3. subjectieve ervaringen, welke de bron van aandacht en inspanningen is.

James stelt dat het pure ego (‘I’) moeilijk te beschrijven is. James stelt dat het pure ego volgens sommigen staat voor de geest en volgens anderen verzonnen is. De laatste groep gelooft dus dat de zelf niet bestaat. James wijst beide ideeën af en gaat voor een middenweg.

Continuïteit van de zelf ziet James enkel als een potentieel: de gedachte als een tijdelijke beheerder van andere gedachten. James theorie stopt wanneer er een verklaring nodig is voor hoe en waarom het bestaan van tijdelijke menselijke taal samenhangt met het functioneren van onze breinen. James stelt dat zijn theorie zich tussen de ego-theorieën en bundeltheorieën bevindt.

Neurowetenschappelijke modellen

Dennett stelt dat het invullen van visuele gaten niet voorkomt omdat er niet een zelf bestaat waar dat voor zou moeten gebeuren. Ramachandran bewees met zijn experimenten dat het invullen van visuele gaten in sommige situaties wel degelijk voorkomt. Wel lijkt het zo te zijn dat het invullen van visuele gaten niet voor iemand (dus voor de zelf), maar voor iets anders gebeurt, namelijk voor een ander hersensysteem. Ramachandran heeft het over het uitvoerende systeem waar MacKay ook over spreekt. MacKay kijkt daarnaast specifiek naar controleprocessen in de pre(frontale) gebieden. Ramachandran heeft meer aandacht voor het limbische systeem. De processen die het beste met het idee van de zelf overeenkomen hebben te maken met de combinatie van motivatie, emotie en handelingen. Deze combinatie wordt in werking gezet door binnenkomende zintuiglijke waarnemingen (qualia). We maken van deze qualia gebruik om het limbische systeem in werking te stellen. Onze bewuste ervaringen zijn dus de input voor het limbische systeem.

Ramachandran stelt dat een zelf die zich in de hersenen bevindt niet bestaat, maar hij verklaart niet hoe input van buitenaf ervaringen kunnen zijn. Daarnaast legt hij niet uit hoe qualia als input gebruikt kunnen worden.

Damasio maakt onderscheid tussen de ‘proto-self’, de ‘core-self’ en de ‘autobiographical self’. De proto-self bestaat uit een set van neurale patronen die de toestand van een organisme elk moment opslaan. De meest basale vorm van bewustzijn is ‘core-consciousness’, dat niet alleen bij mensen maar ook bij dieren voorkomt. Deze vorm van bewustzijn hangt niet af van het geheugen of van taalvaardigheden. Deze vorm van bewustzijn geeft een organisme het gevoel dat hij in het hier en nu bestaat. Hier is de ‘core-self’ mee verbonden. De ‘autobiographical self’ hangt af van persoonlijke herinneringen en ontwikkelt zich steeds verder naarmate iemand ouder wordt. Deze vorm van de zelf kan in een minder ontwikkelde vorm ook bij dieren voorkomen.

Damasio gelooft dat deze zelf niet een afzonderlijke entiteit is, maar te maken heeft met je levensverhaal. Damasio stelt dat het bewustzijn een gevoel is en dat gevoelens neurale patronen zijn. Hij kan echter niet uitleggen waar subjectiviteit vandaan komt. In de GWT-theorie (Global Workspace Theory) van Baars ervaren we een zelf omdat sommige informatie in ons hoofd in de schijnwerpers staat en dus de aandacht krijgt. Er zou volgens Baars een ‘self-system’ bestaan die invloed heeft op wat er in de schijnwerpers zal staan. Baars gebruikt het onderscheid dat James tussen ‘me’ en ‘I’ maakt om het zelfconcept te onderscheiden van het meer fundamentele ‘self-system’. Dit zelfsysteem is fundamenteel, omdat het bewustzijn hier interactie mee zou moeten hebben. Het bewustzijn en de zelf zijn op deze manier altijd verbonden aan elkaar. Deze theorie ziet de zelf niet als een illusie.

Lussen (‘loops’), tunnels en de parelvisie (‘pearl view’)

Hofstadter noemde zichzelf een ‘vreemde loop’, een ‘luchtspiegeling die zichzelf waarneemt’. Volgens hem zitten de hersenen vol lussen, bestaande uit vele niveaus van lus-achtige zelfbeschrijvingen. Deze vormen samen een bewuste zelf. Op dit niveau is de zelf geen illusie. Op een lager niveau komen we uit bij neurale activiteit. De ’ik’ valt dan uit elkaar. Bekeken op dit niveau is de zelf een illusie. De ‘theory of strange loops’ is een bundeltheorie.

Metzinger introduceert het ‘phenomenal self-model’ (PSM). Door een patroon van neurale activiteit worden delen van de wereld geïntegreerd tot een innerlijk beeld van jezelf als een geheel. In Metzinger’s theorie is de zelf de inhoud van het PSM. Volgens hem zijn bewuste ervaringen niet een beeld van de werkelijkheid, maar een tunnel door de werkelijkheid heen. Ook de PSM theorie is een bundeltheorie.

Pearl view

Strawson beschreef wat hij noemde de parelvisie (‘pearl view’). Hij gelooft dat er veel mentale zelven zijn die zichzelf op verschillende momenten afwisselen, net zoals parels aan een ketting. Volgens deze visie bestaan zelven echt, maar zijn het geen afzonderlijk bestaande entiteiten.

De zelven staan voor verschillende patronen van neurale activiteit of toestanden van activering die komen en gaan. Hij stelt dat de zelven ervaringen waarnemen (Subjects of Experience that are Single Mental Things, SESMET). Elke zelf kan volgens Strawson een aantal seconden duren, maar ook veel langer, maar als het ene zelf verdwijnt, dan komt er een ander zelf voor in de plaats. Voor een zelf zou een persoonlijkheid of lange termijn geheugen niet nodig zijn. Er is dus niet sprake van één blijvend zelf. De theorie van Strawson is duidelijk geen egotheorie. Het lijkt echter zo te zijn dat de theorie ook geen bundeltheorie is, aangezien Strawson toegeeft dat we het gevoel hebben dat het parel zelf een gevoel van eenheid met zich meebrengt. Hij stelt, zoals aanhangers van bundeltheorieën, niet dat het ervaren van de zelf niet meer is dan een bundel van sensaties en percepties. De theorie kan echter niet verklaren waarom we het gevoel hebben dat er een zelf bestaat dat blijvend is.

Geen publiek in het Cartesiaans theater

Dennett stelt dat er geen Cartesiaans theater bestaat en dat er dus ook geen show of publiek in dat theater bestaat. Waarom hebben we dan toch het gevoel dat er wel zo een theater bestaat? Dennett stelt dat mensen erg in termen van alles-of-niets denken als het gaat om een zelf.

We hebben dus of wel of niet een zelf. Hij stelt dat zelven uitkomsten van de evolutie zijn en dat ze stukje voor stukje worden opgebouwd tijdens ons leven. Patiënten met een split brain zijn niet per definitie één zelf. Twee of meerdere moeten kunnen bestaan. Hij is voorstander van het idee dat er geen zelf bestaat en is daarom een aanhanger van de bundeltheorieën. Dennett ziet het narratief als een illusie. Meerdere zelven komen en gaan. Het verhaal daarin wordt geconstrueerd door breinen, maar de hoofdpersoon ontbreekt. De idee van een enkele bron, van eenheid en continuïteit is een vals idee dat ontstaat door echte woorden.

Back to top

Wanneer is er wel of geen sprake van vrije wil? - Chapter 9 (2e druk)

Het probleem van de vrije wil gaat terug naar de Griekse filosofen 2000 jaar geleden. De basisvraag die steeds gesteld werd was of we vrij zijn om onze acties en besluiten te maken. Er bestaan hierbij twee belangrijke problemen. Het eerste probleem is het determinisme: als dit universum loopt door deterministische wetten, dan zou alles wat gebeurt onvermijdelijk moeten zijn. Als dit waar zou zijn, zou er geen vrije wil kunnen bestaan. Het tweede probleem is morale verantwoordelijkheid: als ik niet vrij ben om mijn acties te kiezen, hoe kan ik mij dan moreel of verantwoordelijk voor deze acties voelen?

Compatibilisten geloven echter dat sommige dingen bepaald kunnen zijn, maar dat vrije wil alsnog kan bestaan. Er is een verband tussen de zelf en het bewustzijn. We handelen alsof er een ‘ik’ bestaat dat bewuste keuzes maakt. Het lijkt zo te zijn dat onze bewuste gedachten de oorzaak zijn van onze handelingen. James wees het idee van een blijvend zelf af, maar geloofde wel in een spirituele kracht. Het gevoel van inspanning is volgens hem geen illusie, maar de oorzaak van het bewustzijn en van de persoonlijke wil. We weten dat gedachten en emoties een rol spelen bij besluitvorming. We wegen zaken af en vergelijken ze met elkaar. De vraag is waar in dit proces het bewustzijn een rol speelt.

De anatomie van wilskracht

Als we een vrijwillige handeling uitvoeren, dan worden de frontale lobben geactiveerd. De prefrontale kwabben zetten motorische handelingen in werking. Deze zenden weer signalen naar de premotorische gebieden die de handelingen programmeren. Dit wordt weer doorgestuurd naar de primaire motor cortex om motorische output te bereiken. Het supplementaire motorische gebied is betrokken bij het ordenen en programmeren van motorische handelingen volgens een motorische plan. De anterior cingulate selecteert de informatie die nodig is voor handelingen, pijn en emotie.

Beschadiging van de dorsolaterale prefrontale cortex (DLPFC) kan leiden tot een gebrek aan spontane activiteit en tot stereotypische handelingen. Beschadiging van het prefrontale gebied en de corpus callosum kunnen een ‘alien hand’ tot gevolg hebben. Patiënten die een ‘alien hand’ hebben, hebben het gevoel dat hun hand onvrijwillige handelingen uitvoert. Schade aan de corpus callosum kan ‘anarchic hand’ veroorzaken. In dat geval vinden mensen het lastig om hun handen twee tegengestelde dingen te laten doen. Stimuli die niet worden opgemerkt beïnvloeden echter toch onze motivaties.

Uit onderzoek van Spence en Firth kwam naar voren dat de DLPFC geassocieerd is met de subjectieve ervaring van beslissen.

De rol van de bewuste wil in vrijwillige actie

Sinds 1960 is het duidelijk dat het ‘readiness potential’ (RP) voorafgaat aan vrijwillige bewegingen. Het readiness potential staat voor een negatieve lading in het elektrische potentiaal die gemeten kan worden met elektroden die aangebracht worden op de schedel voordat handelingen uitgevoerd worden.

Libet stelde dat als bewuste intenties de oorzaak van handelingen zijn, dat dan de subjectieve ervaring als eerst zou moeten plaatsvinden. Dit zou vervolgens samen moeten gaan met cerebrale processen. Hij voerde een experiment uit om te kijken hoe vrijwillige bewegingen zich verhouden tot RP. Hij lette hierbij op drie dingen:

  1. het begin van de beweging,

  2. het begin van de RP, en

  3. het moment waarop er sprake is van een bewuste keuze om te bewegen.

Het begin van de beweging en het begin van de RP kon hij gemakkelijk waarnemen. Interessant is dat hij er achter kwam dat de bewuste keuze om te bewegen na de RP ontstaat. Deze resultaten lijken te zeggen dat het bewustzijn te laat komt om de oorzaak van de beweging te zijn.

Libet stelde dat onbewuste hersenprocessen de oorzaak zijn van een vrijwillige beweging, maar het bewustzijn kan (net voordat de vrijwillige beweging uitgevoerd wordt) dit tegenhouden of juist niet. Dit zou ongeveer 150 ms voor de uitvoering van de beweging gebeuren. Op deze manier stelde Libet dus dat het bewustzijn toch een causale rol heeft bij vrijwillige handelingen.

Het debat over de onderzoeksresultaten van Libet

Op het experiment van Libet is veel kritiek gekomen. Belangrijke kritiekpunten waren:

  1. Er bestond twijfel over de manier van het meten van de wil, de bewuste intentie. Het is onmogelijk om de gevonden resultaten te generaliseren naar andere acties, omdat de proefpersonen in het experiment de acties niet konden kiezen, alleen het moment van de actie.

  2. Er bestond twijfel over de methode van backwards referral.

  3. Bovendien werd door sommige onderzoekers gesuggereerd dat bewustwording van de eigen acties samengaat met gebeurtenissen na de intentie en voorbereiding, maar voordat het motorische bevel verzonden is.

Dennett verwerpt de vrije wil niet, maar stelt dat de vrije wil alleen gezien moet worden als iets dat moreel gezien belangrijk is, maar niet als iets dat bovenmenselijk is en verbonden is aan de ziel.

De ervaring van vrije wil

Walter voerde een onderzoek uit bij mensen waarbij hij elektroden op de motorische cortex had geplaatst. Hij zette ze voor een scherm met een diashow en stelde dat mensen zelf een knopje mochten indrukken wanneer ze een nieuwe dia wilden zien. De deelnemers wisten echter niet dat er steeds een nieuwe dia op het scherm te zien was wanneer sprake was van activiteit in de motorische cortex. Het knopje had dus geen effect, terwijl mensen dat wel dachten. Wat bleek? De deelnemers zeiden dat net wanneer ze het knopje in wilden drukken, de nieuwe dia al op het scherm te zien was. Ze snapten niet hoe dat mogelijk was. Dit gegeven laat zien dat mensen hun handelingen kunnen leiden zonder dat ze het gevoel hebben dat ze dat doen.

Wegner stelt dat vrije wil een illusie is die in drie stappen wordt gecreëerd.

  1. als eerst is het zo dat onze hersenen handelingen plannen en ze uitvoeren;

  2. daarna worden we ons bewust van onze gedachten over de handelingen en dit noemen we zelf een intentie;

  3. tot slot wordt de handeling uitgevoerd na de intentie.

We trekken volgens hem een verkeerde conclusie als we zeggen dat onze intentie de oorzaak is van onze handeling, aangezien we hersenprocessen intenties noemen. Dit idee heeft wat weg van het idee van James, aangezien James beweert dat activerende en remmende ideeën met elkaar concurreren om een lichamelijke handeling in gang te zetten of te remmen. De activerende en remmende ideeën worden door hem redenen of motieven genoemd die als de oorzaak van de keuze worden geïnterpreteerd. Toch komen James en Wegner tot andere conclusies.

Wegner stelt dat een vrije keuze moet voldoen aan drie criteria:

  1. de gedachte moet voorafgaan aan de handeling,

  2. de gedachte moet overeenkomen met de handeling, en

  3. de gedachte moet geen andere oorzaken (behalve vrije wil) hebben.

Hij voerde een onderzoek uit en de onderzoeksresultaten bevestigen wat hij ‘priority principle’ noemt: gevolgen worden als zelf gekozen ervaren wanneer de gedachten voorafgaan aan de gevolgen.

Back to top

Hoe interacteren de hersenen en het bewustzijn met elkaar? - Chapter 10 (2e druk)

Sommige mensen geloven dat we het bewustzijn kunnen begrijpen als we hersenactiviteit nog gedetailleerder kunnen vastleggen. Anderen geloven dat we het bewustzijn nooit kunnen begrijpen. De vraag is natuurlijk hoe het bewustzijn gerelateerd is aan de hersenen. Om deze vraag te beantwoorden kan er gebruik gemaakt worden van een bepaald soort onderzoek, namelijk het onderzoek naar ‘the neural correlates of consciousness’ (NCC). Hiermee kunnen aspecten van neuraal functioneren bestudeerd worden en kan worden gekeken of deze overeenkomen met de bewuste ervaringen die mensen uiten. Het is helaas nog niet duidelijk welk aspect van het neuraal functioneren hiervoor onderzocht zou moeten worden. Het is belangrijk om te onthouden dat het bij NCC gaat over de correlatie tussen neuraal functioneren en bewuste ervaringen. Er kunnen aan de hand van NCC dus geen uitspraken gedaan worden over oorzaak-gevolg relaties tussen de hersenen en het bewustzijn.

Het menselijk brein

Een menselijk brein bestaat uit 100 biljoen neuronen die aan elkaar geconnecteerd zijn door synapsen tezamen met gliacellen. De hersenstam, bestaande uit de medulla, pons en middenhersenen, is essentieel voor het overleven, omdat het veel belangrijke functies uitoefent (cardiale, ademhalings- en seksuele functies en de handhaving van de slaap en het waken). Achter de middenhersenen bevindt zich het cerebellum (de kleine hersenen) die een belangrijke functie heeft bij de motorcontrole. Tussen de middenhersenen en het cerebellum bevindt zich de thalamus die sensorische input ontvangt.

De cortex is de buitenste laag van het brein en bevat veel structuren die een rol spelen bij bewustzijn – de hippocampus, de amygdala, de hypothalamus en de cingulate gyrus. De neocortex is het deel van het brein dat zich als laatste ontwikkeld heeft gedurende de menselijke evolutie. De twee hemisferen zijn aan elkaar gerelateerd door witte stof van de anterieure commissure en door het corpus callosum.

Onbewustzijn

De definitie van een ‘onbewust persoon’ is iemand die leeft, maar niet responsief is. Mensen zijn onder narcose bijvoorbeeld ongevoelig voor pijn, maar tevens niet in staat om te reageren of te communiceren.

Bij experimenten wordt duidelijk welke hersengebieden (elektrisch) gestimuleerd moeten worden om reacties teweeg te brengen. Bij patiënten met PVS ontstond activiteit in de hersenstam, thalamus en de ‘primary somatosensory cortex’ maar niet hoger in de parietal lobben en ‘anterior cingulate cortex’. Een verdoving geven voor het begin van een operatie maakt iemand ook voor een tijdje onbewust. Deze persoon voelt dan geen pijn en weet niet wat er allemaal gebeurd is nadat hij of zij wakker is geworden. Veel soorten drugs hebben ook verschillende invloeden op het functioneren van de mens.

Drugs kunnen in dit verband in drie groepen verdeeld worden:

  1. drugs die het reactievermogen verzwakken,

  2. drugs die geheugenverlies veroorzaken, en

  3. drugs die als spierverslappers functioneren. Er is geen specifiek hersendeel waar alle drugs (die samengaan met een vorm van onbewustzijn) op inwerken. Helaas geeft het bestuderen van de afwezigheid van bewustzijn geen helderheid over wat bewustzijn nu precies is.

Er zijn twee theorieën die zijn gebruikt om de NICC te vinden. De eerste theorie is van Penrose en Hameroff over de kwantum coherentie in microtubulus. De tweede theorie kwam van Flohr. Hij stelt dat buitenbewustzijn als gevolg van verdovende middelen wordt veroorzaakt door de remming van de processen die afhangen van NMDA-receptoren.

Ook stelt hij dat het bewustzijn afhankelijk is van het voorkomen van zogenaamde ‘higher-order self-reflexive representations’.

Hij stelde op basis van zijn uitspraken de ‘representational theory of consciousness’ op. Deze theorie stelt dat bewustzijnstoestanden optreden als iemand in een bepaalde cognitieve staat is. Wanneer iemand zich van iets bewust is gaat een mentale representatie gepaard met een hogere orde representatie waarvoor functionering van NMDA-synapsen nodig is.

Bewuste visie

Crick vraagt zich af welk neuraal gegeven samengaat met bewuste visie. Crick geeft toe dat niemand tot nu toe een hersengebied heeft kunnen vastleggen waarin neurale activiteit precies overeenkomt met het beeld dat we van de buitenwereld hebben. Hij stelt wel dat bewuste visie vooral samen lijkt te hangen met de thalamische verbindingen binnen de cortex. Andere wetenschappers hebben hier andere ideeën over. Ramachandran denkt bijvoorbeeld dat het functioneren van de temporale lobben zorgt voor bewuste visie. Crick is op zoek naar een specifiek hersendeel waar hij bewuste visie aan kan koppelen, maar dit kan een verkeerd uitgangspunt zijn. Misschien is er helemaal geen specifieke plaats te vinden die overeenkomt met bewuste visie.

Concurrentie en bewustzijn

Van ‘binocular rivalry’ is sprake wanneer verschillende beelden worden getoond aan beide ogen. De beelden worden in dat geval niet gecombineerd tot een beeld. Er is wel sprake van een perceptievorm die als het ware steeds tussen beide beelden instaat. Er ontstaat dus een nieuwe vorm van perceptie. We krijgen namelijk het gevoel dat beide beelden concurreren om in ons bewustzijn terecht te komen.

Uit onderzoek bleek dat er verhoogde activiteit was in de occipitaal-temporale delen van de ventrale route. Tevens werd er verhoogde activiteit gevonden in de pariëtale en frontale cortex. Dit gegeven geeft bewijs voor het feit dat bewuste visuele ervaringen niet samenhangen met delen van de zintuiglijke routes, maar meer met de centrale hersendelen.

Koch vindt op basis van dit gegeven dat we ons niet bewust zijn van de vroege verwerking in zintuiglijke waarneming, maar wel van de latere verwerking. Toch weten we nog weinig op basis van dit soort onderzoeksresultaten. Er wordt alleen gebruik gemaakt van correlaties in de onderzoeken, dus er mag niet over oorzaken en gevolgen gesproken worden. Daarnaast is nog steeds niet duidelijk hoe bewuste visuele ervaringen samenhangen met activiteit in de hersenen.

Pijn

Pijn is een subjectief gevoel. We kunnen pijngevoelens niet aan elkaar laten zien of goed aan elkaar verduidelijken, omdat pijn vooral aan gevoel gekoppeld is. Pijn is echter wel terug te vinden in het lichaam.

Wanneer iemand gewond is, vinden er allerlei veranderingen in het lichaam plaats. Zo worden signalen verstuurd door middel van dunne, ongemyeliniseerde neuronen (c-fibers) naar de ruggenmerg, hersenstam, thalamus en delen van de cortex. De vraag is natuurlijk of neurale activiteit de pijnbeleving veroorzaakt of dat pijnbeleving de neurale activiteit veroorzaakt.

Dualisten stellen dat pijn zich in het verstand bevindt en dat het daarom niet gelokaliseerd kan worden. Damasio gelooft dat het hebben van een zelf noodzakelijk is om pijn te ervaren. Humphrey stelt dat zintuiglijk bewustzijn een activiteit is. Als je dus pijn voelt, blijf je niet passief zitten. Je probeert iets te doen om van de pijn af te komen. De waarneming van pijn zorgt er volgens hem voor dat er een vorm van pijnbeleving ontstaat en dit gevoel zorgt er weer voor dat we er alles aan proberen te doen om van de pijn af te komen.

Hoe pijn wordt toegebracht, blijkt verschil te maken voor wat betreft neurale activiteit. We weten allemaal dat pijn anders voelt wanneer het onverwachts is dan wanneer je het jezelf toebrengt. Het is nog erger wanneer je er van te voren angst voor hebt. Van buitenaf toegebrachte pijn veroorzaakt activiteit in de posterior ACC (anterior cingulate cortex). Deze activiteit vindt niet plaats bij zichzelf toegebrachte pijn. Bij activiteit in de perigenual ACC vindt het omgekeerde plaats. Er is dus een correlatie tussen het soort van pijn en neurale activiteit – en ook tussen de mate waarin iemand pijn ervaart en neurale activiteit.

Back to top

Op welke manier kan het bewustzijn als een eenheid gezien worden? - Chapter 11 (2e druk)

Het geheel

Het lijkt alsof we maar één bewustzijn hebben. Als je naar de hersenen kijkt, dan zie je echter dat er sprake is van complexiteit en diversiteit. Vaak zijn er meerdere processen die zich tegelijkertijd afspelen door middel van verschillende hersenroutes. Toch hebben we het gevoel dat alles een eenheid vormt. We hebben het gevoel dat er maar één zelf bestaat en dat we dingen niet losstaand maar als een geheel ervaren. Hoe komt dit?

Dualisten geloven dat iedereen een bewustzijn heeft dat iets anders is dan hun hersenen. Eccles geloofde als dualist dat het verstand een actieve rol speelt bij het selecteren en integreren van neurale activiteit. Dit zou resulteren in een verenigd geheel. Maar hoe zou dit dan moeten gebeuren? Waar vindt de interactie tussen het verstand en de hersenen plaats? Dit probleem komt in alle dualistische theorieën terug. De dualist Libet heeft als antwoord dat het gevoel van eenheid wordt bereikt door een mentaal veld van bewustzijn. Daarom gedragen split brain patiënten zich toch als één persoon.

Het bindingsprobleem (‘binding problem’)

Als je een munt oppakt en in de lucht gooit, gebeuren er immens veel dingen in je hersenen. Diverse hersengebieden zijn bijvoorbeeld actief voor het waarnemen van kleur, beweging en vorm. Tevens zijn er auditieve processen aan de gang. Er is geen specifieke plaats of een bepaald moment waarin al deze informatie samenkomt zodat de vallende munt als een verenigd geheel gezien kan worden. Toch hebben we wel het gevoel dat alles als geheel verwerkt wordt en dat de munt als het ware in één keer naar beneden valt. Hoe kan het dat je de munt als één bewegend object ziet?

Dit probleem wordt beschreven als het visuele bindprobleem en algemener als het ‘bindingsprobleem’. Dit probleem kan beschreven worden op verschillende niveaus, bijvoorbeeld op neuraal niveau en op fenomenologisch niveau. Sommige mensen denken dat het bindingsprobleem hetzelfde is als begrijpen hoe aandacht werkt. Als je dus lang genoeg je aandacht richt op een geworpen munt, dan worden de kenmerken van de munt wel samengevoegd.

Wanneer de aandacht overbelast is, kunnen de verkeerde kenmerken met elkaar verbonden worden. Het is echter niet zo dat het verbinden van kenmerken en aandacht hetzelfde zijn. Binding kan bijvoorbeeld ook onbewust plaatsvinden. Er is een relatie tussen aandacht, bewustzijn en binding, maar deze relatie is nog niet goed blootgelegd.

Binding en gelijktijdigheid (synchronie)

Malsburg stelde dat het gelijktijdige, gecoördineerde vuren van neuronen in de visuele cortex de basis is van visuele binding. Alle neuronen die bepaalde kenmerken van een object verwerken (bijvoorbeeld kleur of vorm) zouden als het ware samenkomen en gelijktijdig vuren. Dit zou ervoor zorgen dat we kenmerken van objecten als verenigd ervaren. Crick en Koch denken dat dit weleens de neurale vertaling kan zijn van het visuele bewustzijn. Ze vinden dat het bewustzijn afhangt van een soort kortetermijngeheugen en van opeenvolgende aandachtsprocessen. De thalamus zou de aandacht leiden door een keuze te maken uit de objectkenmerken die aan elkaar verbonden moeten worden. Dit zou gedaan worden door neuronen te laten vuren.

Crick stelt dat dit evolutionair gezien handig geweest is. Hij stelt dat het beter is om één representatie van een object te hebben dan steeds informatie te sturen naar verschillende delen van de hersenen. Hij zegt dat de eenheid van het bewustzijn daarom echt bestaat. Later hebben Crick en Koch hun mening bijgesteld. Volgens hen is er niet sprake van een enkel hersengebied waar het allemaal samenkomt.

Micro-bewustzijn

Zeki betwijfelt of er sprake is van een eenheid van het bewustzijn. Hij gelooft dat er vele micro-bewustheden bestaan. Volgens hem bestaat het visuele systeem uit vele afzonderlijke en gespecialiseerde systemen die parallel functioneren. Elk systeem is onafhankelijk en behaalt een eindpunt op een ander moment. Sommige kenmerken moeten worden waargenomen voordat andere kenmerken waargenomen kunnen worden. Zeki stelt dat al deze systemen samengaan met een afzonderlijke vorm van bewustzijn. Dit vindt hij omdat er geen ‘eindstation’ in de hersenen gevonden is waar alle informatie samenkomt. Dit zou dus wel moeten betekenen dat er niet maar één vorm van bewustzijn bestaat. Zeki kan gezien worden als een Canestiaans materialist, omdat hij stelt dat er sprake is van een finishlijn waar onbewuste processen bewust worden.

Integratie van meerdere zintuigen (multisensorische integratie)

Integratie van informatie die door meerdere zintuigen binnenkomt hangt af van neuronen die reageren op input van meer dan één zintuig. Deze neuronen worden in verschillende delen van de hersenen gevonden, maar het belangrijkste hersendeel hierbij is de superior colliculus in de middenhersenen. Neuronen die zich daar bevinden reageren vanaf de geboorte al op meerdere zintuigen, maar dit gaat steeds beter naarmate iemand meer gebruik maakt van zijn of haar zintuigen. Het is niet duidelijk hoe integratie van informatie uit verschillende zintuigen een gevoel van subjectiviteit (dus bewustzijn) oplevert.

Her-entrée en de dynamische kern

Edelman en Tononi zijn proberen twee kenmerken van het bewustzijn te verklaren. Allereerst willen ze weten hoe de eenheid van het bewustzijn wordt veroorzaakt. Daarnaast willen ze erachter komen hoe complex en verscheiden het bewustzijn is. Ze stellen dat het bewustzijn ervoor zorgt dat we dingen als doorlopend en samenhangend ervaren. Dit geldt zelfs voor mensen met beschadigde hersenen.

De onderzoekers hebben op basis van hun visie de ‘theory of re-entry by neuronal group selection’ ontworpen. Hierin stellen zij dat het bewustzijn afhangt van continuerende, zichzelf herhalende, parallelle processen tussen delen van de thalamus en cortex. Daarnaast stellen ze dat deze tijd nodig is om de lange, zichzelf herhalende routes tot een goed einde te brengen. Activiteit in deze routes is nodig voor het bewustzijn, maar niet voldoende. Er zijn ook nog andere factoren nodig.

Ze maken hierbij onderscheid tussen twee vormen van bewustzijn. Als eerst bestaat er zoiets als primair bewustzijn wat bij veel dieren voorkomt. Deze vorm van bewustzijn gaat samen met een korte termijngeheugen en met het kunnen omgaan met het hier en nu. Er zouden clusters in de hersenen ontstaan en verbindingen binnen een cluster zouden sterker zijn dan verbindingen buiten een cluster. Deze clusters kunnen afhangen van interacties tussen vele hersengebieden. Ze zorgen ervoor dat verschillende kenmerken van een object verenigd kunnen worden. Daarnaast is er volgens Edelman en Tononi zoiets als hogere orde bewustzijn. Deze vorm van bewustzijn zou in een later stadium in de evolutie ontwikkeld zijn. Hogere orde bewustzijn hangt af van verbindingen tussen taal en conceptuele systemen. Dit zou ervoor zorgen dat een ‘dynamic core’ (dynamische kern) kan ontstaan en dat er ook een gevoel van een samenhangend zelf bestaat. De dynamische kern is een groot functioneel cluster dat altijd verandert, maar toch zijn continuïteit en integratie behoudt, omdat er verbindingen zijn met de rest van het systeem. De dynamische kern kan op verschillende momenten betrokken zijn bij verschillende hersendelen. Andere hersendelen kunnen dan wel actief blijven, maar maken dan geen onderdeel uit van de dynamische kern.

Het voordeel van deze theorie is dat er niet op zoek gegaan wordt naar een specifiek gebied of type neuron dat samengaat met het bewustzijn. De theorie legt echter niet uit hoe de dynamische kern zorgt voor subjectiviteit.

Eenheid als illusie

Een manier om te ontsnappen aan het idee dat het bewustzijn een eenheid is, is om in termen van acties als eenheid te denken. Cotterill is van mening dat het bewustzijn een gevolg is van de interactie tussen de hersenen, het lichaam en de omgeving. Hurley stelt dat perceptie, actie en de omgeving nauw met elkaar verbonden zijn. De eenheid van het bewustzijn zou ontstaan door een dynamische stroom van causale processen en meerdere feedbackroutes die input en output aan elkaar linken.

Deze wetenschappers zien het bewustzijn als een manier van doen of handelen, in plaats van een manier om informatie waar te nemen. Zij zijn dus van mening dat het bewustzijn samenhangt met interactie met de wereld. Dan blijft nog steeds wel de vraag bestaan waarom het een specifiek gevoel oplevert als we een handeling uitvoeren. Sommige wetenschappers geloven dat de eenheid van het bewustzijn maar een illusie is.

Back to top

Wat is de invloed van een hersenbeschadiging op het bewustzijn? - Chapter 12 (2e druk)

Hoe is het om op te merken dat je slechts de helft van de wereld ziet? Hoe is het om blind te zijn, maar te geloven dat je kan zien, of om verlamd te zijn, maar ervan overtuigd te zijn dat je kan bewegen? Deze en vele andere vragen worden ingegeven door neuropsychologische veranderingen veroorzaakt door hersenschade. Hoewel bijna alle typen van hersenschade het bewustzijn beïnvloeden zullen in dit hoofdstuk slechts drie specifieke voorbeelden gegeven worden die relevant zijn voor het onderwerp bewustzijn.

Amnesie

Korkasoff’s is de meest voorkomende vorm van geheugenverlies (ook wel amnestisch syndroom) en wordt veroorzaakt door de giftige effecten van alcohol en door een tekort aan thiamine dat veroorzaakt wordt door ondervoeding.

Er bestaan twee vormen van geheugenverlies:

  1. anterograde amnesia, en

  2. retrograde amnesia.

Bij anterograde amnesia kan iemand niet meer nieuwe, lange termijnherinneringen opslaan. Het korte termijngeheugen blijft wel intact. Van retrograde amnesia is sprake wanneer iemand al zijn herinneringen over zijn verleden is kwijtgeraakt. Deze vorm van geheugenverlies ontstaat vaak na ongelukken.

Bij het syndroom van Karsakoff blijft het episodische geheugen voor perioden ver in het verleden intact. Dit geheugen gaat over herinneringen aan iemands eigen leven. Nieuwe episodische herinneringen worden echter niet meer opgeslagen. Zij kunnen nog wel informatie opslaan door middel van klassieke conditionering en procedureel leren. Ze hebben zelf echter niet door dat ze aan het leren zijn.

Mensen met geheugenverlies hebben wel een bewustzijn. Ze zijn wakker, reageren op informatie, praten, lachen en hebben emoties. Maar wie heeft er precies een bewustzijn? Hun zelf is namelijk ‘achtergebleven’ in het verleden en ze begrijpen het heden niet. Er vindt bij hen geen interactie plaats tussen huidige informatie en opgeslagen informatie. Sommige mensen met geheugenverlies zeggen elke minuut dat ze net wakker zijn geworden of dat ze net hun bewustzijn terug hebben gekregen. Mensen met geheugenverlies hebben geen herinneringen aan een continuerende zelf, want hun zelf houdt op met bestaan in het verleden.

Verwaarlozing (neglect)

We spreken van neglect (verwaarlozing) wanneer mensen één helft van hun visuele veld negeren. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen wanneer iemand verlamd raakt. Soms hebben mensen het niet door dat ze verlamd zijn, in dat geval spreken we van anosagnosie.
Anosagnosie komt alleen voor wanneer bepaalde delen van de rechter pariëtale kwab beschadigd zijn. Damasio zegt dat de kern van het bewustzijn (‘core consciousness’) intact blijft, maar dat het verlengde bewustzijn (‘extended consciousness’), dat verder gaat dan het hier en nu, wel beschadigd is.

Mensen met het syndroom van Anton zijn blind, maar zijn er toch van overtuigd dat ze kunnen zien. Als ze tegen iets aanbotsen, verzinnen ze daar smoesjes voor.

Mensen met ‘hemifield neglect’ (ook wel ‘unilateral neglect’ genoemd) denken dat de linkerkant van alles wat ze zien niet bestaat. Deze stoornis komt, net zoals anosagnosie, voor wanneer de rechter hersenhelft beschadigd is. Mensen met deze stoornis brengen bijvoorbeeld alleen make-up aan op de rechterkant van hun gezicht. Als mensen met deze stoornis wordt gevraagd om een klok te tekenen, dan laten ze de linkerkant van de klok (de cijfers zes tot twaalf) weg of ze proppen alle cijfers in de rechterhelft van de klok. Als hen gevraagd wordt om mentale voorstellingen van plaatsen te maken, dan laten ze de linkerkant van de plaatsen ook weg. Deze stoornis kan gezien worden als een gebrek in aandacht. Patiënten letten simpelweg niet op de linkerkant van alles dat ze zien. Ze kunnen getraind worden om meer te letten op de linkerkant van objecten. De linkerkant wordt echter niet totaal genegeerd.

Blindzicht (blindsight)

Blindzicht komt vaak voor bij mensen die schade hebben aan delen van de visuele cortex aan één kant. Dit veroorzaakt degeneratie van cellen, terwijl andere visuele paden in de cortex intact blijven. Het lijkt bij een patiënt met blindzicht erop dat hij zich niet bewust is van datgene wat hij ziet. Zo kan het zijn dat iemand met blindzicht één helft van het gezichtsveld niet ‘zien’, maar zij kunnen vaak wel rapporteren wat er in dit gezichtsveld wordt aangeboden. Een patiënt met blindzicht heeft dus visie zonder bewustzijn. Blindzicht kan op vele verschillende manieren getest worden. Zo kunnen mensen met deze stoornis ontkennen dat ze iets bewust zien, maar toch oogbewegingen maken als ze stimuli zien, wijzen naar de locatie van objecten en de beweging nadoen van objecten die in het blinde veld gepresenteerd zijn.

Mensen met blindzicht kunnen ook vaak de kleur ‘raden’ van stimuli die in het blinde gebied worden getoond. Ze kunnen stimuli dus wel opmerken, maar ze vinden het wel lastig om vormen vast te stellen of soortgelijke objecten aan te wijzen. Dat blindzicht bestaat weten we dus wel zeker, maar wat deze stoornis ons vertelt over het bewustzijn is nog onduidelijk. Mensen met blindzicht zijn zich wel bewust van snel bewegende stimuli met veel contrast (die in hun blinde gebied vallen). Dit wordt ook wel het Riddoch-fenomeen genoemd.

Het is dus mogelijk om beweging te ervaren van een stimulus, terwijl je je er niet bewust van bent dat je de stimulus waarneemt. Milner en Goodale zijn van mening dat blindzicht staat voor een aantal visuele capaciteiten die worden gemedieerd door de dorsale route en gelinkt zijn aan subcorticale structuren. Deze visie past bij het gegeven dat de accuraatheid van reacties van mensen met blindzicht verschillen. Het goed functionerende deel van de ogen lijkt zich bezig te houden met objectidentificatie, terwijl het blinde gebied zich bezighoudt met de detectie van een stimulus.

Blindzicht en bewustzijn

Bewijst het bestaan van blindzicht echt dat er zoiets als qualia bestaan? Sommige wetenschappers denken van wel. Holt gelooft bijvoorbeeld dat blindzicht bewijst geeft voor het bestaan van qualia. Block heeft echter een andere mening. Hij stelt dat er twee soorten bewustzijn bestaan:

  1. ‘phenomenal consciousness’ (fenomenaal bewustzijn), en

  2. ‘access consciousness’ (toegangsbewustzijn).

De eerste gaat over de ervaring van het bewustzijn, dus om de ‘hoe voelt het om…?’ vraag. Toegangsbewustzijn staat voor de beschikbaarheid van informatie om te kunnen redeneren, praten en te handelen. Block is van mening dat stimuli bij mensen met blindzicht niet samengaan met beide vormen van bewustzijn. Er geen sprake van toegangsbewustzijn, omdat de patiënt de informatie niet kan gebruiken en er is sprake van fenomenaal bewustzijn, omdat de patiënt zich niet bewust is van wat hij of zij waarneemt.

Block stelt dat mensen beide vormen van bewustzijn vaak met elkaar verwarren en denken dat bepaalde functies samengaan met een vorm van bewustzijn, terwijl dit niet klopt. Weiskrantz stelt dat mensen met blindzicht geen ‘commentary stage’ hebben. Dit houdt in dat ze geen fase meemaken waarin informatie binnenkomt om daar vervolgens een mening over te kunnen vormen.

Back to top

Wat is het verband tussen de evolutie en het bewustzijn? - Chapter 13 (2e druk)

De evolutietheorie

Vroeger werd geloofd dat alles in de wereld ontworpen werd door een ontwerper, namelijk God. De bioloog Dawkins stelde echter de evolutietheorie voor. Evolutie betekent letterlijk graduele verandering. Volgens Darwin was er op de aarde sprake van langzame veranderingen en van variatie onder organismen. Wanneer verschillende organismen moeten strijden om eten, water of andere bronnen en bij deze strijd organismen zouden overlijden, dan zouden de organismen die de strijd zouden overleven datgene wat hen geholpen heeft te overleven doorgeven op volgende generaties. Hun jongen (of kinderen) krijgen dan ook die eigenschappen mee die de overleving makkelijker gemaakt heeft. De organismen die het beste aangepast zijn aan de omgeving hebben dus de meeste kans om te overleven als er bijvoorbeeld voedselschaarste bestaat. Dennett spreekt over ‘evolutionary algorithm’: als er sprake is van het driedelig algoritme variatie, erfelijkheid en selectie, dan moet er sprake zijn van evolutie. Design uit chaos zonder hulp van geest.

Lamarckisme

Lamarck was het met Darwin eens dat soorten gradueel veranderen in andere soorten, maar hij stelde dat er eerst sprake moet zijn van een interne kracht dat vooruitgang in de ene richting stuurt en dat daarnaast het overerven van verkregen kenmerken benodigd is. Deze theorie wordt tegenwoordig het Lamarckisme genoemd. Lamarck geloofde dat als een dier zichzelf wil veranderen, dat dan het effect hiervan wordt doorgegeven aan de volgende generatie. Als een giraffe bijvoorbeeld steeds zijn nek strekt om bij de hoogste takken te komen, dan zou deze giraffe jongen krijgen met een langere nek.

Hoewel er veel overeenkomsten zijn tussen de visies van Darwin en Lamarck bestaan er ook verschillen. Lamarck geloofde dat evolutie altijd vooruitgang betekent, terwijl Darwin hier niet van uitgaat. DAarnaast gelooft Darwin niet dat er een interne kracht aanwezig is die deze vooruitgang uitlokt. De visie van Lamarck was in het begin populairder dan die van Darwin, aangezien de kerk minder problemen had met zijn visie.

De visie van Lamarck blijkt echter onjuist. Als je bijvoorbeeld aanleg hebt voor zwaarlijvigheid, maar al jaren slank bent omdat je dieet, dan zorgt dit er niet voor dat je toekomstige kinderen geen aanleg meer hebben voor zwaarlijvigheid. Genetische informatie wordt dus niet beïnvloed door uiterlijke veranderingen die na de geboorte ontstaan zijn (maar genen worden wel aan of uit gezet door gedrag/omgeving).

In de theorie van Darwin ontbrak het principe van erfelijkheid. Mendel ontwikkelde als eerste de erfelijkheidsleer, deze leer staat bekend onder de Wetten van Mendel. Hij onderzocht hoe genetische variatie ontstaat en wordt doorgegeven tijdens seksueel contact. Hij was van mening dat adaptief design gebaseerd op de herschikking en mutatie van genen voldoende is. Binnen dit idee zijn er discussies tussen prominenten (waaronder o.a Dennett en Dawkins) over de toebedeling en verantwoordelijkheid van verschillende genetische processen. Toen de theorie van Mendel werd geaccepteerd was er voor het eerst een verklaring voor het mechanisme erfelijkheid, hetgeen leidde tot het neo-Darwinisme. Dit wil zeggen dat alle variatie tussen generaties en soorten verklaard kan worden door recombinatie en mutatie van genen.

Het doel van evolutie

Waar is evolutie goed voor? Wat zijn de voordelen van evolutie? Mensen denken vaak dat organismen evolueren omdat ze de kans op overleving van hun soort (in groepsverband) willen vergroten. Het Darwinisme wordt vaak verkeerd begrepen als het mechanisme dat adaptaties creëert voor het goede van soorten. Dit klopt echter niet helemaal. Blackmore verklaart dit met behulp van een voorbeeld zoals beschreven op bladzijde 211 en 212 in het boek.

Dawkins kwam in 1976 met de ‘selfish gene theory’. Het uiteindelijke doel van natuurlijke selectie is niet het soort, niet de groep, niet het individu, maar het gen. Genen zijn egoïstisch (‘selfish’) in die zin dat ze doorgegeven willen worden. Het is niet zo dat ze hun eigen intenties of verlangens hebben, maar ze willen hun informatie als het ware kopiëren door zichzelf door te geven. Het is niet slim om te denken dat elke menselijke trek goed is voor de aanpassing aan de omgeving.

Denken dat elke menselijke trek adaptief is, wordt ook wel panadaptionisme genoemd. Het panadaptionisme stelt dat veel eigenschappen geen aanpassingen zijn en niet optimaal zijn voor het organisme, maar toch worden overgedragen. Mogelijk waren ze vroeger wel optimaal geweest voor het organisme. Een andere mogelijkheid is dat sommige trekken worden beïnvloed door toevalligheden en lichamelijke beperkingen.

Menselijke evolutie

Sociaalbiologen stellen dat de meeste menselijke trekken aanpassingen aan de omgeving zijn, terwijl evolutionair-psychologen twee redenen opnoemen waarom dat niet zo is. Ten eerste stellen zij dat menselijke trekken die vroeger als aanpassingsmiddel dienden, dat tegenwoordig niet meer hoeven te zijn. Vroeger hadden suiker en vet een voordelige waarde voor jagers en verzamelaars, maar tegenwoordig lijden veel mensen steeds meer aan zwaarlijvigheid door hun voorliefde voor suiker en vet. Een tweede reden is dat evolutionair-psychologen onderscheid maken tussen:

  1. replicatiestrategieën van genen, en

  2. menselijke strategieën om plezier en succes te zoeken.

We willen goed eten en we verlangen naar seks, omdat mensen die in het verleden goed aten en zin in seks hadden, meer kans hadden om hun genen door te geven.

Bewustzijn en evolutie

De vraag die luidt bij de stelling dat het bewustzijn geëvolueerd is, is: heeft bewustzijn een functie? In deel 3 is al uitgelegd dat het moeilijk is om te zeggen wat de functie van het bewustzijn is. Het is echter ook moeilijk om te geloven dat het bewustzijn geen toegevoegde waarde heeft. Intelligentie en het geheugen zijn bijvoorbeeld niet ontwikkeld zonder een gevoel van bewustzijn. Hoe komt dit? Waarom is er ook nog sprake van het bewustzijn? Waarom hebben intelligentie en het geheugen zich dus niet afzonderlijk van het bewustzijn ontwikkeld? Deze vragen zijn een beetje vergelijkbaar met de vraag wat pijnbeleving voor toegevoegde waarde heeft boven lichamelijke processen die pijn veroorzaken.

Zombie-evolutie

Flanagan stelt dat het bewustzijn niet per definitie nodig is. Evolutionaire processen zouden ervoor gezorgd hebben dat er intelligentie organismen zoals wij bestaan en deze intelligentie zou niet samen hoeven te gaan met een bewustzijn. Deze visie wordt ‘conscious inessentialism’ genoemd. Volgens deze theorie zijn zombies mogelijk.

Het functionalisme meent echter dat zombies niet mogelijk zijn, aangezien bewustzijn niet te onderscheiden is van adaptieve trekken. Deze visie stelt dat bewustzijn geen adaptieve functie heeft.

Samenvatting bewustzijn en evolutie

Samenvattend kan gesteld worden dat er vier visies zijn op de relatie tussen het bewustzijn en evolutie:

  1. Het epifenomenalisme: bewustzijnsinessentialisme. Volgens deze visie zijn zombies mogelijk. Het kunnen creaties zijn die op ons lijken, maar niet bewust zijn. Het bewustzijn is te scheiden van adaptieve kenmerken zoals intelligentie, taal, geheugen en probleem oplossen, maar het maakt geen kenmerkend verschil (de definitie van een zombie) en het heeft geen effecten (dit is epifenomenalisme). De belangrijkste vraag hierbij is: ‘waarom produceert de evolutie bewustzijn in plaats van zombies?’.

  2. Het bewustzijn heeft een adaptieve functie. Zombies zijn niet mogelijk, want het hebben van een bewustzijn maakt het verschil. Het is te scheiden van verworven adaptieve kenmerken zoals intelligentie, geheugen, taal en probleem oplossen en het voegt iets nieuws toe. De belangrijkste vraag hierbij is: ‘wat is de functie van bewustzijn?’ of ‘wat doet het bewustzijn?’.

  3. Het bewustzijn heeft geen onafhankelijke functie. Zombies zijn niet mogelijk, want elk dier dat alles kan doen moet noodzakelijk gesproken bewustzijn. Het bewustzijn is niet te scheiden van verworven adaptieve kenmerken zoals intelligentie, geheugen, taal en probleem oplossen. De belangrijkste vraag hierbij is: ‘waarom is het bewustzijn noodzakelijk in creaties die verworven eigenschappen hebben zoals wij?’.

  4. Het bewustzijn is een illusie. Onze ideeën over het bewustzijn zijn erg verwarrend. De belangrijkste vraag hierbij is: ‘waarom houden creaties met mogelijkheden zoals de onze zich zo bezig met hun eigen bewustzijn?’.

Back to top

Welke visies op de functie van het bewustzijn zijn er? - Chapter 14 (2e druk)

Een belangrijke vraag is: wanneer ontstond het bewustzijn? Het lijkt aannemelijk om te stellen dat een paar biljoen jaar geleden er nog geen bewustzijn was op deze planeet. Hoe kan bewustzijn ontstaan uit onbewuste materie? James stelde hierbij het centrale probleem voor en wilde onderzoeken hoe het bewustzijn kan ontstaan zonder mentale stof of ziel. Er zijn hierbij twee centrale vragen:

  1. Wanneer ontstaat het bewustzijn tijdens de menselijke ontwikkeling?

  2. Welke hedendaagse wezens zijn bewust?

Panpsychisten

Een interessante vraag is wanneer het bewustzijn zich ontwikkeld heeft tijdens de evolutie van de mens. Er is onenigheid over hoe en wanneer het bewustzijn zich ontwikkeld heeft. Sommige wetenschappers geloven dat het bewustzijn zich geleidelijk ontwikkeld heeft. Greenfield gelooft dat het bewustzijn geen alles-of-niets principe is, maar zich in verschillende maten ontwikkelt. Sommige wetenschappers geloven dat alles een bewustzijn heeft; zelfs stenen.

Panpsychisten geloven in deze laatste visie, maar stellen wel dat stenen een meer simpele vorm van bewustzijn hebben dan bijvoorbeeld slakken. Panpsychisten geloven dat bewustzijn al aanwezig was voordat evolutie plaatsvond. De complexiteit van het bewustzijn zou echter wel ontwikkeld kunnen zijn volgens deze visie. Anderen geloven dat het bewustzijn pas kan ontstaan als er sprake is van een brein. Bewustzijn is volgens deze visie het gevolg van de evolutie van complexe hersenstructuren. Dan zijn er tot slot nog mensen die geloven dat het bewustzijn redelijk recent is ontwikkeld. Deze visie gaat ervan uit dat sociale vaardigheden samen zijn gegaan met de ontwikkeling van het bewustzijn.

De rol van het bewustzijn bij overleven

Hoe kan je bewustzijn je helpen om te overleven, zodat je uiteindelijk je genen door kunt geven? Op die vraag antwoordt Baars dat bewustzijn je kan redden van gevaar: je slaat op de vlucht voor een woeste beer. Velmans oppert dat het leven zonder bewustzijn niets voorstelt en dat overleven dan geen zin zou hebben. Gray stelt dat de goede afstemming (‘fit’) tussen onze percepties van de wereld en onze activiteit in die wereld geen toeval kunnen zijn. Zij moet zijn ontstaan door selectie.

Bovenstaande theorieën geven het bewustzijn een overlevende warde en een functie in zijn eigen recht, maar verklaren niet waarom errordetectie subjectieve ervaring nodig heeft of qualia creëert wanneer andere hersenprocessen dat niet doen. Andere theorieën stellen dat het bewustzijn een overlevende waarde heeft, maar eerder gebaseerd is op sociale redenen dan op individuele redenen.

Het interne oog

Humphrey stelt dat het bewustzijn een ‘emergent property’ is. Dit houdt in dat het bewustzijn voor een combinatie van factoren staat. Net zoals droogheid of natheid een combinatie van de mate van water en zuurstof is, zou bij het bewustzijn ook sprake zijn van een combinatie van factoren. Tevens stelde hij dat het bewustzijn een ‘surface feature’ (net zoals de vacht van een dier) is waar natuurlijke selectie invloed op heeft. Humphrey stelt dat het bewustzijn een sociale functie heeft. Omdat we in complexe sociale situaties functioneren, willen we mensen begrijpen, voorspellen of kunnen manipuleren. Om dit te kunnen doen is het nodig om een bewustzijn te hebben.

Humphrey stelt dat natuurlijke selectie ervoor heeft gezorgd dat onze voorouders die een bewustzijn (of een soort van reflectievermogen) hadden, bleven overleven. Hij stelt dat zich binnen de hersenen een soort intern oog (‘inner eye’) bevindt dat een beeld geeft van de hersenactiviteit van een persoon zelf (en dus niet van de buitenwereld). Dit is volgens Humphrey de functie van het bewustzijn. Het bewustzijn is dus eigenlijk een model van de hersenen zelf over de hersenen.

Een gevolg van deze theorie is dat alleen intelligente en sociale organismen een bewustzijn kunnen hebben. Als deze theorie klopt hebben veel andere diersoorten geen bewustzijn. Humphrey stelt dat hij geen dualist is, ondanks het feit dat hij in het bestaan van een intern oog gelooft. Hij gelooft namelijk dat de hersenen als een machine functioneren en dat het interne oog een onderdeel van dit functioneren is. Het bewustzijn is volgens hem een soort van route van zelfreflectie van de hersenen zelf.

Humphrey en Mithen

Barlow stelt dat introspectie (het kijken naar de eigen observaties en gevoelens) geen accuraat beeld geeft van de oorzaken van gedrag. Als voorbeeld geeft hij pijn. Als we kijken naar onze eigen pijnbeleving, dan lijkt het alsof we pijn het beste kunnen vermijden.

Het is echter een feit dat pijn ons beschermt tegen verdere lichamelijke problemen. Mensen die geen pijn kunnen ervaren, kunnen niet goed reageren op lichamelijke wonden. Barlow stelt dat introspectie niet toereikend is om de evolutie van het bewustzijn te verklaren. Mithen vindt dat het bewustzijn een biologische rol vervult bij sociale interacties en dat chimpansees waarschijnlijk ook een bewustzijn hebben. Hij stelt echter wel dat het bewustzijn ruimer geïnterpreteerd moet worden. Als Humphrey namelijk gelijk zou hebben, dan zou dit betekenen dat het bewustzijn alleen tot uiting zou komen in sociale contacten.

Het bewustzijn dat we nu hebben, zou zich volgens Mithen ongeveer 60.000 jaar geleden ontwikkeld moeten hebben. In die tijd begonnen mensen meer met elkaar om te gaan en met elkaar te communiceren. Volgens Mithen werd spraak in die periode vooral gebruikt om over sociale zaken te communiceren (‘gossip’). Taal zou gaandeweg voor steeds meer doeleinden gebruikt zijn. Om deze reden zouden we ons tegenwoordig ook bewust zijn van meer dan alleen sociale zaken. Humphrey en Mithen zien het bewustzijn als iets waar natuurlijke selectie voor gezorgd heeft.

Geen functie

Churchland vindt dat het bewustzijn helemaal niet bestaat en dat deze term niet meer gebruikt zal worden op het moment dat we alles begrijpen over de evolutie van menselijk gedrag. Dit is een extreme visie en de meeste wetenschappers gaan niet zo ver. Humphrey lost het mind-body probleem op door gewaarwordingen gelijk te stellen aan activiteit. De amoebe-achtige wezentjes van het begin van het leven op aarde reageerden op de buitenwereld door ervan weg of ernaartoe te wiebelen. Er ontwikkelde zich een soort zenuwstelsel om effectievere acties te kunnen uitvoeren. Uiteindelijk gingen wezens leren over de buitenwereld en hun eigen gevoelens, eenvoudigweg door te ‘monitoren’ hoe zij zich zelf gedroegen.

Tegenwoordig zijn meerdere vormen van het functionalisme populair. Sommige wetenschappers stellen bijvoorbeeld dat subjectiviteit gelijkstaat aan functies zoals sociale interactie en taal. Het bewustzijn zou zelf geen oorzakelijke factor zijn voor gedrag. Functionalisten geloven dat het bewustzijn wel bestaat, maar dat het niet iets is dat los staat van sociale interactie, taal en probleemoplossing.

Deacon en Donald stellen dat het bewustzijn samenhangt met het gebruik van symbolische representaties en symbolische gedachten. Deze link tussen symbolische denken en het bewustzijn wordt ook besproken door Mead. Hij stelt dat dieren een bewustzijn hebben, maar dat alleen mensen een zelfbewustzijn hebben. Dit zelfbewustzijn zou aanvankelijk bestaan uit gebaren en andere niet-symbolische interacties. Taalvaardigheden zouden er daarna voor gezorgd hebben dat het ook mogelijk is om symbolische representaties te vormen.

Mead stelt dat het bewustzijn een sociale en niet een individuele oorzaak heeft. Claxton heeft een ander idee over het bewustzijn. Hij is van mening dat het bewustzijn ontstaan is door de plotselinge hoge mate van alertheid die nodig is om te reageren op plotselinge gevaren. Jaynes gelooft dat mensen 3000 jaar geleden hun handelingen niet baseerden op bewuste processen, maar bijvoorbeeld op wat de goden hun hadden opgedragen. Uit geschreven stukken uit die tijd blijkt volgens hem niet dat mensen op basis van een bewustzijn handelden. Ons begrip van een bewustzijn in termen van subjectiviteit is volgens hem pas recent ontstaan.

Universeel Darwinisme

Veel evolutietheorieën spreken over de relatie tussen natuurlijke selectie en genen. Als er sprake is van variatie en selectie moet er wel sprake zijn van evolutie. Dit principe gaat niet alleen op voor genen, maar ook voor leerprocessen en lichamelijke processen zoals het immuunsysteem. De ontwikkeling van de hersenen gaat bijvoorbeeld samen met het afsterven van sommige neuronen en verbindingen. Er wordt dus een selectie gemaakt als er sprake is van variatie.

Evolutionaire processen die op genen inwerken, werken dus ook in op allerlei andere vormen van ‘replicators’ (waar genen een voorbeeld van zijn). Dit noemt Dawkins ook wel universeel darwinisme. Edelman ontwierp de theorie van ‘neural darwinism’. Daarin stelt hij dat groepsselectie van neuronen afhangt van drie processen. Eerst is er sprake van ‘developmental selection’ welke al vroeg aanwezig is in de hersenen; dit zorgt voor het bestaan van vele verbindingen (en dus veel variatie) tussen neuronen. Sommige verbindingen worden vaak gebruikt en anderen sterven af. Ten tweede is er sprake van ‘experiential selection’. Dit proces gaat het hele leven door. Sommige synapsen binnen en tussen groepen neuronen worden versterkt en anderen verzwakt, maar ze sterven niet af. Tot slot is er een proces van ‘re-entry’. Door dit proces kunnen verschillende gebeurtenissen in verschillende delen van de hersenen aan elkaar gelinkt worden. Hierdoor kunnen motorische en zintuiglijke gebeurtenissen parallel aan elkaar lopen.

Edelman spreekt echter niet over het erfelijkheidsaspect dat samengaat met variatie en selectie. Dit erfelijkheidsaspect geldt waarschijnlijk ook niet voor Crick en Koch’s idee van concurrerende clusters van neuronen. De clusters variëren en concurreren met elkaar om dominantie, maar ze worden niet gecopieerd. Calvin betrok erfelijkheid juist wel bij allerlei hersenprocessen. Hij stelde dat er in de cerebrale cortex sprake is van patronen van vurende neuronen. Deze patronen staan voor woorden, concepten of beelden. Deze patronen zouden afhangen van hoe corticale cellen in kolommen geordend staan. Er is in deze kolommen sprake van remming maar ook van activering van signalen. Zo ontstaan er structuren die doorgegeven kunnen worden aan de volgende generatie. Hier komt de erfelijkheidsfactor om de hoek kijken.

Imitatie

Memes’ zijn ideeën, vaardigheden, gewoonten en verhalen die worden doorgegeven van de ene persoon aan de andere persoon. Het kan gaan om geschreven en gesproken woorden, maar ook om regels, gewoonten, liedjes, dans en technische informatie. Dawkins was de eerste die het woord ‘meme’ gebruikte. Hij stelde dat ‘memes’ als een soort van doorgevers (‘replicator’) kunnen dienen, net zoals genen. Zij krijgen namelijk ook te maken met variatie en selectie. Memes worden doorgegeven door middel van imitatie, leren en lezen. Soms gaat dat perfect, maar er ontstaat variatie wanneer het doorgeven niet perfect verloopt doordat iemand bijvoorbeeld een deel van de mop verkeerd onthouden heeft. Oude memes worden ook gebruikt om nieuwe memes te produceren. Dit betekent dat cultuur gezien kan worden als een evolutionair proces dat gebaseerd is op memes.

Er zijn verschillen tussen genen en memes. Genen worden door middel van DNA doorgegeven en dit gebeurt op een hele betrouwbare manier. De betrouwbaarheid van memes hangt af van de mate waarin mensen memes goed doorgeven. Zowel memes als genen kunnen egoïstisch genoemd worden; ze willen allebei doorgegeven worden. Dennett gebruikt het concept van memes als een fundamenteel onderdeel van zijn theorie over het bewustzijn. Hij stelt dat het zelf ontstaat door de interactie tussen ons lichaam en de memes die we meekrijgen. Hij ziet daarin het zelf als een goedaardige, illusionair gebruiker van zijn eigen virtuele apparaat, het bewustzijn, dat zelf ook een complexe vorm van allerlei memes is. Een kritiekpunt is hierop is dat memes doorgegeven kunnen worden: als het bewustzijn bestaat uit alleen maar memes, dan zouden we onze eigen ervaringen op perfecte wijze kunnen doorgeven aan anderen. Dat is echter niet het geval. Niemand is hetzelfde als jij. Daarnaast kunnen memes tijdelijk uitgeschakeld worden terwijl het bewustzijn wel blijft bestaan.

Back to top

Hoe kan het bewustzijn van dieren onderzocht worden? - Chapter 15 (2e druk)

Dieren en bewustzijn

Er bestaan twee visies over de vraag of dieren ook een bewustzijn hebben.

  1. De visie dat alleen mensen een bewustzijn hebben. Descartes geloofde bijvoorbeeld dat alleen mensen een bewustzijn hebben, omdat alleen wij taalvaardigheden hebben. Dieren handelen volgens hem als automatische machines.

  2. De visie dat veel (dier)soorten lichamelijk op elkaar lijken en dat ze daarom allemaal een bewustzijn moeten hebben. Baars stelt bijvoorbeeld dat het bewustzijn een fundamentele biologische aanpassing is en al voorkwam bij de eerste zoogdieren. Hij stelt dat we niet kunnen zeggen dat andere soorten geen subjectiviteit ervaren.

Daarnaast zijn er ook theorieën waarbij ervan uitgegaan wordt dat verschillende dieren verschillende vormen van bewustzijn hebben. We mogen er niet van uitgaan dat er maar één soort bewustzijn bestaat. Elke diersoort heeft zintuiglijke systemen ontwikkeld die bij hun manier van leven past. Dit betekent dat als je verschillende dieren in dezelfde ruimte zet, dat ze eigenlijk van verschillende werelden afkomstig zijn.

Kunnen we zeggen dat sommige diersoorten een meer ontwikkeld bewustzijn hebben dan andere dieren? Is een kikker zich bijvoorbeeld meer bewust van zichzelf dan een vlieg? Greenfield stelt dat het bewustzijn complexer wordt naarmate de hersenen groter zijn. Als dit klopt, dan zouden olifanten een beter ontwikkeld bewustzijn moeten hebben dan mensen. Dit lijkt onwaarschijnlijk te zijn. We kunnen proberen dieren te categoriseren op basis van hun intelligentie, maar we moeten wel weten dat ons idee van intelligentie samenhangt met onze eigen, menselijke ideeën over welke vaardigheden horen bij intelligente organismen.

Een andere vraag is of het ene dier meer pijn beleeft dan het andere dier. Stamp Dawkins stelt dat we op basis van drie zaken kunnen bepalen of een dier pijn lijdt:

  1. de algemene gezondheidstoestand van het dier,

  2. de fysiologie van het dier en

  3. het gedrag van het dier.

Dawkins stelt dat we het beste kunnen weten of een dier lijdt, als het dier de reden van de pijn probeert te vermijden. We moeten dus niet afgaan op empathie om te beslissen of een dier lijdt, maar op het gedrag van het dier.

‘Mirror self-recognition’ (MSR): zelfherkenning

Hoe weten we of dieren zelfbewust zijn? Om dit te testen kan gebruik gemaakt worden van een spiegeltest. Er wordt dan bekeken of dieren zichzelf kunnen herkennen in de spiegel. Veel dieren, zoals honden en katten, herkennen zichzelf niet wanneer ze voor een spiegel worden gezet.

Darwin zette twee jonge orang-oetans voor een spiegel. Hij merkte dat ze verbaasd waren toen ze zichzelf zagen. Ze probeerden hun spiegelbeeld een kus te geven. Hier blijkt echter niet uit of ze zichzelf herkennen. Het zou ook zo kunnen zijn dat ze dachten dat ze naar een andere aap keken die ze een kus wilden geven.

Gallup zette chimpansees voor een spiegel. Eerst dachten ze dat ze naar een andere aap aan het kijken waren, maar na een paar dagen keken ze in de spiegel om hun tanden te bekijken. Gallup kon hieruit echter nog niet concluderen dat de chimpansees zichzelf herkenden. Gallup ging daarom een stapje verder en tekende twee rode stippen op het gezicht van de chimpansees. Wanneer de dieren voor een spiegel gezet werden, bleek dat ze doorhadden dat er iets vreemd op hun gezicht zat. Ze probeerden de rode stippen weg te vegen. Hieruit concludeerde Gallup dat de chimpansees zichzelf herkennen.

De test met de rode stippen is niet eerlijk voor alle diersoorten. Dolfijnen kunnen hun gezicht bijvoorbeeld niet aanraken om duidelijk te maken dat ze merken dat er iets vreemds aan de hand is. Er is dan echter toch een manier om MSR te meten. Reiss en Marino tekenden een stip op het lichaam van twee dolfijnen, op een plek die ze niet konden zien zonder spiegel. Beide dieren gingen enorm kronkelen en draaien, blijkbaar om de stip te zien die ze in de spiegel hadden ontdekt.

Een ander probleem met de rode stippentest is dat de meeste apen het als bedreigend ervaren wanneer naar hen gestaard wordt. Dit kan betekenen dat een aap waarschijnlijk niet lang wil kijken naar de aap die hij in de spiegel ziet. Hoe dan ook: we weten nog steeds niet zeker welke diersoorten zichzelf kunnen herkennen. Daarnaast is het niet zeker of zelfherkenning een uiting is van zelfbewustzijn (‘self-awareness’). Gallup is ervan overtuigd dat chimpansees zichzelf kunnen herkennen en een concept van zelfbewustzijn hebben. Povinelli stelt dat chimpansees een zelfconcept hebben, maar dat ze zich niet bewust zijn van hun eigen psychologische toestand.

Theorie van het verstand (‘Theory of Mind’, TOM)

Een onderdeel van ons bewustzijn is dat we overtuigingen, verlangens en mentale toestanden hebben en dat we mentale toestanden ook toeschrijven aan andere mensen. Dit noemen we ook wel ‘theory of mind’ (TOM). Dennett spreekt in dit verband van ‘intentional stance’: het begrijpen van andermans gedrag door ervan uit te gaan dat anderen ook verlangens, overtuigingen en angsten hebben.

Baby’s worden niet geboren met deze vaardigheid. Als ze twee jaar oud zijn beginnen ze de blik van een ander te volgen en te kijken waar iemand naar wijst. Als ze drie jaar oud zijn kunnen ze praten over hun eigen verlangens en voorkeuren, maar ook over die van andere mensen. Ze begrijpen dan echter nog niet dat andere mensen misschien iets niet zien zoals zij dat zelf zien. Ze snappen niet dat andere mensen verkeerde overtuigingen kunnen hebben. De vraag is of dieren ook een theory of mind hebben.

Imitatie

Mensen vinden het gemakkelijk om anderen te imiteren en dat doen ze ook op spontane wijze. Dit gebeurt al als een kind erg jong is. Imitatie is de basis voor het ervaren van empathie voor anderen. Darwin dacht dat honden, katten en apen leren door middel van imitatie. We weten nu dat er maar zeer weinig dieren bestaan die hun soortgenoten kunnen imiteren. Het is mogelijk dat er een gewoonte ontstaat onder een diersoort, maar dit werd vroeger verklaard aan de hand van imitatie. Dit blijkt een verkeerde conclusie te zijn. Er is vaak sprake van een individueel leerproces dat ontstaat door pogingen die leiden tot fouten en tot succes. Dit betekent dus dat er maar zelden sprake is van imitatie van anderen.

Dit is een belangrijk punt, aangezien evolutionaire processen vaak in termen van imitatie worden uitgelegd. We weten dat groepen chimpansees verschillende culturen hebben. In elke groep wordt er op een andere manier gezocht naar voedsel. Er is onder wetenschappers echter onenigheid over de vraag hoeveel culturele vaardigheden van chimpansees worden aangeleerd door imitatie. Het antwoord op die vraag is van belang voor het vraagstuk of andere diersoorten dan de mens wel of geen ‘memes’ hebben.

Taal

Het grootste verschil tussen mensen en dieren is dat mensen beschikken over taal en dieren niet. Dit betekent dat als taal de oorzaak is van het zelfbewustzijn van de mens, dat het bewustzijn van andere organismen dan anders zou moeten zijn dan de onze. Als het menselijke bewustzijn echter een illusie is, dan zou deze conclusie niet gelden.

Kinderen in elke cultuur pikken heel snel een taal op, zonder dat hun specifiek een taal wordt aangeleerd door anderen en zonder dat anderen hun verbeteren. Dit wordt ook wel een ‘language instinct’ genoemd. Dieren hebben soms complexe vormen van communicatie. Apen maken bijvoorbeeld verschillende alarmgeluiden voor verschillende soorten gevaren. Toch kan gezegd worden dat de betekenis van dierlijke signalen vaststaat en dat dieren geen nieuwe representaties kunnen verzinnen door signalen te combineren.

Er zijn veel pogingen gedaan om taal aan te leren aan dieren. Omdat apen geen letters kunnen uitspreken, is geprobeerd hun gebarentaal aan te leren (American Sign Language). Wat blijkt? Ze hebben wel enig begrip van grammatica, want ze kunnen wel het verschil in betekenis tussen twee zinnen begrijpen. Er blijft echter een groot verschil bestaan tussen de manier waarop apen en kinderen taal gebruiken. Apen zijn niet intrinsiek gemotiveerd om de geleerde gebarentaal te gebruiken. Ze maken alleen gebruik van wat ze geleerd hebben als ze iets nodig hebben. Kinderen gebruiken taalvaardigheden om veel meer redenen.

Back to top

Hoe kan een machine verstand bijgebracht worden? - Chapter 16 (2e druk)

Kunstmatig bewustzijn

Is er iets speciaals wat ervoor zorgt dat de mens kan praten, denken, zien of horen? Of zijn we simpelweg machines? Er wordt steeds meer bekend gemaakt over de biologie van perceptie, geheugen etc. Echter, stel dat we alles zouden weten over deze mechanismen: zouden we het bewustzijn dan beter begrijpen? Of is er dan sprake van een kunstmatige vorm van bewustzijn dat van de menselijke vorm verschilt?

Op de vraag of mensen een machine zijn, zijn twee antwoorden mogelijk. We kunnen starten met de biologie en proberen te begrijpen hoe neurale systemen werken of we kunnen kunstmatige systemen maken en zien in hoeverre zij met een menselijk wezen overeenkomen. Wanneer we ons met dit laatste bezighouden spreken we over het kunstmatige bewustzijn (‘artificial consciousness’‘, AC’, of ‘machine consciousness’ , ‘MC’), hetgeen nauw samenhangt met kunstmatige intelligentie (‘artificial intelligence’, ‘AI’),

‘Mind-like’ machines

Descartes geloofde dat het menselijke lichaam een machine is, maar dat deze machine in z’n eentje niet voor spraak en rationele gedachten kan zorgen. Rationeel kunnen denken zou het gevolg zijn van de werking van het bewustzijn. Hier is echter een geest voor nodig.

In 1642 bouwde Pascal de eerste rekenmachine, die werd verbeterd door Leibniz. Leibniz geloofde dat materie uit kleine ‘verstandjes’ bestaat. Hij was het niet eens met Descartes die beweerde dat het verstand de hersenen kan beïnvloeden. Leibniz dacht na over het bestaan van denkende en waarnemende machines. Hij stelde een gedachte-experiment voor waarin hij zich voorstelde dat er een bewuste machine zou zijn waar een mens in zou kunnen passen. Wanneer men deze machine zou betreden, zou hij delen kunnen vinden die op elkaar werken en zou hij geen delen kunnen vinden die de perceptie zou kunnen verklaren.

Boole geloofde dat het menselijke verstand uiteindelijk verklaard zou kunnen worden aan de hand van wiskundige formules. Hij heeft deze formules echter nooit kunnen vinden. Toch werd dankzij hem algebra gebruikt tijdens de computer revolutie. Turing stelde dat problemen opgelost zouden kunnen worden aan de hand van algoritmen. Hij sprak over een simpele, abstracte machine die zou kunnen bewegen. Hij geloofde dat deze simpele machine de stappen zou kunnen specificeren die nodig zijn om welk probleem dan ook op te lossen. Een dergelijke machine wordt ook wel een Universele Turing Machine genoemd. Een belangrijk onderdeel van deze machine is dat hij gebruikt kan worden door chips of hersencellen in te brengen. Het gaat erom dat het de machine dezelfde handelingen uitvoert, waar de machine ook op werkt.

Craik geloofde dat het menselijke verstand alle aspecten uit de buitenwereld vertaalt naar interne representaties in het hoofd. Hij stelde dat deze interne representaties gemanipuleerd kunnen worden volgens vaste regels en dat machines dit ook zouden kunnen doen. Het bewustzijn staat volgens hem gelijk aan mentale representaties.

Computers werden steeds geavanceerder en al snel werd gezegd dat ze intelligent waren en konden nadenken. Het leek dus mogelijk dat er zoiets als kunstmatige intelligentie bestond. Alle pogingen om kunstmatige intelligentie te ontwerpen bestonden uit programmeurs die de machine vertelden wat hij moest doen. Deze computers maakten gebruik van algoritmen en verwerkten daarmee informatie volgens vaste regels. Dit wordt tegenwoordig ‘GOFAI’ (‘Good Old-Fashioned Artificial Intelligence’) genoemd. Een probleem met GOFAI is dat de informatie die computers verwerken wordt gezien als representaties van dingen uit de wereld, maar dat deze symbolen niet gebaseerd zijn op de echte wereld.

Kortom: de computer weet zelf niet wat hij doet; hij is alleen maar aan het uitvoeren. Dit wordt ook wel ‘rule-and-symbol AI’ genoemd. Searle maakt onderscheid tussen ‘strong AI’ en ‘weak AI’.

Volgens ‘strong AI’ is het zo dat een computer die het juiste programma gebruikt, intelligent is en een verstand heeft zoals wij hebben. Het hebben van een verstand is dus niet niets meer van het gebruiken van het juiste programma. Volgens ‘weak AI’ kunnen computers alleen verstandelijke vermogens (zoals nadenken en besluiten maken) nadoen. Ze zullen volgens ‘weak AI’ echter nooit echt intelligent zijn of echt een verstand hebben.

Connectionisme

Het connectionisme is gebaseerd op kunstmatige neurale netwerken (‘artificial neural networks’, ANN’s) en parallelle verwerking. ANN’s worden gebruikt om menselijke mensencellen na te bootsen. Het grote verschil met AI is dat ANN’s niet geprogrammeerd zijn, maar getraind worden.

Stel: een machine moet op foto’s herkennen of er een man of vrouw opstaat. Mensen kunnen dit automatisch, maar een machine moet dit aangeleerd krijgen. Als we gebruik maken van ANN, dan moet de machine elke keer naar een foto kijken en output geven. Als hij een fout maakt, dan wordt het neurale netwerk van de machine aangepast, zodat hij de fout niet meer maakt. Hoe werkt zo een netwerk precies?

Het netwerk bestaat uit vele units. Deze units lijken qua werking op neuronen. De units zijn verbonden in een netwerk van parallelle verbindingen. Een simpel netwerk kan bestaan uit drie lagen:

  1. een inputlaag,

  2. een verborgen laag, en

  3. een outputlaag.

Connectionistische netwerken doen niet alleen maar wat programmeurs zeggen dat ze moeten doen. Dit is iets heel anders dan de ‘rule-and-symbol AI’. ANN’s hebben vele toepassingsmogelijkheden, bijvoorbeeld handschriften lezen, robots besturen en als spamfilter.

Belichaamde cognitie

De machines die tot nu toe beschreven zijn, hebben geen ‘lichaam’. Ze staan op planken en ze hebben interactie met de wereld. Vroeger werd geloofd dat de essentie van denken abstract is en op regels gebaseerd is. Denken zou volgens deze visie ook gedaan kunnen worden zonder een lichaam.

Belichaamde cognitie (‘embodied cognition’) staat voor het idee dat het verstand alleen gecreëerd kan worden als iets interactie heeft met de omgeving. De omgeving verschaft ons informatieopslag en feedback die perceptie, intelligentie en bewustzijn mogelijk maken. Om machines op deze manier te construeren betekent dat gewerkt wordt van bottom-up naar top-down. Deze benadering wordt soms ‘gesitueerde robotica’ of ‘gedrags-gebaseerd’ genoemd. Een consequentie van een dergelijk werksysteem is dat intelligente gedragingen kunnen ontstaan uit simpele systemen, hetgeen de hoop creëert dat het bewustzijn wellicht ook ontstaat uit het bouwen van simpele systemen.

Intelligentie zonder representatie

Als je robots zo programmeert dat ze niet tegen dingen uit hun omgeving botsen, dan betekent dit dat ze geen representatie van de omgeving zouden hoeven te maken om zichzelf niet te beschadigen. De traditionele vorm van AI gaat ervan uit dat intelligentie samengaat met mentale representaties van de buitenwereld, maar tegenwoordig worden robots gebouwd die helemaal geen interne representaties van de buitenwereld maken. Deze robots kunnen vooruit komen zonder ergens tegenaan te botsen in complexe omgevingen. Ze kunnen ook taken volbrengen zoals afval opruimen. Deze robots hebben verschillende controlelagen die allemaal verantwoordelijk zijn voor simpele taken. Deze lagen liggen boven op elkaar en hebben beperkte verbindingen. De ene laag kan de andere onderdrukken. Dit wordt ook wel ‘subsumption architecture’ genoemd. Het lijkt zo te zijn dat deze robots intelligente handelingen uitvoeren. Deze bevindingen zijn belangrijk voor de discussie over het bewustzijn.

We hebben het idee dat bewuste ervaringen samengaan met interne representaties van de wereld. Maar hoe kan een mentale representatie een bewuste ervaring zijn? Misschien is het niet handig om in termen van representaties van de buitenwereld te denken, maar dit kan weer tot andere problemen leiden. Als we niet in termen van representaties redeneren, wat is dan het alternatief?

De Turing-test

Turing wilde een manier testen om te onderzoeken of machines konden nadenken. Zo bedacht hij dat het mogelijk was om te kijken of machines kunnen schaken. Hij stelde hierbij dat als een machine kan schaken, dat hij dan wel zou moeten kunnen nadenken. Turing voerde daarnaast een tweede denkbeeldig onderzoek uit. Hij vroeg zich af of een computer een gesprek kan hebben met een mens. Mensen waren zeer sceptisch naar dit idee toe en geloofden dat er wel sprake zou moeten zijn van een truc als zoiets zou lukken. Turing beschreef ‘the imitation game’. Bij dit (denkbeeldige) onderzoek is er een beslisser (C) die moet kiezen welke van twee mensen een vrouw is. De man (A) en de vrouw (B) bevinden zich in een andere kamer, zodat C hen niet kan zien en horen. C kan alleen met hen communiceren door hen de juiste vragen te stellen en getypte reacties te ontvangen. A en B proberen allebei te reageren als vrouwen. Het is daarom van groot belang dat C de juiste vragen stelt.

Turing vroeg zich af wat er zou gebeuren als A door een machine gespeeld zou worden. Kan een mannelijke machine zich als vrouw gedragen? Kunnen machines dus nadenken? Turing voorspelde in 1950 dat het rond 2000 mogelijk zou zijn computers zodanig te programmeren, dat een vragensteller slechts 70 procent kans zou hebben te ontdekken of een mens of een computer de antwoorden geeft. Turing zat er niet ver naast. In een experiment in 2008 kregen mensen vijf minuten de tijd om met een computer en met een mens te communiceren. Drie van de twaalf mensen dachten dat de computer een mens was.

Back to top

Welke visies zijn er op het bewustzijn van machines? - Chapter 17 (2e druk)

Denken en bewustzijn

Zou een machine zich ergens bewust van kunnen zijn? Deze vraag is lastiger dan de vraag of machines kunnen nadenken. Als je de laatstgenoemde vraagt stelt, kun je namelijk twee kanten op. Je kunt zeggen dat het afhangt van hoe het woord ‘denken’ is gedefinieerd. Je kunt ook zeggen dat je een experiment wil ontwerpen waaruit moet blijken dat een machine kan nadenken. Dit is wat Turing heeft gedaan. Als je wilt weten of een machine een bewustzijn heeft, dan kun je deze kanten niet op.

Allereerst is er geen duidelijke definitie voor het woord ‘bewustzijn’. Daarnaast is er geen experiment (zoals de Turing-test), waarmee onderzocht kan worden of machines een bewustzijn hebben. Als we er namelijk van uitgaan dat bewustzijn te maken heeft met subjectieve ervaringen, dan kan alleen de machine zelf weten of hij een bewustzijn heeft.

Sommige mensen geloven dat als je een robot vraagt of hij een bewustzijn heeft en hij zegt dat dit zo is, het dan waarschijnlijk is dat hij doet alsof hij een bewustzijn heeft, want hij is op die manier geprogrammeerd. Een functionalist zal zeggen dat robots een bewustzijn hebben omdat ze als robots bepaalde taken kunnen uitvoeren. Het bewustzijn hangt volgens functionalisten samen met kunnen handelen. Het bewustzijn is volgens deze visie geen oorzaak van de taakuitvoering. Een inessentialist gelooft niet dat machines of robots een bewustzijn kunnen hebben omdat er geen innerlijke beleving bestaat bij machines. Als beide visies (zowel die van de functionalist als die van de inessentialist) legitiem zouden zijn dan zou er alsnog geen simpele test kunnen zijn om het bewustzijn van een machine te onderzoeken.

Tegenargumenten

Er zijn verschillende argumenten om aan te geven dat machines nooit een bewustzijn zouden kunnen hebben. Ten eerste voelt het onnatuurlijk om te denken dat een machine een bewustzijn kan hebben. Je kunt daarnaast uitgaan van een dualistisch perspectief. Je kunt bijvoorbeeld op basis van je religie zeggen dat God alleen een bewustzijn heeft gegeven aan de mens. Het is ook mogelijk om een niet-religieus dualistisch perspectief aan te nemen. In dat geval kun je zeggen dat het verstand iets is dat losstaat van de hersenen. Aangezien dit niet het geval is bij machines, zouden ze nooit een bewustzijn kunnen hebben.

Je zou kunnen zeggen dat de machine een zombie is (en dus geen bewustzijn heeft), dat God een ziel of verstand heeft gegeven aan de machine of dat een machine simpelweg wel een bewustzijn heeft. Het is ook mogelijk om te zeggen dat robots geen bewustzijn hebben, omdat alleen levende organismen een bewustzijn kunnen hebben. Je zou kunnen zeggen dat de functie van neuronen nooit nagedaan kan worden bij robots. Een ander argument is dat organismen groeien en leren voordat ze een bewustzijn hebben ontwikkeld. Machines hebben geen geschiedenis en zouden daarom geen bewustzijn hebben.

Searle is van mening dat hersenen de oorzaak zijn van het verstand. Verrassend is echter wel dat hij zichzelf geen dualist noemt. Hij stelt dat het bewustzijn een neurologische basis heeft, maar dat het bewustzijn wel ervaren moet worden. Hij gelooft dat hersenen het vermogen hebben om ervaringen te laten ontstaan. Searle denkt niet dat het hersenweefsel per definitie noodzakelijk is voor een bewustzijn. Hij gelooft dat andere systemen ook een bewustzijn kunnen hebben, maar alleen als ze zoals de hersenen een verstand met ervaringen kunnen veroorzaken.

Een vierde argument tegen het bewustzijn van machines is dat voor sommige dingen een bewustzijn nodig is en dat machines deze dingen niet kunnen uitvoeren, omdat ze geen bewustzijn hebben. Een voorbeeld is het ontwikkelen van een gevoel voor humor en genieten van een ijsje. Ook bestaat er de visie die ‘Lady Lovelace’s objection’ wordt genoemd. Een machine zou alleen maar kunnen doen wat van hem gevraagd wordt. Zelf zou een machine nooit creatief kunnen zijn.

De Chinese kamer

Turing was een tegenstander van het idee dat we alleen kunnen weten wat ons eigen verstand is.

We zouden andere soorten verstanden (bijvoorbeeld die van machines) ook echt kunnen begrijpen. Searle was het daar niet mee eens en bedacht naar aanleiding hiervan het bekende Chinese kamer gedachte-experiment. ‘Strong AI’ bestaat volgens hem niet, omdat het gebruiken van het juiste programma door een machine niet voldoende is om een begripsvermogen te ontwikkelen.

Het gedachte-experiment van Searle gaat als volgt. Stel: je bevindt je in een gesloten kamer en je krijgt daar Chinese leesstukken te zien. Zelf begrijp je geen Chinees en je kun je het ook niet spreken. In de kamer ligt ook een Engels boek met regels. Mensen buiten de kamer geven jou twee Chinese leesstukken over een verhaal, samen met een vragenlijst die jij moet invullen over wat je hebt gelezen. Het Engelse boek met regels laat jou zien welke reactie je moet geven op de vragen. Op een gegeven moment gaat dit zo vlot, dat de mensen buiten de kamer denken dat jij perfect Chinees kunt lezen en begrijpen. Daarna geven de mensen buiten de kamer jou een Engels verhaal om te lezen. Je beantwoordt deze vragen uit jezelf, omdat je zelf Engels bent. Toch zijn je antwoorden op het Chinese verhaal en het Engelse verhaal voor de buitenwereld even goed, maar er is een cruciaal verschil: de Engelse verhalen begrijp je echt, terwijl je het Chinese verhaal niet begrijpt. In het geval van de Chinese kamer gedraag je je dus als een computer die input van het Engels boek ontvangt om de juiste antwoorden te geven.

Kortom: een computer die een programma over Chinese of Engelse verhalen gebruikt, begrijpt hier zelf niets van. De conclusie van Searle is dat een computer zelf nooit iets echt kan begrijpen. Hij kan geen betekenissen verbinden aan de input die hij binnenkrijgt. Er is dus geen sprake van een begripsvermogen. Searle vindt dat de mens intentionaliteit heeft en de machine niet. Intentionaliteit gaat over ergens de aandacht op richten om het te begrijpen. Volgens Searle is intentionaliteit een subjectief gegeven en daarom gerelateerd aan het bewustzijn.

Kritiek

Er is veel kritiek geweest op Searle. Zo is er de ‘brain simulator reply’ geweest. Hiermee wordt gezegd dat er een programma kan bestaan die de manier waarop neuronen in Chinese hersenen vuren, na kan bootsen. Searle zegt dat dat misschien wel mogelijk is, maar dat je daarmee geen verstand of bewustzijn kunt ontwerpen. Chalmers is van mening dat mensen op concrete wijze interactie kunnen hebben met andere objecten, terwijl dat niet geldt voor computers. Hij stelt dat implementatie in dit verband een belangrijk begrip is. Het hebben van het juiste computerprogramma is niet voldoende om een bewustzijn te creëren. Het gaat om het toepassen van het juiste programma.

Er zijn bovendien meningsverschillen over wat het gedachte-experiment van Searle nou echt bewijst. Sommige mensen zeggen dat Searle bewijst dat computers geen echt begrip kunnen hebben, terwijl anderen vinden dat het experiment niets bewijst. Tot slot bestaat er het argument dat er dingen zijn die machines niet kunnen doen. Als wij deze dingen wel kunnen doen, dan betekent dat dat we meer zijn dan alleen machines en dat we iets speciaals, namelijk een bewustzijn, hebben. Turing noemt dit ook wel de ‘mathematical objection’. Het eerste deel van dit argument klopt. Er zijn inderdaad dingen die een Turing-machine niet kan doen, maar de ‘incompleteness theorem’ stelt dat alle systemen (dus ook menselijke systemen) uiteindelijk niet compleet zijn. Maar geldt dit ook echt voor mensen?

Turing stelt dat de mens makkelijk fouten kan maken en dat de mens dus niet per definitie superieur is aan een machine. Penrose stelt dat rekenkundig begrip verder gaat dan alleen rekenen en dat hiervoor een bewustzijn nodig is. Searle gelooft dat het bewustzijn wel nagebootst kan worden in machines (al zal het nooit de menselijke vorm aannemen), maar Penrose gelooft hier zelfs niet in. Penrose vindt namelijk dat iets begrijpen iets heel anders is dan iets berekenen. Penrose gelooft dat het bewustzijn ontstaat door samenhang in microtuben. Dit zijn proteïnen die op tuben lijken en gevonden kunnen worden in bijna alle cellen van het lichaam. Door deze microtuben hebben we het gevoel dat we een zelf en een vrije wil hebben. De theorie van Penrose wordt ‘objection reduction’ genoemd.

Kurzweil is een tegenstander van de visie van Penrose. Machines kunnen misschien niet alle problemen oplossen, maar mensen zeer zeker ook niet, vindt hij. Mensen kunnen alleen inschattingen van problemen maken volgens Kurzweil, maar dit kunnen computers ook. Grush en Churchland zijn ook tegenstanders van de visie van Penrose. Microtuben bevinden zich in het hele lichaam en niet alleen in de hersenen.

Men zegt dat er geen bewijs gevonden is dat microtuben iets te maken hebben met het bewustzijn. Bovendien wordt vermoed dat het niet zo is dat effecten van de ene microtube overgedragen kunnen worden aan de andere microtube om de eenheid van het bewustzijn te verklaren. Toch blijft de theorie van Penrose populair, omdat hij het bewustzijn niet in termen van neuronen verklaart. De meeste mensen vinden het een vreemd idee dat het bewustzijn alleen maar ontstaat door neuronen die samenwerken. Penrose maakt gebruik van beginselen uit de kwantumfysica om zijn theorie te verdedigen. Voor veel mensen klinkt dat veel aantrekkelijker dan alleen een verklaring op basis van de activiteit van neuronen.

Back to top

Hoe zou een bewuste machine gebouwd moeten worden? - Chapter 18 (2e druk)

Veel robot- en computertechnici negeren alle argumenten tegen het ontwerpen van machines met een bewustzijn en gaan stug door met proberen. Er zijn twee manieren om dit aan te pakken:

  1. een machine maken die bewust is, of

  2. een machine maken die bewust lijkt.

We moeten niet vergeten dat het kan lijken alsof machines intenties hebben om doelen te bereiken, terwijl dat misschien helemaal niet het geval is. Daarnaast is het verrassend dat we niet denken dat andere objecten subjectiviteit ervaren, terwijl we ze wel zo behandelen.

Kismet was de eerste robot die op een mens lijkt. Hij had controle over aandachtsprocessen en visie en lette op beweging, kleur en huidskleur. Het humeur van Kismet was een combinatie van drie variabelen: geluk, alertheid en openheid voor nieuwe stimuli. Kismet kon horen en geluiden maken, maar geen woorden begrijpen. Je zou kunnen denken dat Kismet geen bewustzijn heeft omdat hij uit metaal bestaat en simpele routinematige handelingen uitvoert.

Toch is het zo dat er geen plaats in Kismet is waar ‘alles samenkomt’ (zoals weleens wordt beweerd over het bewustzijn). Kortom: Kismet had geen Cartesiaans theater. Dennett gelooft dat dit ook geldt voor mensen. Stel dat er een nieuwe robot gemaakt wordt die emoties in mensen herkent, lacht, kan huilen en kan reageren op de persoon waar hij een gesprek mee voert. Zou je dan nog denken dat hij geen bewustzijn heeft? We kunnen zeggen dat het dan alleen lijkt alsof deze robot een bewustzijn heeft. Een andere mogelijkheid is geloven dat hij echt een bewustzijn heeft. Welke visie klopt en hoe komen we daarachter?

Echte overtuigingen en overtuigingen die echt lijken

In 1979 claimde McCarthy, één van de oprichters van AI, dat thermostaten overtuigingen hebben: ze kunnen geloven dat het te warm is, te koud is of dat de temperatuur goed is. Een thermostaat kan de omgeving waarnemen en op basis daarvan op de omgeving reageren.

Het lijkt vreemd te zijn dat McCarthy denkt dat thermostaten overtuigingen hebben, maar zijn voorbeeld nodigt ons wel uit om te denken over wat echte intentionaliteit nou precies is. Je zou kunnen denken dat de overtuigingen van thermostaten even echt zijn als de overtuigingen van mensen, maar dat ze wel simpeler zijn. Je zou ook kunnen denken dat er niet zoiets bestaat als echte intentionaliteit en intentionaliteit die echt lijkt. Andere mensen maken weer een duidelijk onderscheid tussen intentionaliteit en het bewustzijn. Als je gelooft dat robots geen echte intentionaliteit hebben, dan zou je moeten kunnen uitleggen wat echte intentionaliteit bij mensen inhoudt en of het in een machine te implanteren is.

X-factor

Stel dat mensen een x-factor hebben die ervoor zorgt dat ze een bewustzijn hebben. Als we een bewuste robot zouden willen maken, dan moeten we uitzoeken wat deze x-factor is. McGinn vraagt zich af of deze x-factor (die hij C* noemt) kan bestaan in objecten. Hij concludeert dat we dat nooit kunnen weten. Hij gelooft dat we tevens nooit zullen weten hoe de hersenen en het bewustzijn samenhangen. Hij gelooft daarom dat we er nooit achter kunnen komen wat C* is.

Andere wetenschappers zijn minder pessimistisch. Chalmers gelooft in kunstmatige intelligentie en wijst het gedachte-experiment van de Chinese kamer uit het vorige hoofdstuk af. Chalmers is een dualist, maar gelooft wel dat elk systeem dat op de juiste manier georganiseerd is, een bewustzijn zoals het onze kan hebben. Het hebben van het juiste systeem is volgens hem niet genoeg. Het implementeren van dit systeem is juist erg belangrijk. Hij stelt dat we hiervoor de x-factor van het menselijke bewustzijn moeten vinden. Een manier om dit te doen is om een lijst van mogelijke x-factoren te maken.

Stuart stelt ‘engaged embodiment’ voor; doelgerichte animatie, perceptie, voorstellingsvermogen en het vermogen om ervaringen te herkennen als eigen ervaringen. Aleksander neemt de fenomenologie als uitgangspunt. Hij komt tot de volgende criteria om een bewuste robot te maken: - perceptie van zichzelf in een ‘out there world’;

  • imaginatie van het verleden en fictie;

  • aandacht;

  • plannen;

  • emoties.

Aleksander bedacht de Kernel Architecture (KA) om deze vijf criteria heen. Het sleutelmechanisme hierbij is afbeelden: het maken van een directe representatie waar elementen van de wereld zich bevinden dat ervoor zorgt dat aandacht op een geschikte manier gericht kan worden. Volgens Aleksander bevat KA ook een afbeelding van de zelf in zijn wereld. Hij concludeert daarom dat een robot bewust kan zijn als hij een KA heeft.

Een andere benadering is om te beginnen vanuit bestaande bewustzijnstheorieën. De ‘Global Workspace Theory’ (GWT) stelt dat de inhoud van het bewustzijn bestaat uit representaties die door de ‘global workspace’ worden verwerkt. De ‘global workspace’ is zelf een groot netwerk met samenwerkende neuronen. De inhoud van deze neuronen zou bewust zijn en ze zouden deze inhoud beschikbaar maken voor het hele systeem dat onbewust is. In deze theorie staat de x-factor voor de algemene beschikbaarheid. Een robot zou dus een bewustzijn hebben als hij een ‘global workspace’ zou hebben die ervoor zou kunnen zorgen dat de inhoud voor het hele systeem beschikbaar zou zijn.

Franklin heeft IDA (‘Intelligent Distribution Agent’) als software ontworpen voor het Amerikaanse marine. Deze software is gebaseerd op GWT, maar volgens Franklin heeft deze software alleen een bewustzijn en geen zelfbewustzijn. Daarnaast zou de software geen subjectieve ervaringen (‘phenomenal consciousness’) hebben. Franklin trekt daarom de conclusie dat IDA geen echt bewustzijn heeft.

Edelman en Tononi stellen dat het bewustzijn het gevolg is van een dynamische kern (‘dynamic core’) met neuronen in de hersenen. Deze kern zou allerlei verbindingen hebben met de rest van de hersenen. Het zou misschien wel mogelijk zijn om een machine te ontwerpen die ook zo een dynamische kern heeft.

Hameroff en Penrose stellen dat de implementatie van een dynamische kern niet zou zorgen voor een echte vorm van bewustzijn. Zij stellen dat het bewustzijn ontstaat door samenhang in microtuben van cellen.

Er zijn ook wetenschappers die denken dat het bewustzijn een grote illusie is. Het zou alleen maar lijken alsof we bewuste ervaringen hebben. We zouden deze illusie hebben omdat we taalvaardigheden hebben. We denken al snel in termen van ‘ik’ en het ‘zelf’ en dat zou zorgen voor een gevoel van bewustzijn.

Sprekende machines

Er zijn veel pogingen gedaan om sprekende machines te ontwerpen. In het verleden is vooral gebruik gemaakt van de GOFAI aanpak. Deze aanpak is gebruikt om computers te programmeren aan de hand van de juiste regels. Tevens is met de GOFAI aanpak geprobeerd robots taal aan te leren. Het probleem hierbij is dat natuurlijke talen niet altijd bepaalde regels volgen. Woorden hebben bijvoorbeeld meerdere betekenissen en zinnen kunnen op meerdere manieren geïnterpreteerd worden. Machines kunnen verschillende betekenissen afwegen en de meest waarschijnlijke kiezen, maar ze zullen de talen die ze leren niet echt begrijpen.

Een nieuwe benadering is de ‘evolutionaire theorie van memetica’. Volgens memetica is het zo dat als organismen elkaar imiteren, dat ze dan evolueren. Dit zou kunnen betekenen dat als imitatie voorkomt, dat talen spontaan kunnen ontstaan. Hetzelfde zou gebeuren als machines elkaar kunnen nadoen. Er is bewijs uit computersimulaties en robotonderzoeken dat er inderdaad sprake lijkt te zijn van een evolutionair systeem. Steels heeft bijvoorbeeld robots ontworpen die elkaars geluiden kunnen vaststellen en imiteren. Taal zou ook op dezelfde manier gezien kunnen worden: een veranderd systeem waarbij woorden en betekenissen spontaan ontstaan. Dit zou betekenen dat robots taal kunnen leren zoals kinderen dat doen. Bovendien betekent dit dat robots die elkaar imiteren al snel een eigen taal zouden kunnen verzinnen. De memetica benadering stelt dat machines die elkaar kunnen imiteren duidelijk anders zijn dat machines die dat niet kunnen, net zoals mensen van dieren verschillen. Robots zouden bijvoorbeeld hun eigen cultuur kunnen ontwerpen, zoals wij dat ook doen.

Onsterfelijkheid

Kurtzweil gelooft dat het een kwestie van tijd is dat de mens onsterfelijk wordt. Dit zouden we kunnen doen door onderdelen van hersenfuncties op een computer te zetten. De eerste vraag is of je dan nog steeds een bewustzijn hebt en de tweede vraag is of je dan nog dezelfde (bewuste) persoon bent als eerst. De antwoorden hierop hangen af van hoe je het bewustzijn definieert en of je een aanhanger bent van bundel- of egotheorieën.

Back to top

Hoe verloopt de onbewuste verwerking? - Chapter 19 (2e druk)

Bewuste en onbewuste verwerking

Wetenschappers hadden al heel vroeg interesse in onbewuste verwerking (ook wel impliciete of subliminale perceptie genoemd). We weten dat er sprake kan zijn van perceptie zonder bewustzijn. Mensen kunnen zelf denken dat ze iets niet bewust hebben waargenomen, terwijl uit hun gedrag juist wel blijkt dat ze iets hebben waargenomen.

We gaan er niet van uit dat we twee zelven hebben: één voor bewuste verwerking en één voor onbewuste verwerking. In eerdere experimenten werden bewuste ervaringen gedefinieerd in termen van wat mensen zelf zeiden waargenomen te hebben. Dit klinkt logisch, maar deze methode heeft een nadeel. Of iemand zegt dat hij of zij iets bewust waargenomen heeft, hangt af van hoe voorzichtig iemand is met zijn of haar oordeel. Er is geen duidelijke grenswaarde aan te wijzen tussen wanneer iemand iets heeft waargenomen of niet. Behavioristen wilden niet afhankelijk zijn van of mensen zeiden iets waargenomen te hebben. Ze wilden objectieve meetinstrumenten maken, zodat daar geen behoefte aan was. Dit is een raar idee, aangezien zeggen of je iets waargenomen hebt, even betrouwbaar (of onbetrouwbaar) is als een knopje indrukken om duidelijk te maken dat je iets waargenomen hebt.

Priming

Marcel toonde aan dat mensen sneller reageren op een target als de prime hiermee overeenkomt. Marcel maakte de primes onherkenbaar voor deelnemers, door een visuele afleider op het beeld te plaatsen, meteen nadat de prime was verschenen. Mensen konden de prime dus niet bewust waarnemen. Toch werd er zelfs dan sneller gereageerd op de target. Dit fenomeen wordt ook wel ‘semantic priming’ genoemd.

Cheesman en Merikle maakten onderscheid tussen:

  1. objectieve drempelwaarde, en

  2. subjectieve drempelwaarde.

De objectieve drempelwaarde staat voor het detectieniveau waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen perceptuele informatie op basis van toevalsverschijnselen. De subjectieve drempelwaarde gaat over de waarde waarbij deelnemers zeggen dat ze geen onderscheid konden maken tussen perceptuele informatie en dat hun antwoorden door toevalsverschijnselen komen.

Cheesman en Merikle gebruikten de Stroop-test waarbij deelnemers de kleur moeten benoemen van een woord nadat ze geprimed zijn met een gekleurd woord. Overeenkomstige (congruente) kleuren en woorden zorgen voor een snellere reactietijd. Wanneer kleuren en woorden niet overeenkomen is er sprake van incongruentie. Cheesman en Merikle trokken de conclusie dat er sprake is van onbewuste verwerking wanneer informatie onder de subjectieve grenswaarde en boven de objectieve grenswaarde wordt gepresenteerd.

Onbewustzijn en emotie

Het is ook mogelijk dat onbewuste perceptie invloed heeft op de emoties van mensen. Bedreigende beelden (die mensen ontkennen gezien te hebben) kunnen emotionele reacties oproepen en perceptuele drempelwaarden veranderen. Soms komt het zelfs voor dat mensen die verdoofd zijn toch onbewust hebben waargenomen wat de chirurg tijdens de operatie heeft gezegd.

Merikle en Daneman stellen dat onbewust waargenomen informatie tot automatische reacties leidt en dat bewust waargenomen informatie tot meer flexibele reacties leidt. Het is echter niet met zekerheid te zeggen dat onbewust waargenomen informatie automatische reacties veroorzaakt. Het is ook mogelijk dat meer flexibele reacties het bewustzijn veroorzaken of dat flexibele reacties en bewuste processen hetzelfde zijn.

Uit hersenscans blijkt ook dat onbewuste waarneming terug te vinden is in de hersenen. Onbewust waargenomen beelden van bange gezichten leiden tot meer activiteit in de amygdala in vergelijking tot blije gezichten. Dit bevestigt dat zelfs wanneer informatie onbewust verwerkt wordt, dat er toch effecten kunnen zijn op verschillende hersendelen die ook geactiveerd zouden worden wanneer dezelfde stimuli bewust waargenomen zouden worden.

De implicaties van onbewuste perceptie

Het idee van een Cartesiaans theater moet wel fout zijn, aangezien is gebleken dat onbewuste verwerking ook invloed heeft op het handelen van de mens. Het Cartesiaans theater gaat ervan uit dat informatie het bewustzijn binnenkomt en dat het ‘ik’ kan kiezen wat hij of zij met deze informatie doet.

Het Cartesiaans materialisme is ook verkeerd, aangezien in deze visie ook nog wordt geloofd dat iets het bewustzijn ‘in’ komt, zoals bij het Cartesiaans theater ook het geval is. Bij het Cartesiaans materialisme wordt er alleen niet geloofd in een ‘zelf’ dat in het eigen hoofd naar een mentaal scherm kijkt (wat wel een aanname is bij het Cartesiaans theater). Met onze bevindingen over de invloed van onbewuste verwerking, kunnen we concluderen dat deze visies niet kunnen kloppen.

Problemen oplossen

De meningen lopen sterk uiteen over de vraag of onbewuste probleemoplossing plaatsvindt. Broadbent en Berry hebben onderzoeken uitgevoerd waaruit blijkt dat het mogelijk is om onbewust problemen op te lossen. Het komt voor dat de mensen die het goed zijn in het uitvoeren van een taak, heel slecht kunnen uitleggen hoe ze de taak volbrengen. Soms weten mensen tijdens een experiment niet eens welke informatie ze gebruikt hebben om een taak te volbrengen.

Lewicki bewees dat zonder dat mensen het doorhebben, ze beter kunnen worden in het uitvoeren van een taak op een computerscherm. Hij is van mening dat onbewuste informatieverwerkingsprocessen sneller zijn dan bewuste en dat ze ook verfijnder zijn. Onder wetenschappers zijn er meningsverschillen over hoe ‘slim’ onbewuste cognitie is.

Claxton stelt dat veel taken het beste uitgevoerd kunnen worden zonder bemoeienis van het bewustzijn. Veel experimenten tonen aan dat proberen iets expliciet te leren, impliciet leren kan onderdrukken.

Intuïtie

Het komt voor dat je heel lang over iets nadenkt, maar steeds niet op iets kunt komen. Na een tijdje ervaar je ineens een aha-moment, terwijl je niet meer bewust nadacht over wat je wilde weten. Soms kan inzicht dus veel later komen dan gewild. Intuïtie kan gezien worden als het maken van besluiten of het trekken van conclusies zonder expliciete verwerking of redenering.

Er zijn drie onderdelen van intuïtie. Ten eerste zijn er cognitieve processen waarmee de hersenen informatie afleiden uit complexe patronen en als leidraad nemen voor gedrag. Cognitieve processen dragen waarschijnlijk bij aan veel alledaagse vaardigheden; van het spelen van computerspelletjes tot raden welke rij waarschijnlijk het kortst zal zijn in de supermarkt. Daarnaast zijn er sociale vaardigheden waardoor we het gevoel hebben dat iemand bijvoorbeeld onbetrouwbaar is. We gebruiken sociale vaardigheden ook als we willen inschatten wanneer het beste moment is om slecht nieuws aan iemand te brengen. Deze vaardigheden worden snel opgepikt door kinderen. Vrouwen hebben betere verbale vaardigheden en zijn meer geïnteresseerd in sociale relaties. Om deze redenen zouden ze weleens een beter ontwikkelde intuïtie kunnen hebben. Tot slot zijn er nog emoties. Intuïtieve kennis gaat vaak gepaard met emoties.

Mensen met beschadigde frontale lobben worden op emotioneel vlak zeer oppervlakkig. Dit zorgt ervoor dat ze besluiteloos worden. Ze vinden het lastig om keuzes te maken over de kleinste dingen. Ze kunnen alternatieven rationeel afwegen, maar ze missen diepgaande emoties. Hierdoor kunnen ze niet aanvoelen welke keuze juist is.

Creativiteit

Creativiteit kan gezien worden als een manier waarop expliciete en intuïtieve vaardigheden samenkomen. Het is echter niet duidelijk waar creativiteit vandaan komt. Veel bekende schrijvers en schilders zeggen bijvoorbeeld dat hun beste werk tot hun ‘komt’. De vraag is waar het dan vandaan komt. Ze hebben niet het gevoel dat ze bewust een mooi schilderij maken of een mooi gedicht schrijven; het lijkt allemaal vanzelf te gaan. Het lijkt dus alsof er sprake is van ‘zelfloze’ creativiteit, het zijnde een kracht die van buitenaf komt.

Creatieve mensen scoren hoog op fantaseren, hypnotiseerbaarheid, en ‘absorptie’. Deze laatste term staat voor het gemakkelijk kunnen opgaan in een boek of film. We zouden creativiteit ook vanuit een evolutionair kader kunnen belichten. Wellicht zorgt creativiteit ervoor dat mensen op speciale manieren culturele kennis (‘memes’) kunnen samenbrengen om nieuwe memes te vormen. Ze moeten hiervoor gemotiveerd zijn en kunnen aanvoelen welke combinaties van memes goed samengaan.

Back to top

Hoe kunnen we onderscheid maken tussen werkelijkheid en verbeelding? - Chapter 20 (2e druk)

Onderscheid maken

In het dagelijks leven maken we vaak onderscheid tussen de buitenwereld en wat er in ons hoofd omgaat. Dit doen we zonder door te hebben dat we hier een vaardigheid voor gebruiken. Deze vaardigheid wordt ‘reality monitoring’ of ‘reality discrimination’ genoemd. Uit onderzoek blijft dat ‘reality monitoring’ wordt beïnvloed door onze verwachting over of iets echt of verbeeld is. Zo heeft Perky aan mensen gevraagd om naar een blanco blaadje te kijken en zich voor te stellen dat hier een tomaat op afgebeeld staat. Zonder dat de mensen het doorhadden, werd ervoor gezorgd dat er een plaatje van een tomaat werd geprojecteerd op de achterkant van het blaadje. Ondanks het feit dat het steeds duidelijker werd, bleven deelnemers geloven dat het hun eigen verbeelding was.

Onderscheid maken tussen gebeurtenissen die echt gebeurd zijn en dingen waarvan we denken dat ze gebeurd zijn, blijkt moeilijk te zijn. ‘Herinneringen’ aan gebeurtenissen die nooit gebeurd zijn, worden ook wel ‘false memories’ genoemd. Het komt zelfs voor dat mensen zich zeggen te herinneren dat ze vroeger seksueel misbruikt zijn, terwijl dat nooit gebeurd is. Echte herinneringen kunnen vastgesteld worden omdat we ze in een context kunnen plaatsen. Dit wordt ook wel ‘source monitoring’ genoemd. ‘False memories’ kunnen tamelijk gemakkelijk worden opgewekt in het laboratorium. Ze kunnen nog lang doorwerken in het gedrag.

Hallucinaties

Belangrijk is om een onderscheid te maken tussen hallucinaties en illusies. Hallucinaties worden geheel van binnen ervaren, terwijl illusies verkeerde interpretaties van externe toestanden zijn. Voorbeelden van visuele illusies zijn de Muller-Lyer illusie en de Ponzo illusie. Hallucinaties zijn perceptuele ervaringen, terwijl er geen externe stimulus is.

Echte hallucinaties worden soms onderscheiden van pseudo-hallucinaties. Bij pseudo-hallucinaties is het zo dat de persoon zelf weet dat de hallucinaties niet echt zijn. Als je bijvoorbeeld een stem in je hoofd hoort, maar weet dat dit nooit echt kan zijn, dan is er sprake van een pseudo-hallucinatie. Daarnaast wordt er onderscheid gemaakt tussen hallucinaties en mentale verbeelding. Hallucinaties zijn oncontroleerbaar en kunnen dus niet je hoofd ‘uit’ als jij er niet meer over wilt nadenken. Het onderscheid tussen hallucinaties en mentale verbeelding is niet heel duidelijk.

Wat gebeurt er in de hersenen van mensen die hallucineren? Veel studies laten zien dat er bij hallucinaties activiteit is in de hersengebieden die ook actief zouden zijn als de mensen werkelijk een engelenkoor zouden horen (of welke hallucinatie ze dan ook hebben). Er is echter ook bewijs dat er complexe interconnecties in het spel zijn. Hoe echt de hallucinaties lijken te zijn, hangt samen met hoeveel hersengebieden erbij betrokken zijn.

Definitie

Slade en Bentall stellen dat een hallucinatie een ervaring is die:

  1. voorkomt in afwezigheid van een stimulus,

  2. een grote invloed heeft op de echte perceptie, en

  3. niet vrijwillig onder controle gehouden kunnen worden.

Hallucinaties komen vaak voor bij mensen met schizofrenie. De symptomen van deze stoornis verschillen per persoon. Schizofrene mensen kunnen bijvoorbeeld het gevoel hebben dat buitenaarde wezens hun gedragingen bepalen. Vaak horen ze stemmen van bijvoorbeeld feeën die in de muren zitten. Deze hallucinaties worden als echt ervaren.

Hoewel hallucinaties vaak in één lijn gebracht worden met pathologie, zijn er meerdere redenen om dit te verwerpen. Ten eerste is het niet duidelijk hoe hallucinaties kunnen worden onderscheiden van andere ervaringen en ten tweede komen hallucinaties veel voor in de populatie. Ten derde zijn er culturele verschillen in houdingen ten opzichte van hallucinaties. In sommige culturen wordt heel positief tegen hallucinaties aangekeken.

Uit onderzoek blijkt dat visuele hallucinaties vaker voorkomen dan auditieve. Ook zeggen vrouwen vaker last te hebben van hallucinaties. De meest ervaren hallucinatie is dat mensen iemand zien die niet echt bestaat.

Context en inhoud van hallucinaties

Sommige hallucinaties ontstaan spontaan en anderen worden veroorzaakt door drugs, ziekte, honger, slaapgebrek of het gebruik van rituelen. Geen zintuiglijke input krijgen verhoogt de kans op hallucinaties. De zintuiglijke systemen proberen dan namelijk alles te gebruiken wat we binnen hebben gekregen en gebruiken een ander criterium voor wat een echte ervaring is. Jackson kwam met de ‘perceptual release theory’ om hallucinaties te verklaren.

Volgens deze theorie worden herinneringen normaal gesproken geremd door zintuiglijke informatie. Bij hallucinaties is hiervan geen sprake. Er bestaan vele verschillende hallucinaties, maar ze hebben wel gemeenschappelijke kenmerken. Vaak zien mensen spiralen, bepaalde patronen, golflengten en felle kleuren. Hoe kan verklaard worden dat deze kenmerken vaak bij mensen overeenkomen?

Kluver onderzocht dit aan de hand van het verdovende middel mescaline. Hij ontdekte dat gebruik van dit middel tot gevolg heeft dat mensen felle kleuren in verschillende vormen waarnemen. Deze vormen zijn tunnels, spiralen, webben en roosters. Deze vormen worden allemaal teruggevonden bij hallucinaties die door andere drugs worden veroorzaakt, maar ook bij hallucinaties ten gevolge van koorts, migraine en epilepsie.

Waar komen deze overeenkomsten vandaan? De oorzaak van deze overeenkomsten zou weleens te maken kunnen hebben met hoe het visuele systeem in de hersenen georganiseerd is. De primaire visuele cortex is als het ware in kolomvorm georganiseerd. Spiralen, tunnels, webben en roosters gaan samen met lijnen in verschillende richtingen. Dit betekent dat wanneer activiteit zich in rechte lijnen verspreidt binnen de visuele cortex, dat de ervaring gelijk is aan het kijken naar echte ringen of cirkels. Een reden waardoor lijnen in de visuele cortex worden geactiveerd is disinhibitie. Drugs, zuurstofgebrek en bepaalde ziekten kunnen invloed hebben op remmende cellen; nog veel meer dan op activerende cellen. Dit zorgt voor extreem veel activiteit die zich op lineaire wijze in de hersenen kan verspreiden. Dit zorgt voor de ervaring van tunnels, spiralen, webben of roosters.

Er zijn ook overeenkomsten in de beweging en kleuren van hallucinaties. Bij complexere hallucinaties zijn er ook overeenkomsten te vinden tussen ervaringen van mensen. Mensen zien bijvoorbeeld vaak tekenfilmachtige wezens, geweldige steden, dieren en wezens uit mythen. Siegel en Jarvik ontdekten dat mensen bij gebruik van drugs eerst simpele hallucinaties hebben, dan tunnels en roosters ervaren en dan complexe hallucinaties ervaren.

Slapen

We hebben vaak hallucinaties net op het moment dat we bijna in slaap vallen. Maury noemde deze hallucinaties ‘hypnagogic images’ of ‘hypnagogic hallucinations’. Hallucinaties die bij het wakker worden ontstaan, noemde hij ‘hypnopompic images’. Mensen hebben op deze momenten het gevoel dat ze vliegen of door tunnels vallen. Het komt soms voor dat mensen die de hele dag met een taak bezig geweest zijn, beelden van deze taak zien net voordat ze gaan slapen. Anderen denken op dat moment te horen dat iemand hun naam roept. Dan bestaat er ook nog zoiets als slaapverlamming (‘sleep paralysis’). Tijdens de REM-slaap is iedereen verlamd. Om deze reden kan niemand op dat moment uitvoeren waar hij of zij op dat moment over droomt.

Bewustzijn tijdens slaapverlamming komt voor wanneer de normale verlamming tijdens de REM-slaap te laat begint, de persoon net in slaap valt of wanneer de verlamming te lang duurt als iemand wakker aan het worden is.

Andere werelden

Kinderen hebben vaak denkbeeldige vriendjes. Sommige kinderen spelen en praten jaren met dezelfde denkbeeldige vriend. Het komt ook voor dat denkbeeldige vrienden dieren of onzichtbaar speelgoed zijn. Van sommige mensen wordt gezegd dat ze een ‘fantasy-prone personality’ hebben. Deze mensen hebben veel vaker denkbeeldige vrienden dan andere mensen, omdat ze goed kunnen fantaseren en creatief zijn.

In veel culturen worden hallucinaties gewaardeerd, omdat daarmee dichter bij geesten of goden gestaan zou kunnen worden. Een voorbeeld is de Yanamamo-stam die in Brazilie en Venezuela te vinden is. Zij geloven dat er geesten (‘hekura’) in de hemelen bestaan en dat zij het lichaam van de mens kunnen binnendringen vanuit de borst. Om deze geesten op te roepen maakt deze stam gebruik van ‘ebene’: een groen poeder wat hallucinaties veroorzaakt.

Back to top

Wat omvat het paranormale allemaal? - Chapter 21 (2e druk)

Er zijn ten minstetwee goede redenen om het paranormale fenomeen te bestuderen:

  1. paranormale ervaringen komen vaak voor en veel mensen geloven erin;

  2. wanneer paranormale ervaringen voorkomen hebben zij veel implicaties voor de wetenschap als gevolg.

De populaire kijk op het paranormale is dat fysieke fenomenen het bewijs zijn van de ‘power van het bewustzijn’. Het bewustzijn is onafhankelijk van tijd en ruimte. Binnen de parapsychologie komen termen als ‘bewustzijn’ veel voor, zoals ‘abnormale effecten van bewuste intentie’, ‘bewustzijn interacties’ en ‘bewustzijnsgerelateerde anomalieën’.

In het geval dat paranormale claims fout zijn, dan moeten de uitgestrekte overtuigingen en frequente rapporten van fysieke ervaringen op een andere manier verklaard worden. Wanneer paranormale claims wel juist zijn is het belangrijk om de implicaties voor de wetenschap van het bewustzijn verder te onderzoeken.

Spiritualisme

Vaak worden ideeën over het paranormale gebruikt om materialistische visies over het bewustzijn onderuit te halen. Accepteren dat er iets bovennatuurlijks bestaat, betekent namelijk dat niet alles aan de hand van hersenprocessen verklaard kan worden. Tussen 1800 en 1900 was er veel aandacht voor geesten en mensen die met hen konden communiceren. Spiritualisme was in die periode erg populair. Mensen die met geesten zeggen te kunnen communiceren worden ook wel mediums genoemd. Het is vaak voorgekomen dat bleek dat mediums allerlei trucjes gebruikten en dus deden alsof ze helderziend waren. Vals spelen is niet het enige alternatief voor een paranormale interpretatie. Mensen kunnen ook dingen die zij zien mis interpreteren door vele andere redenen, zoals hallucinaties en wanen.

Parapsychologie

J. B en L. Rhine probeerden bewijs te vinden tegen het materialisme en het behaviorisme.

Het behaviorisme was vroeger erg populair en legde de nadruk op observeerbare en meetbare uitkomsten. Rhine en Rhine wilden laten zien dat het onafhankelijke verstand (‘mind’) bestaat. Rhine schreef een boek en gebruikte voor het eerst de term ‘extrasensory perception’ (ESP). Deze term besloeg drie soorten communicatie waar geen zintuigen voor nodig zijn. Als eerste is er (1) telepathie, waarbij informatie van de ene persoon aan de ander wordt doorgegeven. Daarnaast bestaat er zoiets als (2) ‘clairvoyance’. In dit geval komt informatie van objecten of gebeurtenissen die op afstand zijn. Om deze termen te onderzoeken deed Rhine diverse experimenten. Hij stelde hierbij dat iedereen een paranormale vaardigheid bezat, ook al zou dit bij sommige mensen heel zwak zijn. Om dit te bewerkstelligen waren proefpersonen in zijn experimenten normale mensen en geen mensen die beweerden over specifieke fysieke krachten te bezitten.

Tot slot sprak Rhine over (3) ‘precognition’: informatie die uit de toekomst komt. Deze termen worden nog steeds gebruikt in de parapsychologie. Rhine en Rhine beschreven experimenten om het bestaan van deze drie communicatiemethoden te testen. Ze geloofden dat iedereen paranormale vaardigheden heeft, hoe zwak deze vaardigheden ook zijn. Rhine en Rhine voerden de experimenten uit en vonden significante resultaten. Nu weten we dat die resultaten niet klopten, aangezien er een goede kans was dat iemand bij toeval het juiste alternatief in een experiment koos. Ze geloofden daarnaast in het bestaan van psychokinesis (PK). Van psychokinesis zou sprake zijn wanneer iemand met zijn verstand invloed kan uitoefenen over wanneer een rad bijvoorbeeld zal stoppen met draaien. Rhine en Rhine gebruikten de term ‘psi’ als ze het hadden over paranormale activiteiten. ‘Psi’ bestaat dus uit zowel ESP als PK. Alle vormen van psi worden beschreven als communicatie zonder het gebruik van zintuigen. Een gevolg is dat bijvoorbeeld hypnose niet meer gezien wordt als psi, omdat de psychologie hypnose heeft kunnen verklaren.

Er werd veel kritiek geuit op de methoden die Rhine en Rhine gebruikten om te bewijzen dat paranormale activiteit bestaat. Het grootste probleem was dat er geen sprake was van randomisering in de experimenten van Rhine en Rhine. Het is dan gemakkelijker om gevonden resultaten aan een effect toe te schrijven als dat in werkelijkheid niet klopt. Mensen leken bijvoorbeeld telepathisch te zijn, omdat ze de persoon waar ze informatie van ‘kregen’ goed kenden.

Aangezien mensen zelf mochten kiezen welke informatie ze naar een ander wilden ‘verzenden’, kwam het voor dat er sprake leek te zijn van telepathie, omdat mensen die elkaar goed kenden over hetzelfde onderwerp nadachten. Tegenwoordig proberen parapsychologen wel gebruik te maken van randomisering.

‘Extrasensory perception’, ESP

Wanneer mensen uit kaarten moeten kiezen, is het mogelijk dat ze toevallig de juiste kaart kiezen. Je kunt dan makkelijk een statistisch significant effect vinden, terwijl dit effect niet bestaat. Om deze valkuil te vermijden zijn andere onderzoeken uitgevoerd.

Bij ‘remote viewing’ is het zo dat iemand (de target) bijvoorbeeld naar een random geselecteerde locatie gaat en een tijdje rondkijkt. Intussen gaat een ander persoon (subject) zitten en ontspannen. Deze persoon vertelt welke indrukken of beelden bij hem of haar opkomen. Na afloop probeert het subject de indrukken te matchen met een set van mogelijke target locaties en de juiste te kiezen. Ook deze onderzoeksmethode is bekritiseerd, omdat mensen te veel richting de juiste match gestuurd zouden worden.

Stel dat dit soort onderzoeken bewijst dat telepathie bijvoorbeeld bestaat. Wat heeft dit dan voor gevolgen voor de discussie rondom het bewustzijn? Als ESP bestaat, dan betekent dit niet dat deze vaardigheid vrijwillig geoefend kan worden. Het zegt in principe dus niets over het verstand of het bewustzijn. Daarnaast is nooit bewezen dat ‘goede’ antwoorden tijdens dit soort experimenten worden veroorzaakt door een verandering in het bewustzijn. Er is geen direct bewijs te vinden dat het bewustzijn een rol speelt bij ESP.

‘Psychokinese’, PK

Psychokinese (PK) staat voor het vermogen om objecten of gebeurtenissen te beïnvloeden zonder ze aan te raken of een andere kracht te gebruiken. Tegenwoordig gaat het onderzoek van PK vooral over micro-PK, het zogenaamde effect van het menselijke verstand op microscopische of mechanische systemen. De observationele theorieën zijn afgeleid van kwantumfysica en beschrijven psi niet in termen van een kracht die zich op een specifiek moment uit, maar als een verandering in de kansen die veroorzaakt worden door bewuste observatie van de resultaten. PK zou voorkomen wanneer feedback wordt gegeven, niet wanneer deeltjes vrijkomen. De parapsychologen die overtuigd zijn van het bestaan van PK maken expliciete claims dat het bewustzijn hierbij betrokken is. Sommige van hen zijn dualisten en zij geloven dat de non-fysieke geest, ofwel het bewustzijn, fungeert als een kracht op het fysieke universum. Andere theorieën, gebaseerd op de kwantumfysica, beweren dat het bewustzijn onafhankelijk is van tijd en ruimte.

De kracht van toevalligheden

Mensen interpreteren toevalsverschijnselen vaak verkeerd en denken dat er sprake is van een echt effect. Omdat mensen zelden in toeval geloven, proberen ze verklaringen te vinden voor de gevonden uitkomsten. Als er geen goede verklaring voor een gebeurtenis gevonden is, wordt al gauw gesproken over paranormale activiteit. Mensen die beter zijn in kansoordelen geloven minder vaak in paranormale activiteit. Het is ook zo dat mensen details die uitkomen goed herinneren, maar de rest vergeten.

Implicaties

Waarschijnlijk bestaat paranormale activiteit niet. Veel significante resultaten van parapsychologisch onderzoek blijken vaak niet reproduceerbaar te zijn in andere onderzoeken. Ondanks het feit dat er veel onderzoek naar gedaan is, kunnen we nog steeds geen zekere informatie over dit onderwerp geven. Als psi bestaat, dan is er maar een zeer klein effect. Het verwerpen van paranormale activiteit betekent niet dat iemand per definitie niet meer gelooft in spiritualiteit.

Back to top

Welke drugs hebben invloed op het bewustzijn en hoe? - Chapter 22 (2e druk)

Definities van ASC en SoC

De door James geformuleerde ‘andere vorm van bewustzijn’ wordt vanaf nu ‘veranderde staten van bewustzijn’ (‘altered states of consciousness’), afgekort ASC’s, genoemd. Dit concept is echter moeilijk te definiëren. Zo bestaat er de vraag of we ASC’s objectief of subjectief moeten definiëren. Als we voor een objectieve definitie kiezen, dan hebben we het over de oorzaken van het veranderde bewustzijn. We zouden dan dus een definitie maken op basis van verdovende middelen. Een probleem is dan echter dat je de subjectieve ervaring niet meeneemt in de definitie. Hoe kunnen we bijvoorbeeld weten of mensen die dronken zijn allemaal op dezelfde manier reageren? Is het daarnaast mogelijk dat dezelfde drugs verschillende ASC’s opleveren?

Misschien is het beter om ASC’s te definiëren in termen van lichamelijke variabelen en gedragsmetingen. In dit verband valt te denken aan hartslag en de expressie van emoties. Een probleem met een dergelijke aanpak is echter dat maar weinig ASC’s samengaan met unieke lichamelijke patronen of gedragsveranderingen. Om deze reden zijn wetenschappers nu nog voorzichtig als het gaat om het geven van een definitie op basis van lichamelijke processen om de toestand van het bewustzijn (‘state of consciousness’, SoC) mee aan te geven.

Het is ook mogelijk om ASC’s een subjectieve definitie te geven. In de praktijk wordt deze aanpak het meest gebruikt. In dit soort definities worden ASC’s beschreven als toestanden waarin het voelt alsof er sprake is van een verandering in het normale patroon van mentaal functioneren. Dit soort definities leveren weer andere problemen op. ASC’s worden vergeleken met normale patronen van mentaal functioneren, maar wat is een normaal patroon van mentaal functioneren precies? Daarnaast zorgt het gebruik van subjectieve definities ervoor dat ervaringen van mensen niet goed met elkaar vergeleken kunnen worden, omdat ze niet op dezelfde manier gemeten kunnen worden.

Wat is veranderd in een ASC?

Wat verandert er precies als iemand een ASC ervaart? We kunnen zeggen dat het bewustzijn veranderd is, maar wat houdt dit precies in? Er zijn een hoop meningsverschillen onder wetenschappers over wat het bewustzijn überhaupt inhoudt. Farthing stelt dat we naar veertien punten moeten kijken als we willen weten wat er precies verandert als iemand een ASC beleeft. Hij noemde:

  1. aandacht,

  2. perceptie,

  3. verbeelding en fantasie,

  4. innerlijke spraak,

  5. geheugen,

  6. denkprocessen van hoog niveau,

  7. betekenis,

  8. tijdperceptie,

  9. emoties en expressie,

  10. alertheid,

  11. zelfcontrole,

  12. suggestibiliteit,

  13. lichaamsbeeld, en

  14. gevoel van persoonlijke identiteit.

Bij sommige ASC’s veranderen al deze factoren, bij andere slechts een of twee. Hierna zal dieper ingegaan worden op drie van deze factoren, namelijk:

  1. aandacht,

  2. geheugen, en

  3. alertheid.

Deze drie veranderen namelijk vaak in het geval van een ASC.

Aandacht kan op twee manieren beïnvloed worden door een ASC. Allereerst kan aandacht naar binnen of naar buiten toe gericht worden. In dromen is aandacht bijvoorbeeld naar binnen toe gericht. ASC’s brengen veranderingen aan in dit onderdeel van aandacht. Ze kunnen zintuiglijke input bijvoorbeeld verminderen, zoals in het geval van meditatie. Een ASC kan er daarnaast voor zorgen dat aandacht zeer breed wordt ervaren of juist erg beperkt is. Sommige mensen die high zijn hebben bijvoorbeeld ineens veel aandacht voor het patroon op het tapijt.

ASC’s hebben ook invloed op het geheugen. Verdovende middelen hebben bijvoorbeeld invloed op hoeveel er in het korte termijn geheugen opgeslagen kan worden. Het kan ook voorkomen dat een verdovend middel ervoor zorgt dat iemand het gevoel heeft dat de tijd heel snel of heel langzaam gaat.

Daarnaast hebben ASC’s invloed op de mate van alertheid. Meditatie gaat bijvoorbeeld samen met zeer weinig alertheid en diepe ontspanning. Dit kan ertoe leiden dat er weinig behoefte is aan eten en zuurstof. Ook zijn er situaties waarin mensen juist extreem alert worden. Een voorbeeld hiervan zijn religieuze rituelen.

Denken over bovenstaande drie termen (aandacht, geheugen en alertheid) leidt ertoe dat we ons een soort driedimensionale ruimte kunnen voorstellen waarin alle mogelijke ASC’s zijn gepositioneerd. Als SoCs op een accurate manier in kaart zouden worden gebracht in een dergelijke ruimte zouden we kunnen begrijpen op welke manier elke SoC gerelateerd is aan andere. Deze taak is echter niet makkelijk.

Het in kaart brengen van jet bewustzijn

De vroege psychofysiologen probeerden om visuele en auditieve sensaties in een multidimensionale ruimte te plaatsen. De eerste pogingen hierbij werden gedaan door Tart. Hij beschreef een simpele ruimte met twee dimensies: irrationaliteit en het vermogen om te hallucineren. Door een persoon in deze ruimte te plaatsen stelde hij zich drie grote clusters voor die correspondeerden met dromen, heldere dromen en het normale bewustzijn. Alle andere posities in de ruimte kunnen niet worden gebruikt of zijn instabiel. Deze zones noemde Tart ‘discrete zones van het bewustzijn’. Hij stelde dat je nooit tussen twee verschillende staten in kon zijn.

Een tweede tweedimensionale ruimte werd beschreven door Laureys. Zijn dimensies zijn compleet anders dan de dimensies zoals beschreven door Tart, namelijk: het niveau van arousal en het bewustzijn van de omgeving en de zelf. Arousal verwijst naar de fysiologische waakzaamheid of het niveau van bewustzijn en is afhankelijk van het arousalsysteem van de hersenstam. Het bewustzijn van de omgeving en de zelf verwijst naar de inhoud van het bewustzijn en dit benodigt een functionele geïntegreerde cortex met subcorticale loops. Voor de meeste staten zijn het niveau en de inhoud positief met elkaar gecorreleerd.

Het AIM-model is een driedimensionale weergave ontwikkeld door Hobson. AIM is de afkorting voor de drie dimensies waaruit dit model bestaat:

(1) ‘Activation energy’: is gelijk aan arousal en kan gemeten worden, bijvoorbeeld door EEG,

(2) ‘Input source’: kan variëren tussen louter ecterne of louter interne bronnen van informatie.

(3) ‘Mode’: de ratio van amines in vergelijking tot cholinen.

Soorten drugs: Psychoactieve drugs hebben invloed op het mentaal functioneren of op het bewustzijn. Deze drugs kunnen ingedeeld worden in verschillende categorieën.

Stimulanten

De eerste categorie bestaat uit de stimulanten. Voorbeelden hiervan zijn nicotine, caffeïne, cocaïne en amphetamine. Cocaïne veroorzaakt een gevoel van intens genot, veel energie en veel zelfvertrouwen. Het gaat samen met tolerantie. Tolerantie houdt in dat er steeds een hogere dosis nodig is om hetzelfde effect te ervaren. Mensen die veel cocaïne gebruiken, hebben vaak last van hallucinaties. Ook hebben ze het gevoel dat er beestjes onder hun huid leven.

Amphetamine (ook wel speed genoemd) is ook een drug die de heropname van dopamine remt. Ook deze drug geeft veel energie. Daarnaast is er sprake van tolerantie en gaat afkicken samen met depressie. Het gebruik van speed kan ook tot wanen en hallucinaties leiden.

MDMA (ook wel xtc genoemd) wordt uit speed gehaald. MDMA heeft drie belangrijke effecten:

  1. het remmen van de heropname van serotonine,

  2. het activeren van de uitscheiding van serotonine, en

  3. het activeren van de uitscheiding van dopamine.

Het gebruik van MDMA gaat samen met veel energie en gevoelens van liefde en empathie. De effecten zijn wel afhankelijk van de setting waarin de drug gebruikt wordt. Als iemand in z’n eentje in de natuur MDMA gebruikt, dan geeft dit het gevoel dat het universum één is. Zo iemand voelt op dat moment veel liefde voor de wereld. MDMA is net als andere drugs verslavend en gaat samen met tolerantie.

Depressanten

Voorbeelden zijn alcohol, kalmeringsmiddelen en slaapmiddelen. Deze middelen hebben een verschillende werking, bijvoorbeeld het faciliteren van de neurotransmitter GABA. Andere werkingsmechanismen zijn effecten op endogene opioïden en inhibitie van adrenaline en acetylcholine.

Narcotica

Voorbeelden van deze categorie zijn heroïne, morfine, codeïne en methadone. Deze drugs hebben een grote invloed op het humeur en zijn erg verslavend. Ze veroorzaken echter geen ASC’s die ons helpen om het bewustzijn beter te begrijpen. Een uitzondering is opium.

Antipsychotica

Voorbeelden hiervan zijn kalmeringsmiddelen, zoals chlorpromazine en lithium karbonaat. Deze middelen worden gebruikt om mensen met schizofrenie te behandelen.

Antidepressiva

Hier zijn drie soorten van:

  1. tricylische antidepressiva (TCA’s),

  2. selectieve serotonine heropname remmers (SSRI’s), en

  3. monoamine oxidase remmers (MAOI’s).

SSRI’s zorgen ervoor dat serotonine langer beschikbaar blijft en MAOI’s zorgen ervoor dat de noradrenaline, dopamine en serotonine minder snel afgebroken worden.

Anaesthetica

In deze categorie vallen narcosemiddelen. Een voorbeeld is ketamine. Dit middel zorgt ervoor dat het werkgeheugen, het episodische geheugen en het semantische geheugen verstoord worden. Deze stof wordt zelden als narcosemiddel gebruikt, omdat gebruik hiervan symptomen van schizofrenie en nachtmerries kan veroorzaken.

Psychedelica

De effecten van deze drugs zijn erg vreemd, maar ook gevarieerd. Voorbeelden van psychedelica zijn DMT, psilocybin (paddenstoelen) en LSD. Qua structuur lijken ze op één van de vier neurotransmitters: acetylcholine, dopamine, noradrenaline of serotonine. Vaak zijn ze niet verslavend, maar kunnen ze wel gevaarlijk zijn.

Cannabis

Vroeger werd cannabis vooral voor medische doeleinden gebruikt. Deze drug wordt vaak gerookt of verbrand in speciale pijpjes. Het beschrijven van de ervaringen van mensen die cannabis gebruikt hebben is niet gemakkelijk. Ze geven vaak aan dat het onbeschrijflijk is wat cannabis voor effect op ze heeft. Daarnaast is het ook zo dat de effecten per persoon verschillend zijn. Bij gebruik van kleine hoeveelheden ervaren mensen intens genot (euforie) en ontspanning. Gebruik van grote hoeveelheden gaan samen met angst en paranoia.

Grote psychoedelica

Een voorbeeld is mescaline. Gebruik van mescaline zorgt ervoor dat mensen het gevoel hebben dat de wereld perfect en kleurrijk is.

Back to top

Wat hebben slaap en dromen te maken met bewustzijn? - Chapter 23 (2e druk)

Van een lucide droom is sprake als je tijdens de droom doorhebt dat je aan het dromen bent. Je bent je dan dus tijdens je droom bewust van het feit dat je droomt.

Waken en slapen

Elke dag maken we cycli mee waarbij drie toestanden terugkomen: (1) waakzaam zijn, (2) REM (Rapid Eye Movement) slaap en (3) non-REM slaap. Een cyclus herhaalt zich vier tot vijf keer per dag. Deze slaapfasen zijn ingedeeld op basis van lichamelijke metingen en gedragsmetingen.

Tijdens de REM-slaap zijn de hersenen bijvoorbeeld heel actief en lijkt het EEG-patroon op dat van iemand die wakker is. Toch is het lastiger om iemand in de REM-slaap wakker te maken dan tijdens de non-REM slaap. Tijdens de non-REM slaap zijn er vooral lange, maar langzame golven te zien op de EEG. Adenosine is de belangrijkste neuromodulator die slaap opwekt.

De REM-cyclus wordt geleid door de reticulaire formatie in de pons die zich in de hersenstam bevindt. Hier bevinden zich nuclei die de REM-slaap steeds afwisselend remmen en activeren. Zintuiglijke input wordt geblokkeerd door de thalamus en de cortex tijdens de non-REM slaap. Tijdens de REM-slaap blokkeren de hersenen de motoriek. Iemand lijkt dan dus als het ware verlamd te zijn tijdens de slaap.

Wanneer mensen waken vanuit een non-REM slaap zeggen mensen vaak dat er niets door hun hoofd is gegaan of dat zij nergens aan gedacht hebben tijdens hun slaap. Verslagen van non-REM dromen zijn vaak kort en bezitten weinig details. Wanneer mensen tijdens de REM slaap wakker worden gemaakt, zeggen ze vaak dat ze een bizarre en complexe droom gehad hebben.

Uit onderzoek blijkt dat er overeenkomsten bestaan tussen de dromen die mensen hebben. Zelfs de dromen in verschillende culturen blijken vergelijkbaar te zijn. Mannen dromen vaker over andere mannen dan dat vrouwen doen. Ook dromen ze vaker over agressieve interacties met andere mannen. Kinderen dromen vaak over dieren en zijn in dromen vaak het slachtoffer van agressie.

Er bestaan meerdere problemen om bovenstaande te generaliseren naar alle dromen, wegens de effecten van de methode van het verzamelen van droomverslagen. Er worden in onderzoeken veel uiteenlopende resultaten gevonden, bijvoorbeeld over de prevalentie van bizarre dromen.

Hobson stelde drie categorieën op om te laten zien dat bizarre dromen verschillende vormen kunnen aannemen. Deze categorieën zijn:

  1. ‘incongruity’: het niet overeenkomen van kenmerken van karakters, objecten, acties of settings;

  2. ‘discontinuity’: plotselinge veranderingen in bovenstaande elementen;

  3. ‘onzekerheid’: expliciete vaagheden.

Onderzoek suggereert dat de manier waarop karakters en objecten getransformeerd worden in dromen bepaalde regels volgt, maar dat de veranderingen van een scène en een plot dit niet doen.

Het AIM-model

Hobson heeft het AIM-model over slaap ontworpen. AIM staat voor drie verschillende dimensies van de slaap:

  1. activation energy (gemeten aan de hand van EEG-patronen),

  2. input source (extern of intern) en

  3. mode (de ratio amines en cholinen).

Tijdens de wakkere toestand zijn amine neurotransmitters en neuromodulatoren (zoals noradrenaline en serotonine) dominant en nodig voor rationeel nadenken, vrijwillige handelingen en het richten van de aandacht. Tijdens de REM-slaap neemt acetylcholine het over en beginnen gedachten een waanachtige en irrationele vorm aan te nemen. De ratio waarover Hobson spreekt gaat dus over het verschil tussen de wakkere toestand en de REM-slaap.

Slaapfasen kunnen volgens Hobson op basis van waarden op deze drie dimensies onderscheiden worden. Hij heeft hier een kubusmodel voor ontworpen. Hij voegde hier een vierde dimensie aan toe, namelijk tijd. Hierdoor veranderen de waarden van A, I en M alle drie.

Edelman en Tononi stellen dat een verenigd bewustzijn afhangt van de constant veranderende dynamische kern van activiteit in de hersenen. Deze dynamische kern zou gesteund worden door verbindingen tussen de cortex en de thalamus. Dit zou voor integratie zorgen, maar er zou ook sprake zijn van veranderingen die continu doorgaan in de hersenen. Tijdens de non-REM-slaap zou het bewustzijn verdwijnen.

Dromen en REM- slaap

Veel fysiologische, neurochemische en gedragsmatige variabelen houden verband met subjectieve beschrijvingen van een droom. De gemeten correlaties zijn echter niet perfect. Wel lijkt het zeker te zijn dat mensen tijdens de REM-slaap levendige dromen hebben, terwijl deze dromen zelden voorkomen tijdens de non-REM slaap. Dat je in de REM-fase zit betekent niet per definitie dat je op dat moment droomt. Tevens kun je dromen zonder in de REM-fase te zitten.

De REM-fase is dus niet noodzakelijk (maar ook niet altijd voldoende) om te dromen. Daarnaast is het zo dat de REM-slaap kan voorkomen als mensen niet (kunnen) dromen. Foetussen zitten bijvoorbeeld vijftien uur per dag in de REM-fase, maar ze kunnen nergens over dromen, omdat ze nog geen ervaringen hebben. Als ze geboren zijn, wordt de tijd dat ze in de REM-slaap doorbrengen steeds korter. Blinde mensen dromen niet in termen van beelden, maar in termen van woorden en ideeën. Als kinderen ouder worden, hangen hun dromen steeds vaker samen met hun cognitieve vaardigheden. Als ze ongeveer vijf jaar oud zijn, beginnen hun dromen levendiger te worden. Daarnaast komt er steeds meer beweging voor in hun dromen. Reptielen hebben geen REM-slaap, maar vogels en zoogdieren wel. We kunnen niet weten of vogels en zoogdieren dromen hebben, al verkeren ze tijdens hun slaap wel in de REM-fase. De vraag is of subjectieve ervaringen en fysiologische processen in de hersenen hetzelfde zijn.

Dromen en ervaringen

Zijn dromen bewuste ervaringen? Veel wetenschappers denken van wel. Als je over jezelf droomt, heeft jouw ‘zelf’ in de droom vaak niet door dat hij of zij in een droom zit. Tevens voert deze ‘droom-zelf’ handelingen uit die jij in het dagelijks leven nooit uitgevoerd zou hebben. Je ‘droom-zelf’ gedraagt zich dus anders dan jijzelf. In het vorige hoofdstuk is een ASC gedefinieerd als een veranderde toestand van het bewustzijn waar iemand zich bewust van is. In je droom heb je echter vaak niet door dat je droomt. Er zou in dat geval dus geen sprake zijn van een ASC. Een lucide droom zou daarentegen wel een ASC zijn, omdat je in zo een droom weet dat je aan het dromen bent.

Dromen kost tijd, het is niet zo dat je net voordat je wakker wordt aan een droom begint. Dennett spreekt over de ‘cassette theory of dreams’. In deze theorie wordt gesteld dat de hersenen potentiële dromen opslaan. Als iemand uit de REM-slaap wakker wordt, dan zou er als het ware een ‘cassette’ uit de opslagplaats in de hersenen gehaald, waardoor het lijkt alsof we gedroomd hebben. Deze theorie stelt dat dromen eigenlijk helemaal niet bestaan. We dromen niet, maar we hebben het gevoel dat we gedroomd hebben.

Er zijn dus twee ideeën over dromen:

  1. er zijn dromen die in het bewustzijn voorkomen of tijdens de slaap aan het bewustzijn worden gepresenteerd, en

  2. dromen ontstaan onbewust tijdens de slaap en worden ‘herinnerd’ als iemand wakker wordt.

We zullen waarschijnlijk nooit weten welke van de twee klopt. Daarnaast is er nog de ‘retro-selective theory’ (ook wel ‘backwards-weaving theory’ genoemd). Deze theorie stelt dat tijdens de REM-slaap allerlei hersenprocessen aan de gang zijn. Deze processen zijn niet ‘binnen’ of ‘buiten’ het bewustzijn. Als iemand wakker wordt, maakt hij een verhaal door één van de vele mogelijke verhalen te selecteren die in het geheugen zitten. Deze verhalen zijn geproduceerd door allerlei hersenprocessen. Deze theorie stelt dat dromen geen bewuste ervaringen zijn, aangezien ze niet voorkomen in het bewustzijn. Volgens deze theorie is er überhaupt niets dat in het bewustzijn voorkomt.

Rare dromen

Soms komt het in een droom voor dat er sprake is van ‘false awakening’. In dat geval droomt de dromer dat hij of zij wakker is geworden. Het komt ook voor dat mensen bij ‘false awakenings’ een groene gloed zien of zoemende geluiden horen. Deze ervaringen lijken op hallucinaties. Ervaringen waarbij de gehele omgeving vervangen is door hallucinaties worden soms ‘metachorische ervaringen’ genoemd.

Lucide dromen

Bij een lucide droom is het zo dat je tijdens het dromen weet dat je droomt. Soms zeggen mensen dat ze in lucide dromen invloed kunnen hebben op wat ze dromen. Je zou kunnen zeggen dat het bewustzijn hier de oorzaak van is, maar deze conclusie mogen we niet trekken.

Een lange tijd zijn lucide dromen alleen door parapsychologen onderzocht. Veel psychologen geloofden namelijk niet dat er zoiets als een lucide droom bestaat. Zelfreflectie en het maken van bewuste keuzen zouden onmogelijk zijn tijdens het dromen, dus lucide dromen zouden voor of na de slaap moeten ontstaan. Hearn en LaBerge bewezen dat deze visie niet klopt. Tijdens de REM-slaap zijn de spieren verlamd, waardoor iemand niet kan zeggen dat hij een lucide droom ervaart. Hearne en LaBerge ontdekten dat iemand wel oogbewegingen kan maken tijdens de REM-slaap.

Ook is uit onderzoek gebleken dat lucide dromen ongeveer twee minuten duren, al kunnen ze ook vijftig minuten duren. Lucide dromen ontstaan vaak wanneer er sprake is van veel alertheid tijdens de REM-slaap, maar ook als er pauzes in de ademhaling en kleine veranderingen in de hartslag ontstaan. Daarnaast is er een verhoogde activiteit in de left parietal lob. Deze kan te maken hebben met het meer solide zelfbewustzijn in een lucide droom.

Uit onderzoek blijkt dat oogbewegingen samengaan met de inhoud van een droom. Iemand kan bijvoorbeeld dromen over een tenniswedstrijd en dit is dan te zien aan de oogbewegingen die hij van links naar rechts maakt. Tevens is het zenuwstelsel betrokken bij de lichamelijke handelingen waarover gedroomd wordt.

Hersenscans laten zien dat wanneer we iets zien of horen, dat dan dezelfde sensorische gebieden worden geactiveerd als wanneer we het ons alleen maar voorstellen. Hetzelfde lijkt te gelden voor dromen. Zodoende kan er iets over de droominhoud worden gezegd aan de hand van activatiepatronen. Je kunt zo ontdekken of iemand bijvoorbeeld droomt over emoties of over herinneringen. Vrijwillige ademhaling tijdens lucide dromen komt overeen met hoe normaal gesproken geademd wordt. Er zijn technieken om lucide dromen te veroorzaken. Deze technieken gaan vaak samen met speciale apparatuur, zoals de ‘droommachine’ van Hearne en de MILD-techniek van LaBerge. Deze laatste methode is gebaseerd op het idee dat we veel van onze tijd in een waakzame toestand doorbrengen en dat als we meer lucide zijn deze waakzaamheid overgaat in dromen. Deze methoden zijn gelijk aan die van meditatie en mindfulness.

Back to top

Wat zijn voorbeelden van 'bijzondere menselijke ervaringen'? - Chapter 24 (2e druk)

EHE

Sommige mensen zeggen uitzonderlijke ervaringen mee te maken waar anderen zich niets bij kunnen voorstellen. Zo spreekt James over iemand die op een bergtop staat en het gevoel heeft dat zijn ziel zich als het ware ‘opent’ en naar het oneindige gaat. Een dergelijke ervaring wordt ook wel een ‘exceptional human experience’ (EHE) genoemd. Onder deze categorie vallen onder andere religieuze ervaringen, lucide dromen en mystieke ervaringen.

Wat zeggen dit soort ervaringen eigenlijk? Hierop kunnen grofweg drie verschillende antwoorden gegeven worden:

  1. Er zijn mensen die geloven dat mensen met deze ervaringen liegen of dingen verzinnen of dat deze ervaringen bijverschijnselen zijn van hersenprocessen.

  2. Dan zijn er nog mensen die EHE’s gebruiken om aan te geven dat het materialisme fout is en dat het paranormale en de ziel bestaan.

  3. Tot slot zijn er mensen die dit soort ervaringen als normaal beschouwen en ze proberen te begrijpen zonder termen als God en geesten te gebruiken.

Buiten het lichaam treden (‘out-of-body experiences’, OBE’s)

‘Out-of-body experiences’, OBE , zijn gebeurtenissen waarbij iemand het gevoel dat hij buiten zichzelf staat en naar de wereld kijkt. Een OBE kan zomaar voorkomen: als iemand op straat loopt of op de bank zit. Voordat zoiets gebeurt, zijn mensen vaak ontspannen en hebben ze een verminderde zintuiglijke input. Een OBE duurt vaak een paar minuten. Bij een ‘asomatic’ OBE heeft iemand alleen het gevoel dat hij een bewustzijn heeft, terwijl hij niet in zijn eigen lichaam zit. Bij een ‘parasomatic’ OBE is er een tweede lichaam buiten het lichaam dat je hebt.

Een OBE is niet zoiets als een droom. Mensen die een OBE ervaren (‘OBErs genoemd) zeggen dat hun zintuigen scherper worden tijdens een OBE. OBErs worden minder bang voor de dood wanneer ze een OBE ervaren hebben. Daarnaast kunnen zij hun dromen vaak beter onthouden en hebben vaker lucide dromen.

Er is geen verband tussen OBE en psychopathologie. Het is niet makkelijk om een OBE op te wekken. Vroeger werd in dit verband vaak hypnose gebruikt, maar tegenwoordig wordt meer gericht op ontspanning en verbeeldingsoefeningen. Drugs (en vooral de psychedelica) kunnen leiden tot een OBE. Sommige mensen gebruiken het bestaan van OBE als bewijs voor het idee dat het bewustzijn bestaat en onafhankelijk van het lichaam functioneert. Andere verklaringen zijn echter ook mogelijk.

Theorieën over OBE

OBE’s zijn zo dwingend dat mensen ervan overtuigd worden dat hun bewustzijn hun lichaam verlaten heeft en dat zij de dood kunnen overleven. Onderzoekers uit de negentiende eeuw die de theosofie nastreven, gingen ervan uit dat iedereen meerdere lichamen heeft. Als het bewustzijn het ene (fysieke) lichaam verlaat, dan komt het terecht in het astrale lichaam. De term ‘astrale projectie’ wordt tegenwoordig nog steeds gebruikt. Theosofie gaat dus uit van een vorm van dualisme. Er zijn veel pogingen geweest, maar het bestaan van een niet-fysiek lichaam of entiteit is nooit bewezen. Tevens is er het idee naar voren geschoven dat niemand uit zijn lichaam treedt tijdens een OBE, maar dat dit wel zo voelt. Dit betekent echter wel dat de ervaring verklaard zou moeten kunnen worden door middel van de neurowetenschap. De eerste vraag is of er ASC’s, dus veranderde vormen van het bewustzijn, bestaan.

OBE’s in de psychologie en de neurowetenschap

Uit onderzoek blijkt dat OBE’s samengaan met een ontspannen manier van wakker zijn. Er is tijdens een OBE geen sprake van diepe slaap en al helemaal niet van REM-slaap. Psychoanalytische theorieën beschrijven een OBE als een extreme uiting van de angst om dood te gaan. Deze theorieën zijn echter nauwelijks te testen en brengen ons niet verder bij het leren begrijpen van OBEs.

Psychologische theorieën, meestal uit de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw, borduren voort op het feit dat een OBE voorkomt wanneer zintuiglijke input en het lichaamsbeeld verstoord zijn. Het cognitieve systeem zou deze verstoring op willen lossen door een nieuw (en onjuist) lichaamsbeeld te creëren en een nieuwe wereld te creëren die afgeleid is van het geheugen en van verbeelding. Deze nieuwe wereld voelt echt aan.

Uit onderzoek blijkt dat mensen die een OBE hebben ervaren, beter zijn in ruimtelijke voorstellingen, hun dromen beter kunnen beïnvloeden en vaak dromen dat ze van bovenaf naar zichzelf kijken. Daarnaast laten onderzoeksresultaten zien dat er een verband bestaat tussen lichaamsbeeld en OBE. Wanneer de temporale lobben van mensen met epilepsie gestimuleerd worden, roepen ze dat het voelt alsof ze buiten hun lichaam treden. De temporale lobben lijken een rol te spelen bij OBE.

Het hersengebied dat betrokken is bij een OBE blijkt de tempopariëtale junctie (TJP) te zijn, aan de rechterkant. In dit gebied komen visuele, tactiele, proprioceptieve en vestibulaire informatie samen. Daarmee wordt een beeld van het lichaam geconstrueerd. Dit beeld wordt continu ge-updatet, het lichaam beweegt immers bijna voortdurend. Onderzoek toont aan dat een OBE ontstaat als dit normale proces defect raakt. Rechtstreekse stimulatie van dit gebied veroorzaakt een OBE.

Bijna dood ervaringen (‘near-death experiences’, NDE’S)

In veel culturen zeggen mensen die bijna doodgaan dat ze op zo een moment specifieke ervaringen hebben. De ervaringen komen overeen in vele culturen. Tijdens een bijna dood ervaring, ‘near-death experience’- NDE, ervaart iemand een fel, wit of goudkleurig licht, positieve en liefdevolle emoties, beelden van een andere wereld, een reflectie op het leven en het besluit om terug te keren. Het komt zelden voor dat iemand juist hele vervelende ervaringen heeft tijdens een NDE. Een NDE is niet het gevolg van medicijnen. Mensen die een zelfmoordpoging hebben gedaan, ervaren vaak positieve NDE’s en doen daarna veel minder vaak een tweede zelfmoordpoging. Daarnaast blijkt dat mensen die een NDE hebben ervaren, in vergelijking tot mensen die dat niet hebben, na hun ervaring veel sterker in een leven na de dood gaan geloven. Ook zijn ze minder bang voor de dood, worden ze erg geïnteresseerd in spiritualiteit en voelen ze veel liefde en acceptatie voor anderen.

Interpretatie van NDES

Veel mensen grijpen het bestaan van NDE’s aan om te bewijzen dat er een ziel bestaat die het lichaam kan verlaten en zelf kan overleven. Dit wordt ook wel de ‘afterlife hypothesis’ genoemd. Sommige wetenschappers stellen dat het begrijpen van NDE’s pas kan gebeuren wanneer er een nieuwe wetenschapsvorm ontstaat die het bewustzijn onderzoekt. Het bewustzijn lijkt namelijk verband te houden met het ervaren van een NDE. Allereerst is het zo dat mensen die een NDE ervaren, stellen dat ze op dat moment heel bewust zijn van zichzelf. Dit is een interessant gegeven, aangezien hun hersenen vaak gebrekkig functioneren doordat ze bijvoorbeeld een ongeluk hebben gehad.

Hoe kan het dan zo zijn dat ze toch het gevoel hebben dat ze zich bewust zijn van zichzelf? Deze vraag is lastig te beantwoorden, omdat we niet weten op welk moment een NDE precies wordt ervaren. Er zijn echter wel voorbeelden van mensen die tijdens een coma toch kunnen waarnemen wat er om hun heen gebeurt. Dit is niet goed te verklaren, omdat je zou verwachten dat hun bewustzijn op dat moment niet goed functioneert.

De ‘dying brain hypothesis’ stelt dat stress, extreme angst en zuurstoftekort in de hersenen ervoor zorgen dat er geen remmingen meer zijn en dat hersenactiviteit niet meer onder controle gehouden kan worden. Dit zou een NDE tot gevolg kunnen hebben. Tunnels en lichten worden bijvoorbeeld vaak veroorzaakt doordat de visuele cortex niet meer geremd kan worden. Tijdens een NDE zien mensen vaak nieuwe werelden, maar deze werelden passen wel bij hun levensfilosofie.

Er bestaat geen twijfel over het feit dat NDE’s veranderen door ervaringen en er is enig bewijs dat diepere ervaringen leiden tot een grotere verandering. Het lijkt aannemelijk dat NDE’s betrokken zijn bij diepgaande veranderingen in het gevoel van de zelf die veroorzaakt worden door een foute integratie in de TPJ.

Mystieke ervaringen

James stelt dat een ervaring ‘mystiek’ genoemd kan worden, als er aan vier voorwaarden wordt voldaan:

  1. het niet in woorden kunnen navertellen (‘ineffability’),

  2. neotic’,

  3. vergankelijkheid (‘transiency’), en

  4. passiviteit (‘passivity’).

‘Ineffability’ houdt in dat mensen niet in woorden kunnen uitdrukken wat ze precies hebben meegemaakt. ‘Noetic’ houdt in dat een mystieke toestand een toestand van kennis, inzicht en verlichting is. Een mystieke ervaring duurt vaak een half uur tot een uur, voordat alles minder scherp begint te worden. Daarna kunnen ze niet meer precies herinnerd worden, maar wel makkelijk herkend worden als ze weer voorkomen. Dit fenomeen wordt samengevat door het woord ‘transiency’. Tot slot is er sprake van passiviteit: als de mystieke ervaringen eenmaal beginnen, kunnen ze niet beïnvloed worden.

Andere criteria zijn toegevoegd door Suzuki. Hij zegt dat een mystieke ervaring verder nog samengaat met ‘exaltation’ en ‘affirmation’. Dit houdt in dat iemand door de ervaring respect krijgt voor alles dat bestaat. Daarnaast heeft hij het criterium ‘sense of the beyond’ toegevoegd. Dit gaat over het gevoel dat mensen iets ervaren dat buiten de wereld van normale gebeurtenissen ligt.

Beschouwing

Paranormale verklaringen van mystieke ervaringen zijn niet toereikend. Ze worden niet gesteund door wetenschappelijke onderzoeken en zijn vaak niet te testen. Toch zijn ze erg populair. Een minder populaire visie is dat de diepste mystieke inzichten monistisch en niet paranormaal zijn. Deze inzichten zouden perfect samengaan met de wetenschap. Dit omdat er bij mystieke ervaringen vaak wordt ervaren dat het universum één is en dat er het afzonderlijke zelf een illusie is.

Back to top

Hoe ziet de blik van binnenuit er uit? - Chapter 25 (2e druk)

Wetenschap en methoden

Het onderzoek naar het bewustzijn wordt soms verdeeld in twee categorieën:

  1. de objectieve derde persoon benadering, en

  2. de subjectieve eerste persoon benadering.

Soms wordt een derde benadering toegevoegd: de tweede persoon benadering (ook wel intersubjectieve benadering genoemd). Er wordt onderscheid gemaakt tussen eerste versus derde persoon wetenschap en eerste versus derde persoon methoden.

Het is lastig om de eerste persoon benadering wetenschappelijk te noemen, omdat er bij deze benadering wordt gekeken naar hoe mensen dingen subjectief ervaren. Dit is niet objectief te meten en het is ook niet reproduceerbaar. Daarnaast is objectiviteit belangrijk in de wetenschap, zodat persoonlijke bias geen invloed kan hebben op resultaten. Tot slot kan gezegd worden dat er niet zoiets is als een eerste persoon benadering, want op het moment dat je iets uitspreekt, wordt jouw beschrijving al data voor de derde persoon wetenschap. Er kan dus eigenlijk geen sprake zijn van eerste persoon data.

Al deze redenen laten zien dat de eerste persoon benadering van bewustzijn geen goede manier van wetenschap bedrijven is. Eerste persoon methoden kunnen wel gebruikt worden. Subjectieve ervaringen kunnen dus wel gepubliceerd worden. Ze tellen dan niet als wetenschappelijk bewijs.

Chalmers en Dennett

Dennett vindt dat hij de leider is van het A-team en dat Chalmers de leider is van het B-team. Chalmers ziet de wetenschap over het bewustzijn als iets dat verschilt van alle andere vormen van wetenschap. Dit omdat er een verband moet zijn tussen data vanuit de derde persoon en data vanuit de eerste persoon. Derde persoon data gaan over hersenprocessen, gedragingen en wat mensen zeggen, terwijl eerste persoon data over de bewuste ervaring zelf gaan. Chalmers gaat uit van de aanname dat eerste persoon data bestaan. Hij vindt dat er goede methoden bestaan om derde persoon data te verzamelen, maar we zouden betere methoden moeten hebben om eerste persoon data te verzamelen.

De wetenschap zou moeten proberen om de eerste persoon data te verbinden aan de derde persoon data. Een voorbeeld is dat we moeten uitzoeken welke subjectieve ervaringen (eerste persoon data) samengaan met hersenprocessen (derde persoon data). Chalmers stelt dat er een ‘fundamental theory of consciousness’ ontworpen moet worden, waarin deze verbindingen tussen eerste en derde persoon data vastgelegd moeten worden. Chalmers gelooft dat een bewuste ervaring niet geheel overeenkomt met hersenprocessen. Kortom: eerste persoon data is niet hetzelfde als derde persoon data.

Searle, Nagel, Levine en Pinker horen ook bij het B-team. Searle gelooft dat eerst vele neuronen in de hersenen vuren en dat wij daarna een ervaring voelen (bijvoorbeeld pijn). De objectieve gebeurtenis veroorzaakt volgens Searle dus de subjectieve ervaring. Searle zegt dat je op een manier van je eigen pijn afweet die niemand helemaal kan begrijpen. Searle gelooft dat subjectieve feiten bestaan en niet terug te brengen zijn tot objectieve gebeurtenissen.

Dennett (van het A-team) vindt dat het lijkt alsof een subjectieve ervaring meer is dan een objectieve gebeurtenis (namelijk een hersenproces), maar dat we dat niet zeker kunnen weten. Hij stelt dat het B-team denkt dat we onze innerlijke toestanden kunnen weten en observeren en daar geen verkeerde mening over kunnen hebben. Het A-team stelt dat we alleen toegang hebben tot ervaringen die waar lijken te zijn, maar dat we niet kunnen weten of ze ook echt waar zijn.

Chalmers maakt onderscheid tussen drie typen: A, B en C. Mensen met een A-kijk zijn vaak functionalisten of eliminativisten. Mensen met een B-kijk zijn vaak ook materialisten, maar verwerpen het idee van logische oppermachtigheid van het fysieke. Mensen met een type C-kijk ontkennen het materialisme en includeren verschillende soorten van het dualisme. Volgens Chalmers is het gat tussen A en B gorter dan tussen B en C.

Fenomenologie

Fenomenologie gaat over de innerlijke wereld die mensen beleven. We kunnen fenomenologie ook als methode gebruiken. In dit gebruik heeft fenomenologie twee betekenissen: breed gezien verwijst het naar het systematische onderzoek van fenomenologische ervaringen. Specifieker gezien verwijst het naar de traditie zoals gebaseerd op de filosofie van Husserl.

Husserl stelt dat er geen betekenisvol onderscheid gemaakt kan worden tussen de externe wereld en de interne wereld van ervaringen. Hij vindt dat beleefde ervaringen belangrijker zijn dan wetenschappelijke ideeën. Hij stelt dat mensen hun aangeleerde ideeën en eerdere overtuigingen uit hun hoofd moeten zetten; vooral diegenen die over de relatie tussen de externe wereld en individuele ervaringen gaan. Dit proces noemde hij epoché. Op deze manier zouden we ervaringen op directe wijze kunnen bestuderen. Hij wilde ‘eidetic reduction’ bereiken: een manier om de fundamentele kenmerken van menselijke ervaringen vast te leggen. Hij wilde teruggaan naar de basis van alle dingen om het bewustzijn beter te begrijpen. Niet veel mensen geloven dat het proces van epoché even betrouwbare kennis oplevert als de natuurwetenschappen.

Fenomenologie bestaat nog steeds en wordt gebruikt om emotionele toestanden te onderzoeken. Toch lijkt fenomenologie niet een eerste persoon methode te zijn, maar een derde persoon methode. Ervaringen die mensen beleefd zeggen te hebben, worden namelijk door anderen geanalyseerd. Daarnaast lijkt het onrealistisch om van mensen te verwachten dat ze al hun eerdere ervaringen en aangeleerde ideeën aan de kant zetten.

Neurofenomenologie

De term neurofenomenologie werd door Varela gebruikt om de zoektocht naar een moderne cognitieve wetenschap en een gedisciplineerde benadering voor menselijke ervaring aan te geven. Varela is het met Searle eens en gelooft dat eerste persoon ervaringen niet teruggebracht kunnen worden tot derde persoon beschrijvingen, maar hij stelt een nieuwe manier voor om hiermee om te gaan. Hij stelt dat het moeilijke probleem waar Chalmers over spreekt niet opgelost kan worden door alleen te kijken naar de manier waarop subjectieve ervaringen overeenkomen met hersenprocessen. Hij vindt dat we de superioriteit van beleefde ervaringen moeten herontdekken. Neurofenomenologie gaat volgens hem over ervaringen en hoe ze overeenkomen met kennis uit de cognitieve wetenschap. Hij stelt dat bevindingen uit de eerste persoon benadering deel uit moet maken van neurobiologische theorieën.

Er zou dus aandacht besteed moeten worden aan subjectieve ervaringen van mensen. Thompson en Zahavi pleiten voor gezamenlijk onderzoek tussen de fenomenologie en de neurowetenschap. Dit zou bijvoorbeeld nuttig kunnen zijn op het vlak van het zelfbewustzijn.

Varela verschafte een simpel diagram om begrip te krijgen voor de plaats van neurofenomenologie in de wetenschap. Dit diagram bestaat uit de vier richtingen waarin theorieën over bewustzijn kunnen gaan. Deze richtingen zijn:

  1. functionalisme;

  2. reductionisme;

  3. mysterianisme;

  4. fenomenologie.

Het functionalisme staat in het diagram bovenaan, omdat deze visie volgens Varela het meest populair is in de cognitieve wetenschap. Deze theorie is louter gebaseerd op derde persoon data en validatie. Mysterianisten staan hier tegenover en stellen dat het moeilijke probleem onoplosbaar is. Reductionisten hebben als doel om ervaring te reduceren naar de neurowetenschap. Hier tegenover staat de fenomenologie die de eerste persoon theorieën belicht. Het diagram is een hulpmiddel om de relaties tussen de verschillende theorieën aan te geven en om de rol van eerste persoon benaderingen in de wetenschap van het bewustzijn te belichten.

Een wederkerend model

Sommige mensen ontkennen het verschil tussen eerste persoon en derde persoon methoden. Velmans stelt dat alle wetenschappen afhangen van observaties en ervaringen van wetenschappers. In principe is er dus nooit sprake van een perfecte vorm van objectiviteit. Hij spreekt over een gedachte-experiment om zijn punt te verduidelijken. Stel: je kijkt naar een lichtje en een onderzoeker bestudeert jouw reacties en hersenactiviteit. Jij hebt eerste persoon ervaringen, terwijl de onderzoeker derde persoon ervaringen (over jou) heeft. Stel dat jij daarna je hoofd naar de onderzoeker toedraait en dat de onderzoeker naar het lichtje gaat kijken. In dit geval wordt de privé-ervaring van naar het licht kijken een publieke ervaring en een objectieve stimulus.

Velmans zegt daarom dat er geen onderscheid bestaat tussen subjectieve en objectieve zaken. Hij stelt een wederkerend model voor (‘reflexive model of consciousness’). Hij stelt dat zijn model ervoor kan zorgen dat alle problemen die samengaan met het bewustzijn opgelost kunnen worden. Hij vindt dat we allemaal individuele privé-ervaringen hebben en hij is het er ook mee eens dat er objecten en gebeurtenissen in de buitenwereld bestaan waar mensen het over eens zijn. Als onderzoekers mentale toestanden onderzoeken, dan zijn ze bezig met intersubjectiviteit. De ervaringen die ze onderzoeken zijn herhaalbaar, omdat iedereen ze kan hebben.

Daarom zou volgens hem het onderscheid tussen eerste en derde persoon methoden moeten verdwijnen. Hij stelt dat wanneer je eerste of derde persoon technieken uitvoert, dat je de resultaten dan zult observeren of ervaren. Mensen ervaren dus dezelfde dingen als ze naar een bepaald object kijken en daarom kan het onderscheid tussen eerste en derde persoon methoden maar beter wegvallen.

Heterofenomenologie

Heterofenomenologie gaat over het bestuderen van dingen die andere mensen ervaren. Dennett stelt dat het er bij heterofenomenologie om gaat dat fenomenologische beschrijvingen van subjectieve ervaringen worden begrepen. Dit kan in drie stappen gedaan worden.

  1. Allereerst moet de data verzameld worden. Dit kan door middel van hersenscans, door mensen te vragen knopjes in te drukken wanneer ze iets zien of door ze te vragen hun emoties te beschrijven.

  2. Ten tweede moet de data geïnterpreteerd worden. Dit moet wel gedaan worden, willen we gebruik maken van de data.

  3. Tot slot nemen we de ‘intentional stance’ aan. Dit betekent dat we een subject zien als een rationeel wezen dat eigen overtuigingen, een wil en verlangens heeft. Dennett zegt dat dit een methode is die tot nu toe vaak is gebruikt in de wetenschap. De vraag is of heterofenomenologie niet alleen bestudeert wat mensen zeggen en daarbij geen aandacht heeft voor de ervaringen zelf.

Back to top

Wat is er bekend over de werking van meditatie en mindfulness? - Chapter 26 (2e druk)

Manieren van mediteren

Gaat meditatie samen met een verandering in het bewustzijn? In veel religies is meditatie belangrijk. Tegenwoordig doen veel niet-religieuze mensen echter ook aan meditatie. De meest bekende meditatievorm is ‘transcendental meditation’ (TM). TM zou samengaan met diepe ontspanning, het verdwijnen van stress, een verbetering van de gezondheid, creativiteit en geluk.

Meditatie kan samengevat worden als:

  1. niet nadenken, maar

  2. wel aandacht hebben.

Houding

Meditatie gaat vaak samen met een speciale lichaamshouding. Het doel is om het lichaam alert en ontspannen te maken, zodat langere tijd in dezelfde positie gezeten kan worden. De meest bekende houding is de lotushouding. Bij deze houding wordt de rug recht gehouden en worden mensen aangemoedigd om vanuit de buik te ademen in plaats van alleen uit de borst. Het doel is altijd om stabiliteit en alertheid te creëren. Soms nemen de handen ook een specifieke houding aan tijdens het mediteren. Zo kunnen de handen op de knieën geplaatst worden, maar dat hoeft niet. Uit onderzoek is niet gebleken dat bepaalde handhoudingen effect hebben.

Basisprincipes

Alle vormen van meditatie hebben dus twee dingen gemeen: (1) aandacht hebben en (2) niet nadenken. Maar waar wordt aandacht aan besteed? En hoe wordt de concentratie bewaard? Als je niet wilt nadenken, dan werkt het niet om jezelf te dwingen om niet na te denken. Als je dat doet, komen de onderdrukte gedachten nog heviger terug. Gedachten moeten niet onderdrukt worden, maar op hun beloop gelaten worden. Er zijn twee manieren waarop dit bereikt kan worden; door middel van:

  1. open methoden en

  2. concentratiemethoden.

Open meditatie

Open meditatie betekent dat je je bewust bent van alles wat er om je heen gebeurt, maar dat je er niet op reageert. Dit wordt vaak gedaan door de ogen (half)open te houden en door naar een witte muur gericht te zitten. Dit wordt vaak bij boeddhistische meditatie (zazen) gedaan.

Mindfulness meditatie is een vorm van open meditatie die afgeleid is van het boeddhisme, met name de methode ‘skikantaza’, hetgeen betekent: ‘alleen zitten’. Mindfulness wordt gedefinieerd als ‘het actief maximaliseren van het ademhalen en helderheid van het bewustzijn’ of ‘het schenken van aandacht op een bepaalde manier met als doel in het hier en nu te leven zonder oordelen’. De aandacht vasthouden en geen onderscheid maken tussen stimuli, betekent dat er evenveel aandacht wordt gegeven aan alles wat wordt waargenomen. Dit wordt ook wel ‘choiceless awareness’ genoemd. Door middel van oefening is het mogelijk om dit te bereiken.

Het is moeilijk om dit te bereiken, maar het idee is om alle afleidingen te accepteren en je hier dus niet tegen te verzetten. Reageer niet op de afleidingen, denk niet over ze na en ze zullen uit zichzelf weer weggaan. Dit zorgt ervoor dat de verschillen tussen het zelf en de ander en het verstand en de inhoud van het verstand verdwijnt. Dit wordt ook wel ‘nonduality’ genoemd.

Concentratiemeditatie

Concentratiemeditatie gaat over het gefocust richten van de aandacht op één ding zonder afgeleid te worden. Bij open meditatie is openheid (en acceptatie) van afleidingen belangrijk, maar dit geldt niet voor concentratiemeditatie. Bij concentratiemeditatie wordt vaak gericht op ademhaling. Je kunt bijvoorbeeld het aantal ademhalingen tellen.

Soms worden speciale technieken gebruikt om de snelheid van de ademhaling aan te passen of invloed uit te oefenen over of de ademhaling meer uit de buik of meer uit de borst komt. Verschillen in ademhalingspatronen hebben invloed op het bewustzijn. Mantra’s zijn woorden, zinnen of geluiden die worden herhaald. Dat kan in het hoofd gebeuren, maar ook hardop.

Dit kan ervoor zorgen dat je alleen aandacht hebt voor hetgeen je steeds herhaalt. Het gaat echter niet om de woorden zelf; de woorden zorgen er alleen voor dat je iets hebt om je op te richten. Soms richten mensen die mediteren zich op filosofische vragen of verhalen die moeilijk te beantwoorden zijn voor het verstand. Hoe helpt meditatie ons om meer te weten te komen over het bewustzijn?

Het antwoord op deze vraag hangt samen met de reden waarom mensen mediteren. Er zijn drie redenen aan te wijzen:

  1. religieuze of rituele redenen (bijvoorbeeld geloven dat je door meditatie naar de hemel gaat),

  2. stress verminderen, persoonlijke vaardigheden verbeteren en beter leven, en

  3. inzicht zoeken, of het nou in een religieuze of mystieke context gedaan wordt. Dit hoofdstuk gaat over de laatste twee redenen.

Ontspanning en stressreductie

TM wordt gezien als een effectieve methode om te ontspannen en stress te verminderen. Om deze reden wordt meditatie weleens door dokters voorgeschreven om een te hoge bloeddruk te verlagen. Holmes heeft een onderzoek uitgevoerd waaruit hij de conclusie trekt dat meditatie geen toegevoegde waarde heeft. Rusten zou hetzelfde effect hebben.

Zijn conclusie is bekritiseerd door aanhangers van meditatie. Het is moeilijk om te bewijzen dat meditatie stress vermindert, want het is moeilijk om zoiets te meten. Welke vorm van stress zou bijvoorbeeld gemeten moeten worden? En op welke manier zou dit moeten gebeuren? Daarnaast zijn er verschillende vormen van meditatie en is het dus niet duidelijk welke vorm gebruikt zou moeten worden voor onderzoek.

De meeste onderzoekers hebben zich gericht op de bestudering van TM. Dit is logisch, aangezien van TM het meest wordt gezegd dat deze meditatievorm stress vermindert.

Het is maar de vraag of we onderzoeken moeten uitvoeren waarbij dezelfde mensen voor en na meditatie worden onderzocht, of dat we onderzoeken moeten uitvoeren waarbij verschillende mensen in verschillende condities ingedeeld worden. Als dezelfde mensen voor en na meditatie worden onderzocht, wordt vaak gevonden dat stress verminderd is. Er zou echter ook gekeken moeten worden of de resultaten hetzelfde zijn als mensen alleen maar rusten in plaats van mediteren.

Farthing stelt dat meditatie geen effect heeft of een effect heeft dat ook bereikt kan worden door een andere techniek. Het effect van meditatie zou dus niet uniek zijn.

Siddhis en fysieke krachten

Sommige mensen denken dat meditatie kan leiden tot het aanleren van vaardigheden, zoals siddhis. Siddhis zijn bovennatuurlijke krachten zoals profeetschap, zweven en controle over anderen en de natuur. Zweven wordt ook wel ‘vedic flying’ genoemd. Er zijn foto’s van mensen die als het ware opstijgen tijdens het mediteren.

Het ‘Maharishi effect’ houdt in dat als voldoende mensen samen op dezelfde plaats mediteren, dat hun gecombineerde bewustzijn ervoor kan zorgen dat mensen in die omgeving vredig leven. Bewijs voor dit effect is gevonden: criminaliteitscijfers zijn omlaag gegaan en sociale cohesie is toegenomen op plaatsen waar gemediteerd wordt (bijvoorbeeld in overheidsgebouwen of universiteiten). Critici stellen echter dat er geen vergelijkingsmateriaal gebruikt is en dat deze resultaten dus niet hoeven te kloppen.

Inzicht en ASC’s

Meditatie wordt vaak gedefinieerd in termen van veranderingen in het bewustzijn (‘ASC’s’). Zo komen termen als verlichting en het ervaren van geen zelf (‘no-self’) voor. Is het echt zo dat meditatie ASC’s veroorzaakt? Tart gelooft van wel, omdat mensen die mediteren het gevoel hebben dat hun mentaal functioneren is veranderd. Er is weinig consistent bewijs gevonden waaruit blijkt dat meditatie veranderingen in het bewustzijn veroorzaakt. Er is een theorie die ervan uitgaat dat meditatie niet meer is dan slapen. Uit onderzoek blijkt dat mensen tijdens het mediteren soms heel kort slapen.

Waarom mediteren?

Aangezien dutjes goed zijn voor het geheugen en voor cognitieve vermogens, zou het weleens zo kunnen zijn dat meditatie daarom positieve effecten heeft. Sommige mensen hebben tijdens het mediteren het gevoel dat het ‘zelf’ verdwijnt. Dit zou betekenen dat mensen die denken dat er een ‘ik’ nodig is om ervaringen te hebben, het bij het verkeerde eind hebben.

Back to top

Welke visies zijn er op 'ontwaken'? - Chapter 27 (2e druk)

Boeddhisme en de wetenschap

Het boeddhisme verschilt in verschillende opzichten van andere religies. Zo kent het boeddhisme in tegenstelling tot andere religies geen god, schepper of ziel kent. Boeddhisme gaat vooral over het individu dat tot verlichting moet komen. Daarnaast heeft het boeddhisme geen waarheden waar vooral in geloofd moet worden.

Boeddha leerde zijn volgelingen dat alle dingen die bestaan relatief en afhankelijk van elkaar zijn en dat deze dingen ontstaan uit datgene wat vóór deze dingen kwam. Deze visie kan gezien worden als een vroeg statement van het wetenschappelijke principe van oorzaak en gevolg. Boeddha ontkende de mogelijkheid van het bewust zijn zonder betrokken percepties, acties en sensaties.

Sommige wetenschappers zijn erg geïnteresseerd in het boeddhisme, omdat het boeddhisme ervan uitgaat dat er geen zelf bestaat en dat dualisme niet bestaat. Deze wetenschappers richten zich vooral op zen-boeddhisme, omdat bij deze vorm van boeddhisme weinig aandacht is voor gebedshuizen of altaren. Zen-boeddhisme is in dat opzicht niet erg naar buiten toe gericht. In zen-boeddhisme wordt gesproken over verlichting, maar wat is dit precies?

Dit begrip kan op twee manieren gebruikt worden. Allereerst kan gesproken worden over het proces van verlichting. Dit proces kan snel of langzaam plaatsvinden. In dit verband kan geloofd worden in een soort van route die naar verlichting kan leiden. Er kunnen verlichtingservaringen (‘kensho’) beleefd worden. Een tweede vorm van verlichting is de ultieme verlichting. Dit is niet een toestand van bewustzijn dat op een religieuze ervaring lijkt, want deze is tijdelijk (zoals een kensho). Ultieme verlichting is niet in termen van een toestand uit te leggen. Er is geen route die naar ultieme verlichting leidt, omdat verlichting niet iets is dat verkregen kan worden. In dit verband kan verlichting niet in woorden uitgedrukt worden.

Transformatie en therapie

In het boeddhisme staat ‘samsara’ voor een doorgaande cirkel van geboorte en dood. Dit heeft te maken met de oorsprong van het lijden. We lijden omdat we ons vastklampen aan dingen waar we van houden en we wijzen dingen af waar we een hekel aan hebben. Zo raken we gevangen in een cyclus van zijn en worden, samsara genaamd. Verlichting zou ervoor zorgen dat iemand uit die cirkel kan ontsnappen.

Er bestaan diverse overeenkomsten tussen het boeddhisme en psychotherapie en de vraag is of ze niet hetzelfde zijn. Allebei hebben ze als doel het individu te transformeren, al doen ze dit wel op verschillende manieren. Psychotherapie heeft als doel het creëren van een samenhangende zelf, terwijl het boeddhisme erop gericht is om een gevoel van een zelf te overstijgen. Zen-boeddhisme kan gebruikt worden als therapiemethode. Het is wel zo dat je eerst een zelfbeeld moet hebben om daarna te kunnen geloven dat je geen zelf hebt. Omgekeerd is het niet mogelijk.

Zijn boeddhistische methoden geschikt om tijdens psychotherapie te gebruiken? Sommige mensen geloven dat spirituele therapieën een toegevoegde waarde hebben, terwijl anderen het gevaarlijk vinden om spirituele methoden te mixen met therapie. Meditatie is behoorlijk confronterend voor een individu. Mensen die angstig en neurotisch zijn kunnen daarom verkeerd reageren op meditatie. Toch gebruiken veel therapeuten wel boeddhistische technieken. Zo raden therapeuten methoden aan om de aandacht vast te houden, beter te ademen en te mediteren.

Spontane ‘awakening’

Awakening’ wordt beschreven als het eindpunt van een lange spirituele reis. Het komt ook voor dat mensen zeggen dat ze ‘wakker’ zijn geworden en dat deze ‘awakening’ het begin van hun spirituele reis is. Harding werd bijvoorbeeld ineens ‘wakker’, terwijl het voor andere mensen jaren duurt. Het boeddhisme stelt dat onze ervaringen illusies zijn. Een illusie is niet iets dat niet bestaat, maar iets dat iets anders is dan wat het lijkt. Wat is een ervaring dan wel? Het boeddhisme gaat ervan uit dat ervaringen illusies zijn omdat we verkeerde ideeën over de wereld hebben.

Boeddha geloofde in ‘conditioned arising’ (ook wel ‘co-dependent origination’ genoemd). Dit begrip houdt in dat alles relatief en van elkaar afhankelijk is en dat alles ergens vandaan komt. Dit niet accepteren is een vorm van illusie. Ook stelde Boeddha dat alles tijdelijk en leeg is. Hij bedoelde met leegte niet dat iets nutteloos is.

‘Geen zelf’

Het boeddhisme gaat uit van ‘annatta’, wat ‘geen zelf’ betekent. Dit betekent niet dat de zelf niet bestaat, maar geconditioneerd en tijdelijk is zoals alles dat is. Dit is tegengesteld aan wat er in de meeste religies wordt beweerd; namelijk dat er ziel bestaat die altijd door zal gaan met bestaan. Boeddha stelt dat de perceptie van het zelf zorgt voor egoïsme en hechting aan de wereld. Daarnaast zegt hij dat het zelf geen dingen kan doen: er bestaan handelingen en gevolgen, maar de persoon die ze uitvoert bestaat niet.

In het boeddhisme is ‘karma’ ook een belangrijk begrip. Boeddha stelt dat karma gaat over vrije wil en vrijwillige handelingen. Deze zijn het gevolg van een verkeerd beeld dat er een zelf bestaat die kan denken en handelen. Wanneer niet meer wordt uitgegaan van deze verkeerde aanname, dan wordt er geen karma meer ‘verzameld’. Dit omdat iemand dan van het idee af is dat zijn of haar handelingen worden veroorzaakt door een ‘zelf’ of een ‘ik’.

Het Boeddhisme staat dichter bij de psychotherapie dan bij de wetenschap. Het doel van beide is namelijk de waarheid te ontdekken om vrij te worden van lijden, en om andere mensen van het lijden te bevrijden. Dit terwijl de wetenschap als doel heeft: de waarheid vinden ‘for its own sake’.

Back to top

Abonneechapter met online BulletPoints van Consciousness - Blackmore (2e druk)

Wat is het probleem? BulletPoints 1

  • Het probleem van bewustzijn is gerelateerd aan één van de oudste vragen van de filosofie: waar bestaat de wereld uit? Wie ben ik? Dit is in principe gerelateerd aan het geest-lichaamprobleem: wat is de relatie tussen het fysieke en het mentale? Oplossingen voor dit probleem kunnen worden onderscheiden in monistische theorieën, die suggereren dat er één soort van dingen zijn in de wereld, en dualistische theorieën, die suggereren dat er twee soorten dingen zijn.

  • Monistische theorieën gaan ervan uit dat de wereld bestaat uit slechts één soort materie (lichaam of geest). Voorbeelden van aanhangers van deze monistische theorieën zijn de materialisten.

  • Bij het dualisme gaat het om een combinatie van materie (het lichaam) en geest. De bekendste dualist is René Descartes. Er bestaan twee soorten dualisme, namelijk kenkerk-dualisme en substantie-dualisme.

  • De term ‘psychologie’ verscheen als eerst in de achttiende eeuw om de filosofie van het mentale leven te beschrijven, maar het was richting het eind van de negentiende eeuw toen de psychologie als een wetenschap werd gezien. Belangrijke psychologen in deze periode waren James, Wundt en Freud. Daarna kwam het behaviorisme op onder leiding van Watson, hij zag de psychologie als een natuurwetenschap die als doel zou moeten hebben om gedrag te voorspellen en te beïnvloeden.

  • Chalmers stelt dat de onduidelijkheden over het bewustzijn verdeeld kunnen worden in de gemakkelijke problemen en het moeilijke problemen.

Hoe voelt het om...te zijn? BulletPoints 2

  • Qualia zijn privé kwaliteiten, de manier waarop iemand een ervaring beleeft. Bewuste ervaringen bestaan uit qualia en het probleem van bewustzijn kan worden herformuleerd in termen van hoe de qualia gerelateerd zijn aan de fysieke wereld of hoe objectieve hersenen subjectieve qualia produceren.

  • Om te onderzoeken of qualia een toegevoegde waarde kunnen hebben kan gebruik worden gemaakt van gedachte-experimenten zoals het experiment van Mary en het experiment van de filosofiezombie. Hier zijn verschillende reacties op mogelijk.

  • Wetenschappers hebben op verschillende manieren gereageerd op het idee van Chalmers dat er een moeilijke vraag bestaat wanneer we het hebben over bewustzijn. Deze reacties zijn onder te verdelen in: (1) het moeilijk probleem is onoplosbaar, (2) het moeilijke probleem is op te lossen, (3) het is essentieel om eerst het makkelijke probleem op te lossen, en (4) er is helemaal geen moeilijk probleem. Churchland stelt zelfs dat het probleem verkeerd begrepen wordt.

Hoe verschillen bewuste en onbewuste activiteit van elkaar? BulletPoints 3

  • We gaan ervan uit dat onze subjectieve gevoelens en bewuste keuzes onze handelingen veroorzaken. Als je de hersenen echter onderzoekt, dan lijkt hier geen ruimte voor te zijn. Informatie komt via de zintuigen binnen en wordt vervolgens verder verwerkt door verschillende hersendelen. Dit zorgt vervolgens voor handelingen van het individu.

  • Milner en Goodale stellen dat er een verschil bestaat tussen twee visuele systemen:
    (1) visuele perceptie en (2) visueel-motorische controle. Deze categorieën hangen samen met de ventrale en de dorsale route. Volgens Milner en Goodale is visueelmotorische controle dominanter dan visuele perceptie bij taken die door de hersenen worden uitgevoerd. Hierdoor zou de actie vóór het bewust worden hiervan kunnen komen.

  • We kunnen handelingen over het algemeen verdelen in vijf categorieën:
    (1) handelingen die altijd onbewust zijn, (2) handelingen waar bewust controle over uitgeoefend kan worden, (3) handelingen die eerst bewust uitgevoerd, maar met de tijd onbewust uitgevoerd worden, (4) handelingen die zowel bewust als onbewust uitgevoerd kunnen worden, en (5) handelingen die altijd bewust uitgevoerd moeten worden.

  • Representationele theorieën kunnen worden onderverdeeld in higher-order perception-theorie (hogere order perceptie, HOP) en higher-order thought (hogere-orde gedachtetheorie, HOT). Volgens HOP betekent het bewust zijn van een mentale toestand dat er toezicht gehouden wordt op de mentale toestand. HOT stelt dat het bewustzijn gaat over het hebben van een gedachte over de toestand.

Hoe kan het verstand gezien worden als theater? BulletPoints 4

  • Hume stelt dat het verstand een soort van theater is waar verschillende percepties verschijnen, voorbijgaan, opnieuw terugkomen en zich mengen in verschillende situaties. Dennett introduceerde het begrip ‘Cartesiaans theater’(CT). Dit houdt in dat we het gevoel hebben dat ons ‘ik’ zich ergens in ons hoofd bevindt.

  • De global workspace theory (GWT) van Baars is gebaseerd op de theaterhypothese. Hij stelt dat bewuste gebeurtenissen in het theater van het bewustzijn gebeuren. Hij stelt dat er een groot verschil is tussen het beperkte aantal items dat beschikbaar is in het bewustzijn en de vele onbewuste processen die aanwezig zijn. Baars stelt dat het bewustzijn geen bijkomstigheid is, maar hij stelt ook dat het bewustzijn niet iets mysterieus is.

  • Dennett is voorstander van het ‘multiple drafts model’. Dit model stelt dat alle mentale activiteiten (percepties, emoties en gedachten) in de hersenen ontstaan door parallelle processen in verschillende hersenroutes. Deze processen zorgen ervoor dat zintuiglijke input geïnterpreteerd kan worden.

Wat hebben aandacht en timing met het bewustzijn te maken? BulletPoints 5

  • Er zijn tegenwoordig uiteenlopende ideeën over de relatie tussen aandacht en bewustzijn. Er bestaan hierbij in principe twee tegengestelde ideeën over bewustzijn en aandacht. Het eerste idee is dat als ergens aandacht aan besteed wordt, dat het dan in het bewustzijn terechtkomt. Het andere idee is dat het bewustzijn de aandachtsprocessen als het ware leidt en dat dit de grootste functie van het bewustzijn is. James noemde deze theorieën de oorzaaktheorie en de gevolgtheorie.

  • Aandacht kan onvrijwillig of intentioneel gericht zijn en deze twee processen hangen grotendeels af van verschillende systemen in het brein. Voorbeelden van onvrijwillige aandacht zijn coverte aandacht (het kijken naar het ene object, terwijl de aandacht op een ander object gericht wordt) en het ‘pop-up effect’ (als er tussen verschillende stimuli een stimuli tussen zit die anders is dan de rest, dan zal deze als het ware ‘eruit poppen’ en de aandacht trekken).

  • Libet voerde experimenten uit waaruit bleek dat er sprake moet zijn van ongeveer een halve seconde durende neurale activiteit om bewustzijn te veroorzaken. De terugverwijzingshypothese (‘backwards referral hypothesis’) voorspelt dat stimulatie van de medial lemniscus terugverwezen (‘subjective referral’) moet worden. Libet stelt op basis van zijn experimenten dat een ervaring pas bewust is wanneer deze minimaal een halve seconde duurt.

Wat wordt bedoeld met 'de grote illusie'? BulletPoints 6

  • De term ‘de grote illusie’ staat voor het idee dat de rijkheid van onze visuele wereld een illusie is. Deze term ontstond naar aanleiding van onderzoek naar ‘veranderend blindheid’ en ‘niet-intentionele blindheid’. Inattentional blindness houdt in dat er geen sprake is van bewuste perceptie wanneer iets niet in de aandacht staat.

  • James zegt dat we tijdens het rondkijken niet alles wat we zien in ons kunnen opnemen. Toch zijn we er niet bewust van dat we over dingen heen hebben gekeken. Er zijn allerlei visies over gaten invullen: ‘isomorphic filling-in’ (de hersenen vullen daadwerkelijk alle details in zodat er een compleet beeld in de hersenen ontstaat), ‘symbolic filling-in’ (de gaten worden op een hoger niveau van het visuele systeem ingevuld en dit is meer conceptueel van aard, in plaats van dat er een plaatje wordt ingevuld) en de visie dat de hersenen niet de behoefte hebben om gaten in te vullen.

  • Er bestaan verschillende theorieën over visie. Simons en Levin stellen dat we een rijke visuele ervaring hebben wanneer we ons ergens op richten. Rensink gelooft dat mensen nooit een complete representatie van de wereld kunnen hebben. We maken alleen een representatie van een object als dat nodig is, maar we hebben niet overal een representatie van. O’Regan en Noë geloven dat zien niets te maken heeft met het opbouwen van interne representaties van objecten. Zij zijn voorstander van een sensormotorische theorie van visie en visueel bewustzijn.

Wat houden 'de zelf' en 'de meervoudige zelf' in? BulletPoints 7

  • Vragen over de aard van bewustzijn zijn nauw gebonden aan vragen over de aard van de zelf, omdat het lijkt alsof er iemand die ervaart nodig is om ervaringen tot stand te laten komen. Er zijn twee ideeën over de zelf in de psychologie: (1) er bestaat zoiets als een zelf die allerlei ervaringen heeft en besluiten maakt, en (2) het lijkt alsof er een zelf bestaat, maar dit is in werkelijkheid niet het geval. Uit de eerste visie komen de egotheorieën voort en uit de tweede visie zijn de bundeltheorieën voortgekomen.

  • Bij mensen met een meervoudige persoonlijkheid lijkt het zo te zijn dat er meerdere zelven in hen leven. Het beroemdste voorbeeld van een persoon met een meervoudige persoonlijkheidsstoornis is beschreven door Prince die mevrouw Beauchamp behandelde. Prince was duidelijk een aanhanger van de egotheorieën. Hij geloofde niet alleen in de ‘ware mevrouw Beauchamp’, maar ook in diverse andere verschillende zelven die verschillende staten van bewustzijn waren met een gescheiden wil.

  • Rond 1960 werden operaties uitgevoerd waarbij de doorgang(en) tussen beide hersenhelften werd doorgesneden om symptomen van epilepsie te verminderen. Een persoon bij wie deze operatie werd uitgevoerd heet een ‘split brain patiënt’.Gazzaniga geloofde aanvankelijk dat er bij split brain patiënten sprake is van een ‘double conscious system’. Er zou bij deze mensen dus sprake zijn van twee verschillende vormen van bewustzijn. MacKay vindt echter dat er geen bewijs bestaat voor deze aanname. Hij maakte onderscheid tussen uitvoerende en superviserende onderdelen van de hersenen. Aanhangers van de bundeltheorie beweren dat de discussie of split brain patiënten één bewustzijn hebben of twee onnodig is, omdat er volgens hen geen ‘aparte’ zelf bestaat.

Welke theorieën over de zelf zijn er? BulletPoints 8

  • Centraal in James theorie over het bewustzijn en de zelf staat de continuïteit en de eenheid van de zelf. Continuïteit van de zelf ziet James enkel als een potentieel: de gedachte als een tijdelijke beheerder van andere gedachten. Hij maakte onderscheid tussen de empirische zelf en het pure ego. De empirische zelf bevat drie aspecten: (1) de materiële zelf, (2) de sociale zelf, en (3) subjectieve ervaringen.

  • Damasio maakt onderscheid tussen de ‘proto-self’, de ‘core-self’ en de ‘autobiographical self’. Damasio gelooft dat deze zelf niet een afzonderlijke entiteit is, maar te maken heeft met je levensverhaal.

  • Hofstadter noemde zichzelf een ‘vreemde loop’, een ‘luchtspiegeling die zichzelf waarneemt’. Volgens hem zitten de hersenen vol lussen, bestaande uit vele niveaus van lus-achtige zelfbeschrijvingen. Strawson beschreef wat hij noemde de parelvisie (‘pearl view’). Hij gelooft dat er veel mentale zelve zijn die zichzelf op verschillende momenten afwisselen, net zoals parels aan een ketting. Volgens deze visie bestaan zelven echt, maar zijn het geen afzonderlijk bestaande entiteiten.

Wanneer is er wel of geen sprake van vrije wil? BulletPoints 9

  • De basisvraag over vrije wil is was of we vrij zijn om onze acties en besluiten te maken. Er bestaan hierbij twee belangrijke problemen, namelijk het determinisme (als dit universum loopt door deterministische wetten, dan zou alles wat gebeurt onvermijdelijk moeten zijn) en morele verantwoordelijkheid als ik niet vrij ben om mijn acties te kiezen, hoe kan ik mij dan moreel of verantwoordelijk voor deze acties voelen?).

  • Als we een vrijwillige handeling uitvoeren, dan worden de frontale lobben geactiveerd. Beschadiging van de dorsolaterale prefrontale cortex (DLPFC) kan leiden tot een gebrek aan spontane activiteit en tot stereotypische handelingen. Uit onderzoek blijkt bovendien dat de DLPFC geassocieerd is met de subjectieve ervaring van beslissen.

  • Sinds 1960 is het duidelijk dat het ‘readiness potential’ (RP) voorafgaat aan vrijwillige bewegingen. Onderzoek hiernaar lijkt te laten zien dat het bewustzijn te laat komt om de oorzaak van de beweging te zijn. Libet stelde dat onbewuste hersenprocessen de oorzaak zijn van een vrijwillige beweging, maar het bewustzijn kan (net voordat de vrijwillige beweging uitgevoerd wordt) dit tegenhouden of juist niet. Op deze aanname is echter veel kritiek gekomen, bijvoorbeeld de twijfel over de methode.

  • Wegner stelt dat een vrije keuze moet voldoen aan drie criteria: (1) de gedachte moet voorafgaan aan de handeling, (2) de gedachte moet overeenkomen met de handeling, en (3) de gedachte moet geen andere oorzaken (behalve vrije wil) hebben.

Hoe interacteren de hersenen en het bewustzijn met elkaar? BulletPoints 10

  • Met het onderzoek naar ‘the neural correlates of consciousness’ (NCC) kunnen aspecten van neuraal functioneren bestudeerd worden en kan worden gekeken of deze overeenkomen met de bewuste ervaringen die mensen uiten. Het gaat bij NCC om de correlatie tussen neuraal functioneren en bewuste ervaringen zonder uitspraken te doen over de causale relatie tussen deze twee.

  • Er zijn twee theorieën die zijn gebruikt om de NICC te vinden. De eerste theorie is van Penrose en Hameroff over de kwantum coherentie in microtubulus. De tweede theorie kwam van Flohr. Hij stelt dat buitenbewustzijn als gevolg van verdovende middelen wordt veroorzaakt door de remming van de processen die afhangen van NMDA-receptoren.

  • Dualisten stellen dat pijn zich in het verstand bevindt en dat het daarom niet gelokaliseerd kan worden. Hoe pijn wordt toegebracht, blijkt verschil te maken voor wat betreft neurale activiteit. Er blijkt een correlatie te zijn tussen het soort van pijn en neurale activiteit – en ook tussen de mate waarin iemand pijn ervaart en neurale activiteit.

Op welke manier kan het bewustzijn als een eenheid gezien worden? BulletPoints 11

  • Het lijkt alsof we maar één bewustzijn hebben. Als je naar de hersenen kijkt, dan zie je echter dat er sprake is van complexiteit en diversiteit. Een centrale vraag hierbij is: waar vindt de interactie tussen het verstand en de hersenen plaats?

  • Het bindingsprobleem bestaat uit de vraag hoe het komt dat we iets zoals een vallende munt als één ding waarnemen. Sommige mensen denken dat het bindingsprobleem hetzelfde is als begrijpen hoe aandacht werkt. Malsburg stelde dat het gelijktijdige, gecoördineerde vuren van neuronen in de visuele cortex de basis is van visuele binding. Volgens Zeki bestaan er meerdere micro-bewustheden en bestaat het visuele systeem uit vele afzonderlijke en gespecialiseerde systemen die parallel functioneren.

  • Integratie van informatie die door meerdere zintuigen binnenkomt (multisensorische integratie genoemd) hangt af van neuronen die reageren op input van meer dan één zintuig. Het belangrijkste hersendeel hierbij is de superior colliculus in de middenhersenen.

  • Aanhangers van de theory of re-entry by neuronal group selection’ stellen dat het bewustzijn afhangt van continuerende, zichzelf herhalende, parallelle processen tussen delen van de thalamus en cortex. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen twee soorten van bewustzijn: een primair bewustzijn en het hogere orde bewustzijn.

Wat is de invloed van een hersenbeschadiging op het bewustzijn? BulletPoints 12

  • Korkasoff’s is de meest voorkomende vorm van geheugenverlies (ook wel amnestisch syndroom) en wordt veroorzaakt door de giftige effecten van alcohol en door een tekort aan thiamine dat veroorzaakt wordt door ondervoeding. Er bestaan twee soorten van geheugenverlies: (1) anterograde amnesie (niet meer lange termijnherinneringen kunnen opslaan) en (2) retrograde amnesie (wanneer iemand al zijn herinneringen over het verleden is kwijtgeraakt). Mensen met geheugenverlies hebben wel een bewustzijn. Er vindt bij hen echter geen interactie plaats tussen huidige informatie en opgeslagen informatie.

  • We spreken van neglect (verwaarlozing) wanneer mensen één helft van hun visuele veld negeren. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen wanneer iemand verlamd raakt. Soms hebben mensen het niet door dat ze verlamd zijn, in dat geval spreken we van anosagnosie.

  • Blindzicht komt vaak voor bij mensen die schade hebben aan delen van de visuele cortex aan één kant. Het lijkt bij een patiënt met blindzicht erop dat hij zich niet bewust is van datgene wat hij ziet. Een patiënt met blindzicht heeft dus visie zonder bewustzijn.

Wat is het verband tussen de evolutie en het bewustzijn? BulletPoints 13

  • Dawkins stelde echter de evolutietheorie voor. Evolutie betekent letterlijk graduele verandering. Volgens Darwin was er op de aarde sprake van langzame veranderingen en van variatie onder organismen. Soorten die overleven zouden datgene wat hen had geholpen bij het overleven doorgeven aan de volgende generatie (‘survival of the fittest’). Dennett spreekt over ‘evolutionary algorithm’: als er sprake is van het driedelig algoritme variatie, erfelijkheid en selectie, dan moet er sprake zijn van evolutie.

  • Lamarck stelde dat er eerst sprake moet zijn van een interne kracht dat vooruitgang in de ene richting stuurt en dat daarnaast het overerven van verkregen kenmerken benodigd is. Zijn theorie wordt het Lamarckisme genoemd en wordt tegenwoordig als onjuist verklaard.

  • Dawkins kwam in 1976 met de ‘selfish gene theory’. Het uiteindelijke doel van natuurlijke selectie is niet het soort, niet de groep, niet het individu, maar het gen. Genen zijn egoïstisch (‘selfish’) in die zin dat ze doorgegeven willen worden.

  • De vraag die luidt bij de stelling dat het bewustzijn geëvolueerd is, is: heeft bewustzijn een functie? Hier bestaan vier visies op: (1) het epifenomenalisme: het bewustzijn is te scheiden van adaptieve kenmerken, maar het maakt geen kenmerkend verschil en heeft geen effecten, (2) het bewustzijn heeft een adaptieve functie, het bewustzijn is te scheiden van adaptieve kenmerken en het voegt iets nieuws toe, (3) het bewustzijn heeft geen onafhankelijke functie, het bewustzijn is niet te scheiden van adaptieve kenmerken, en (4) het bewustzijn is een illusie.

Welke visies op de functie van het bewustzijn zijn er? BulletPoints 14

  • Twee centrale vragen zijn: (1) wanneer ontstaat het bewustzijn tijdens de menselijke ontwikkeling?, en (2) welke hedendaagse wezens zijn bewust? Panpsychisten geloven dat het bewustzijn geen alles-of-niets principe is, maar zich in verschillende maten ontwikkelt. Zij geloven dat het bewustzijn al aanwezig was voordat de evolutie plaatsvond.

  • Humphrey stelt dat het bewustzijn een ‘emergent property’ is. Dit houdt in dat het bewustzijn voor een combinatie van factoren staat. Tevens stelde hij dat het bewustzijn een ‘surface feature’ is waar natuurlijke selectie invloed op heeft. Hij stelt dat zich binnen de hersenen een soort intern oog (‘inner eye’) bevindt dat een beeld geeft van de hersenactiviteit van een persoon zelf (en dus niet van de buitenwereld). Een gevolg van deze theorie is dat alleen intelligente en sociale organismen een bewustzijn kunnen hebben.

  • Veel evolutietheorieën spreken over de relatie tussen natuurlijke selectie en genen. Evolutionaire processen die op genen inwerken, werken dus ook in op allerlei andere vormen van ‘replicators’ (waar genen een voorbeeld van zijn). Dit noemt Dawkins ook wel universeel darwinisme.

Hoe kan het bewustzijn van dieren onderzocht worden? BulletPoints 15

  • Er bestaan twee visies over de vraag of dieren ook een bewustzijn hebben: (1) de visie dat alleen mensen een bewustzijn hebben, en (2) de visie dat veel (dier)soorten lichamelijk op elkaar lijken en dat ze daarom allemaal een bewustzijn moeten hebben.

  • Om te testen of dieren zelfbewust zijn kan gebruik gemaakt worden van een spiegeltest. Er wordt dan bekeken of dieren zichzelf kunnen herkennen in de spiegel. Er zijn echter twee problemen met deze test: (1) de is niet eerlijk voor alle diersoorten, bijvoorbeeld voor dieren die niet hun eigen gezicht kunnen aanraken, en (2) de meeste apen ervaren het als bedreigend wanneer naar hen gestaard wordt.

  • Een onderdeel van ons bewustzijn is dat we overtuigingen, verlangens en mentale toestanden hebben en dat we mentale toestanden ook toeschrijven aan andere mensen. Dit noemen we ook wel ‘theory of mind’ (TOM). Ook imitatie is de basis voor het ervaren van empathie voor anderen. Er is echter vaak sprake van een individueel leerproces dat ontstaat door pogingen die leiden tot fouten en tot succes, hetgeen betekent dat er maar zelden sprake is van imitatie van anderen.

  • Het grootste verschil tussen mensen en dieren is dat mensen beschikken over taal en dieren niet. Dit betekent dat als taal de oorzaak is van het zelfbewustzijn van de mens, dat het bewustzijn van andere organismen dan anders zou moeten zijn dan de onze. Nog steeds is het echter niet duidelijk of dieren nu bewust zijn of niet.

Hoe kan een machine verstand bijgebracht worden? BulletPoints 16

  • Op de vraag of mensen een machine zijn, zijn twee antwoorden mogelijk. We kunnen starten met de biologie en proberen te begrijpen hoe neurale systemen werken of we kunnen kunstmatige systemen maken en zien in hoeverre zij met een menselijk wezen overeenkomen.

  • Descartes geloofde dat het menselijke lichaam een machine is, maar dat deze machine in z’n eentje niet voor spraak en rationele gedachten kan zorgen. Tuning geloofde dat er een simpele machine zou kunnen bestaan die stappen zou kunnen specificeren die nodig zijn om elk probleem op te kunnen lossen, een Universele Tuning Machine.

  • Het connectionisme is gebaseerd op kunstmatige neurale netwerken (‘artificial neural networks’, ANN’s) en parallelle verwerking. ANN’s worden gebruikt om menselijke mensencellen na te bootsen.

  • Belichaamde cognitie (‘embodied cognition’) staat voor het idee dat het verstand alleen gecreëerd kan worden als iets interactie heeft met de omgeving.

  • Tuning ontwierp diverse testen om te onderzoeken of machines kunnen nadenken, waaronder een schaaktest.

Welke visies zijn er op het bewustzijn van machines? BulletPoints 17

  • Op de vraag of een machine een bewustzijn heeft zijn twee antwoorden mogelijk vanuit twee visies. Een functionalist zal zeggen dat robots een bewustzijn hebben omdat ze als robots bepaalde taken kunnen uitvoeren. Een inessentialist gelooft echter niet dat machines of robots een bewustzijn kunnen hebben omdat er geen innerlijke beleving bestaat bij machines.

  • Er zijn verschillende argumenten om aan te geven dat machines nooit een bewustzijn zouden kunnen hebben. Je kunt bijvoorbeeld op basis van je religie zeggen dat God alleen een bewustzijn heeft gegeven aan de mens. Het is ook mogelijk om te zeggen dat robots geen bewustzijn hebben, omdat alleen levende organismen een bewustzijn kunnen hebben.

  • Searle bedacht het Chinese Kamer gedachte-experiment waarmee hij stelde dat een computer zelf nooit iets echt kan begrijpen. Hij vindt dat de mens intentionaliteit heeft en een machine niet. Volgens Searle is intentionaliteit een subjectief gegeven en daarom gerelateerd aan het bewustzijn.

  • Er is veel kritiek geweest op Searle. Zo is er de ‘brain simulator reply’ geweest. Hiermee wordt gezegd dat er een programma kan bestaan die de manier waarop neuronen in Chinese hersenen vuren, na kan bootsen. Er zijn bovendien meningsverschillen over wat het gedachte-experiment van Searle nou echt bewijst. Tot slot bestaat er het argument dat er dingen zijn die machines niet kunnen doen. Als wij deze dingen wel kunnen doen, dan betekent dat dat we meer zijn dan alleen machines en dat we iets speciaals, namelijk een bewustzijn, hebben.

Hoe zou een bewuste machine gebouwd moeten worden? BulletPoints 18

  • Kismet was de eerste robot die op een mens lijkt. Je zou kunnen denken dat Kismet geen bewustzijn heeft omdat hij uit metaal bestaat en simpele routinematige handelingen uitvoert. Toch is het zo dat er geen plaats in Kismet is waar ‘alles samenkomt’ (zoals weleens wordt beweerd over het bewustzijn).

  • Stel dat mensen een x-factor hebben die ervoor zorgt dat ze een bewustzijn hebben. Als we een bewuste robot zouden willen maken, dan moeten we uitzoeken wat deze x-factor is. McGinn vraagt zich af of deze x-factor (die hij C* noemt) kan bestaan in objecten. Hij concludeert dat we dat nooit kunnen weten.

  • Stuart stelt ‘engaged embodiment’ voor; doelgerichte animatie, perceptie, voorstellingsvermogen en het vermogen om ervaringen te herkennen als eigen ervaringen.

  • Aleksander bedacht de Kernel Architecture (KA). Het sleutelmechanisme hierbij is afbeelden: het maken van een directe representatie waar elementen van de wereld zich bevinden dat ervoor zorgt dat aandacht op een geschikte manier gericht kan worden.

Hoe verloopt de onbewuste verwerking? BulletPoints 19

  • Cheesman en Merikle maakten onderscheid tussen een objectieve drempelwaarde (het detectieniveau waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen perceptuele informatie op basis van toevalsverschijnselen) en subjectieve drempelwaarde (de waarde waarbij deelnemers zeggen dat ze geen onderscheid konden maken tussen perceptuele informatie en dat hun antwoorden door toevalsverschijnselen komen).

  • Het is ook mogelijk dat onbewuste perceptie invloed heeft op de emoties van mensen. Uit hersenscans blijkt ook dat onbewuste waarneming terug te vinden is in de hersenen, bijvoorbeeld in de amygdala.

  • De meningen lopen sterk uiteen over de vraag of onbewuste probleemoplossing plaatsvindt. Broadbent en Berry hebben onderzoeken uitgevoerd waaruit blijkt dat het mogelijk is om onbewust problemen op te lossen.

  • Er zijn drie onderdelen van intuïtie, namelijk cognitieve processen, sociale vaardigheden en emotie.

  • Creativiteit kan gezien worden als een manier waarop expliciete en intuïtieve vaardigheden samenkomen. Het is echter niet duidelijk waar creativiteit vandaan komt. Wellicht zorgt creativiteit ervoor dat mensen op speciale manieren culturele kennis (‘memes’) kunnen samenbrengen om nieuwe memes te vormen.

Hoe kunnen we onderscheid maken tussen werkelijkheid en verbeelding? BulletPoints 20

  • In het dagelijks leven maken we vaak onderscheid tussen de buitenwereld en wat er in ons hoofd omgaat. Dit doen we zonder door te hebben dat we hier een vaardigheid voor gebruiken. Deze vaardigheid wordt ‘reality monitoring’ of ‘reality discrimination’ genoemd.

  • Een hallucinatie is een ervaring is die: (1) voorkomt in afwezigheid van een stimulus,
    (2) een grote invloed heeft op de echte perceptie, en (3) niet vrijwillig onder controle gehouden kunnen worden. Hoewel hallucinaties vaak in één lijn gebracht worden met pathologie, zijn er meerdere redenen om dit te verwerpen. Ten eerste is het niet duidelijk hoe hallucinaties kunnen worden onderscheiden van andere ervaringen en ten tweede komen hallucinaties veel voor in de populatie. Ten derde zijn er culturele verschillen in houdingen ten opzichte van hallucinaties. In veel culturen worden hallucinaties gewaardeerd, omdat daarmee dichter bij geesten of goden gestaan zou kunnen worden

  • Sommige hallucinaties ontstaan spontaan en anderen worden veroorzaakt door drugs, ziekte, honger, slaapgebrek of het gebruik van rituelen.

  • We hebben vaak hallucinaties net op het moment dat we bijna in slaap vallen. Maury noemde deze hallucinaties ‘hypnagogic images’ of ‘hypnagogic hallucinations’. Bewustzijn tijdens slaapverlamming komt voor wanneer de normale verlamming tijdens de REM-slaap te laat begint, de persoon net in slaap valt of wanneer de verlamming te lang duurt als iemand wakker aan het worden is.

Wat omvat het paranormale allemaal? BulletPoints 21

  • Paranormale ervaringen komen veel voor en veel mensen geloven erin. Bovendien hebben paranormale ervaringen veel implicaties voor de wetenschap. Paranormale ervaringen worden al enkele eeuwen beschreven, met name tijdens de negentiende eeuw was het spiritualisme erg populair.

  • Rhine en Rhine probeerden met de term ‘extrasensory perception’, ESP, bewijs te vinden tegen het materialisme en het behaviorisme. ESP besloeg drie soorten communicatie waar geen zintuigen voor nodig zijn, namelijk (1) telepathie (waarbij informatie van de ene persoon aan de ander wordt doorgegeven), (2) ‘clairvoyance’ (hierbij komt informatie van objecten of gebeurtenissen die op afstand zijn) en (3) ‘precognition’ (informatie die uit de toekomst komt). Rhine en Rhine gebruikten de term ‘psi’ als ze het hadden over paranormale activiteiten.

  • Psychokinese (PK) staat voor het vermogen om objecten of gebeurtenissen te beïnvloeden zonder ze aan te raken of een andere kracht te gebruiken. Tegenwoordig gaat het onderzoek van PK vooral over micro-PK, het zogenaamde effect van het menselijke verstand op microscopische of mechanische systemen. De parapsychologen die overtuigd zijn van het bestaan van PK maken expliciete claims dat het bewustzijn hierbij betrokken is.

  • Waarschijnlijk bestaat paranormale activiteit niet. Ondanks het feit dat er veel onderzoek naar gedaan is, kunnen we namelijk nog steeds geen zekere informatie over dit onderwerp geven.

Welke drugs hebben invloed op het bewustzijn en hoe? BulletPoints 22

  • De door James geformuleerde ‘andere vorm van bewustzijn’ wordt vanaf nu ‘veranderde staten van bewustzijn’ (‘altered states of consciousness’), afgekort ASC’s, genoemd. Er zijn echter veel problemen bij de exacte definitie van ASC’s. Hierdoor is het lastig om de toestand van het bewustzijn (‘state of consciousness’, SoC) aan te geven.

  • Farthing stelt dat we naar veertien punten moeten kijken als we willen weten wat er precies verandert als iemand een ASC beleeft. De drie belangrijkste factoren hierbij zijn (1) aandacht, (2) geheugen en (3) alertheid. Denken over bovenstaande drie termen (aandacht, geheugen en alertheid) leidt ertoe dat we ons een soort driedimensionale ruimte kunnen voorstellen waarin alle mogelijke ASC’s zijn gepositioneerd. Tart beschreef een simpele ruimte met twee dimensies: irrationaliteit en het vermogen om te hallucineren. Een tweede tweedimensionale ruimte werd beschreven door Laureys. Zijn dimensies zijn compleet anders dan de dimensies zoals beschreven door Tart, namelijk: het niveau van arousal en het bewustzijn van de omgeving en de zelf.

  • Psychoactieve drugs hebben invloed op het mentaal functioneren of op het bewustzijn. Deze drugs kunnen ingedeeld worden in verschillende categorieën, bijvoorbeeld stimulanten, antidepressiva, cannabis en psychedelica.

Wat hebben slaap en dromen te maken met bewustzijn? BulletPoints 23

  • Elke dag maken we cycli mee waarbij drie toestanden terugkomen: (1) waakzaam zijn, (2) REM (Rapid Eye Movement) slaap en (3) non-REM slaap. Verslagen van non-REM dromen zijn vaak kort en bezitten weinig details. Wanneer mensen tijdens de REM slaap wakker worden gemaakt, zeggen ze vaak dat ze een bizarre en complexe droom gehad hebben.

  • Hobson stelde drie categorieën op om te laten zien dat bizarre dromen verschillende vormen kunnen aannemen. Deze categorieën zijn: (1) incongruity, (2) discontinuity, en (3) onzekerheid. Tevens heeft hij het AIM-model over slaap opgesteld. De afkorting AIM staat voor drie verschillende dimensies van de slaap: (1) activation energy, (2) input source, en (3) mode. Slaapfasen kunnen volgens Hobson op basis van waarden op deze drie dimensies onderscheiden worden.

  • Soms komt het in een droom voor dat er sprake is van ‘false awakening’. In dat geval droomt de dromer dat hij of zij wakker is geworden. Bij een lucide droom is het zo dat je tijdens het dromen weet dat je droomt. Er zijn diverse technieken om lucide dromen te veroorzaken.

  • Hersenscans laten zien dat wanneer we iets zien of horen, dat dan dezelfde sensorische gebieden worden geactiveerd als wanneer we het ons alleen maar voorstellen. Hetzelfde lijkt te gelden voor dromen.

Wat zijn voorbeelden van 'bijzondere menselijke ervaringen'? BulletPoints 24

  • Een uitzonderlijke ervaring wordt in het Engels aangeduid met een ‘exceptional human experience’, afgekort met EHE. Er bestaan verschillende visies op het bestaan van EHE. Sommige mensen denken dat personen met EHE liegen. Anderen denken dat mensen met een EHE een paranormale ziel hebben en weer anderen stellen dat dergelijke ervaringen normaal zijn.

  • ‘Out-of-body experiences’, OBE, zijn gebeurtenissen waarbij iemand het gevoel dat hij buiten zichzelf staat en naar de wereld kijkt. Het hersengebied dat betrokken is bij een OBE blijkt de tempopariëtale junctie (TJP) te zijn, aan de rechterkant. In dit gebied komen visuele, tactiele, proprioceptieve en vestibulaire informatie samen.

  • Tijdens een bijna dood ervaring, ‘near-death experience’- NDE, ervaart iemand een fel, wit of goudkleurig licht, positieve en liefdevolle emoties, beelden van een andere wereld, een reflectie op het leven en het besluit om terug te keren. Twee theorieën om NDE te interpreteren zijn de ‘afterlife hypothesis’ en de ‘dying brain hypothesis’.

  • James stelt dat een ervaring ‘mystiek’ genoemd kan worden, als er aan vier voorwaarden wordt voldaan: (1) het niet in woorden kunnen navertellen (‘ineffability’), (2) ‘neotic’, (3) vergankelijkheid (‘transiency’), en (4) passiviteit (‘passivity’). Andere criteria zijn toegevoegd door Suzuki. Hij zegt dat een mystieke ervaring verder nog samengaat met ‘exaltation’ en ‘affirmation’.

Hoe ziet de blik van binnenuit er uit? BulletPoints 25

  • Het onderzoek naar het bewustzijn wordt soms verdeeld in twee categorieën:
    (1) de objectieve derde persoon benadering, en (2) de subjectieve eerste persoon benadering.

  • Chalmers maakt onderscheid tussen drie typen: A, B en C. Mensen met een A-kijk zijn vaak functionalisten of eliminativisten. Mensen met een B-kijk zijn vaak ook materialisten, maar verwerpen het idee van logische oppermachtigheid van het fysieke. Mensen met een type C-kijk ontkennen het materialisme en includeren verschillende soorten van het dualisme. Dennett vindt dat hij de leider is van het A-team en dat Chalmers de leider is van het B-team.

  • Fenomenologie gaat over de innerlijke wereld die mensen beleven. De term neurofenomenologie werd door Varela gebruikt om de zoektocht naar een moderne cognitieve wetenschap en een gedisciplineerde benadering voor menselijke ervaring aan te geven. Varela verschafte een simpel diagram om begrip te krijgen voor de plaats van neurofenomenologie in de wetenschap, bestaande uit de volgende vier richtingen: (1) functionalisme, (2) reductionisme, (3) mysterianisme, en (4) fenomenologie.

  • Velmans stelt dat er geen onderscheid is tussen subjectieve en objectieve zaken. Hij stelt een wederkerend model voor (‘reflexive model of consciousness’).

  • Heterofenomenologie gaat over het bestuderen van dingen die andere mensen ervaren.

Wat is er bekend over de werking van meditatie en mindfulness? BulletPoints 26

  • Meditatie kan samengevat worden als: (1) niet nadenken, maar (2) wel aandacht hebben. Meditatie gaat vaak samen met een speciale lichaamshouding. Het doel is om het lichaam alert en ontspannen te maken. Er zijn twee methoden om meditatie uit te oefenen, namelijk (1) open methoden en (2) concentratiemethoden.

  • Open meditatie betekent dat je je bewust bent van alles wat er om je heen gebeurt, maar dat je er niet op reageert. Mindfulness meditatie is een vorm van open meditatie die afgeleid is van het boeddhisme en wordt gedefinieerd als het actief maximaliseren van het ademhalen en helderheid van het bewustzijn’ of ‘het schenken van aandacht op een bepaalde manier met als doel in het hier en nu te leven zonder oordelen’.

  • Concentratiemediatie gaat over het gefocust richten van de aandacht op één ding zonder afgeleid te worden. Soms worden speciale technieken gebruikt om de snelheid van de ademhaling aan te passen of invloed uit te oefenen over of de ademhaling meer uit de buik of meer uit de borst komt.

  • TM wordt gezien als een effectieve methode om te ontspannen en stress te verminderen. Om deze reden wordt meditatie weleens door dokters voorgeschreven om een te hoge bloeddruk te verlagen.

Welke visies zijn er op 'ontwaken'? BulletPoints 27

  • Boeddha leerde zijn volgelingen dat alle dingen die bestaan relatief en afhankelijk van elkaar zijn en dat deze dingen ontstaan uit datgene wat vóór deze dingen kwam. Deze visie kan gezien worden als een vroeg statement van het wetenschappelijke principe van oorzaak en gevolg. Boeddha ontkende de mogelijkheid van het bewust zijn zonder betrokken percepties, acties en sensaties.

  • In het boeddhisme staat ‘samsara’ voor een doorgaande cirkel van geboorte en dood. Dit heeft te maken met de oorsprong van het lijden.

  • Er bestaan diverse overeenkomsten tussen het boeddhisme en psychotherapie. Zo hebben ze allebei als doel om het individu te transformeren. Het verschil tussen de twee ligt echter bij het feit dat psychotherapie als doel heeft om een samenhangende zelf te creëren, terwijl het boeddhisme erop gericht is om een gevoel van een zelf te overstijgen.

  • Awakening’ wordt beschreven als het eindpunt van een lange spirituele reis. Het boeddhisme stelt dat onze ervaringen illusies zijn. Een illusie is niet iets dat niet bestaat, maar iets dat iets anders is dan wat het lijkt.

  • Het boeddhisme gaat uit van ‘annatta’, wat ‘geen zelf’ betekent. Dit betekent niet dat de zelf niet bestaat, maar geconditioneerd en tijdelijk is zoals alles dat is. In het boeddhisme is ‘karma’ ook een belangrijk begrip. Boeddha stelt dat karma gaat over vrije wil en vrijwillige handelingen.

Back to top

When and how is the concept of consciousness introduced? - ExamTests 1

MC-questions

Question 1

Which philosophical movement emphasizes the view that only matter exists?

  1. Epiphenomenalism
  2. Dualism
  3. Materialism
  4. Pan Psychism

Question 2

What Are Two Famous Names Linked to Behaviorism?

  1. Wundt and Skinner
  2. Skinner and Watson
  3. Wundt and Watson
  4. James and Skinner

Open questions

Question 1

What is meant by the philosophical movement "dualism"?

Question 2

Who is a known advocate of dualism?

Question 3

Of which three parts does the subconscious consist according to Freud?

Question 4

What is pan psychism's view of consciousness?

Answer indication MC-questions

Question 1

C. Materialism is a movement within monism. Supporters of this theory argue that only matter exists.

Question 2

B. Skinner and Watson. Watson was influenced by Pavlov, and Skinner focused on operant conditioning in particular.

Answer indication Open questions

Question 1

Theories tied to dualism hold that the world is made up of two things: the body and the mind.

Question 2

The most famous dualist is René Descartes.

Question 3

From the "id" (the biological desires and needs), the "ego" (all kinds of defense mechanisms), and the "superego" (all the unacceptable desires and needs that Freud said would be reflected in dreams).

Question 4

Pan psychists believe that mental operations are conscious in a way. The extreme version also believes that all elements (such as clouds and rivers) have some level of consciousness.

Back to top

Consciousness - Blackmore - TentamenTickets

  • Zorg dat je de kern van de volgende relaties begrijpt:

    • het bewustzijn van lichaam en geest (Descartes),

    • epiphenomenalisme en functionalisme, bewuste perceptie en actie (Milner & Goodale),

    • bewust waargenomen wilskracht en vrijwillige actie (Wegner),

    • Darwin en Lamarck.

  • Zorg dat je weet:

    • hoe rijk en compleet interne representaties van de visuele omgeving zijn,

    • wat de correlatie is tussen bewuste ervaringen in apen en mensen,

    • hoe het brein het bindingsprobleem oplost (Crick & Crock),

    • of dieren zelfbewust zijn, of dieren kunnen praten,

    • wat alternatieven zijn voor Strong Artificial Intelligence,

    • wat het effect is van drugs op cognitieve processen.

  • Zorg dat je de kern van de volgende onderwerpen beheerst:

    • Qualia, Mary (experiment),

    • de filosofie zombie,

    • het concept van een 'Cartesian Theatre',

    • materialistische benaderingen van bewustzijn,

    • breinstimulering (Libet),

    • Split-brain,

    • de 'stroom van bewustzijn' (William James),

    • de relatieve timing van bewuste wilskracht en openlijke actie (Libet),

    • fantoompijn en de techniek van Ramachandran,

    • het bindingsprobleem,

    • blindsight,

    • ensorische substitutie in blinden,

    • bewustzijn als gezondheid,

    • de Turing test,

    • het 'Chinese kamer' experiment van Searle,

    • hallucinaties,

    • visuele vormen in hallucinaties door drugs/medicatie,

    • psi fenomenen,

    • parapsychologische studies en methodologische beperkingen,

    • de impact van een aangepaste staat van bewustzijn,

    • out-of-body experience,

    • bijna dood ervaring.

  • Zorg dat je de volgende theorieën kent:

    • de multiple-drafts theorie (Dennett),

    • de theorie van bewuste ervaring (Libet),

    • de globale werkplek theorie (Baars),

    • de sensorimotor theorie (O'Regan en Noë),

    • het concept van 'the self' (Hume),

    • bundeltheorie van 'the self',

    • natuurlijke selectie theorie (Darwin),

    • evolutietheorie van bewustzijn (Humphrey),

    • het AIM model van slaap (Hobson),

    • de retro-selectieve theorie van dromen.

Back to top

Boeksamenvatting bij Consciousness: An Introduction - Blackmore - 2e druk, Europese editie (2024)
Top Articles
Latest Posts
Article information

Author: Melvina Ondricka

Last Updated:

Views: 5740

Rating: 4.8 / 5 (48 voted)

Reviews: 87% of readers found this page helpful

Author information

Name: Melvina Ondricka

Birthday: 2000-12-23

Address: Suite 382 139 Shaniqua Locks, Paulaborough, UT 90498

Phone: +636383657021

Job: Dynamic Government Specialist

Hobby: Kite flying, Watching movies, Knitting, Model building, Reading, Wood carving, Paintball

Introduction: My name is Melvina Ondricka, I am a helpful, fancy, friendly, innocent, outstanding, courageous, thoughtful person who loves writing and wants to share my knowledge and understanding with you.