ECLI:NL:RBMNE:2024:3135 - PONT Data&Privacy (2024)

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder

(gemachtigde: R. van den Brink).

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser was vanaf 2008 werkzaam als [functie] bij het Ministerie van Defensie (werkgever) voor gemiddeld 37,95 uur per week. Op 13 februari 2015 heeft eiser zich ziekgemeld. Na afloop van de wachttijd heeft eiser een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Omdat de werkgever niet aan de re-integratieverplichtingen heeft voldaan, is er een loonsanctie opgelegd door het Uwv en heeft de werkgever het loon doorbetaald tot 24 september 2017.

Vervolgens heeft het Uwv de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering beoordeeld. Het Uwv heeft bepaald dat eiser vanaf 24 september 2017 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Op 20 september 2019 is eiser uitgevallen door dezelfde ziekteoorzaak en heeft het Uwv een situatie van ‘geen benutbare mogelijkheden’ (GBM) aangenomen. Hij werkte op dat moment als verzorgende IG thuiszorg voor 40 uur per week. Op 14 juni 2021 heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 16 september 2021 heeft het Uwv bepaald dat eiser met ingang van 20 september 2019 recht heeft op een WIA-uitkering, in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering tot en met 19 september 2020. Met een ander besluit van 16 september 2021 heeft het Uwv bepaald dat eiser vanaf 20 september 2020 een WIA-uitkering in de vorm van een WGA-loonaanvullingsuitkering krijgt.

Met weer een ander besluit van 16 september 2021 (het primaire besluit) heeft het Uwv bepaald dat eiser met ingang van 11 augustus 2021 voor 52,87 % arbeidsongeschikt wordt geacht.

Met het besluit van 23 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het Uwv heeft wel vastgesteld dat het arbeidsongeschiktheidspercentage door een administratieve fout onjuist is vastgesteld. Eiser wordt met ingang van 11 augustus 2021 voor 55,47% arbeidsongeschikt geacht.

Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden via Skype op 12 september 2022. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Door problemen met de verbinding via Skype heeft de rechtbank de zaak aangehouden en bepaald dat er een fysieke zitting zal worden gepland.

De zaak is behandeld op de zitting van 17 oktober 2022. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting is met partijen onder andere besproken dat het dossier veel medische informatie bevat en dat eiser medische stukken heeft ingediend, waaronder stukken van de Vermoeidheidskliniek van 16 augustus 2022 en de brief van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (het ABP) van 18 juli 2022. Ter zitting is verder besproken dat een medische onderbouwing die ten grondslag ligt aan het besluit van het ABP ontbreekt. De rechtbank heeft met partijen gesproken over de optie om de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de hiervoor genoemde stukken te laten reageren en de optie om een deskundige in te schakelen. Partijen hebben afgesproken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv de gelegenheid krijgt om een reactie te geven op de door eiser ingediende stukken. Op 7 november 2022 is die reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv ontvangen. Eiser heeft op 27 oktober 2022 en op 6 december 2022 daarop gereageerd.

Naar aanleiding van de reacties van partijen heeft er een zitting plaatsgevonden op 3 maart 2023. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft aangegeven dat zij voornemens is een deskundige te benoemen en heeft met partijen gesproken over de vraag welke deskundige benoemd dient te worden.

De rechtbank heeft na de zitting verzekeringsarts drs. P.E.W. Geurts, verbonden aan Expertise Centrum MediLibra, als deskundige aangewezen om een onderzoek te verrichten. Op 7 november 2023 heeft de deskundige een rapport uitgebracht. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op dit rapport te reageren.

Op 20 november 2023 heeft het Uwv een reactie ingediend naar aanleiding van het deskundigenrapport. Op 29 november 2023 heeft eiser gereageerd op het deskundigenrapport.

Op 6 januari 2024 heeft eiser een brief van het Nederlands Veteranen Instituut van 18 december 2023 overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hier op 14 februari 2024 op gereageerd.

Nadat partijen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij niet verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft daarna op 16 februari 2024 het onderzoek gesloten.

Waar gaat deze zaak over?

1. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat eiser met ingang van 11 augustus 2021 55,47% arbeidsongeschikt is. Volgens het Uwv is er voldoende rekening gehouden met de beperkingen van eiser.

2. Eiser is het hier niet mee eens. Eiser vindt dat hij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord op een hoorzitting. Verder vindt hij het medisch onderzoek onzorgvuldig en is hij van mening dat zijn beperkingen zijn onderschat. Eiser vindt dat hij volledig arbeidsongeschikt is en niet kan deelnemen aan het arbeidsproces. Het Uwv gaat er ten onrechte aan voorbij dat eiser restklachten heeft waarvoor hij is uitbehandeld. Eiser had al vermoeidheidsklachten sinds 2012. Volgens eiser zorgt de combinatie van de complexe PTSS en de ME/CVS waarmee hij kampt, voor meer beperkingen. Hier heeft het Uwv volgens eiser geen rekening mee gehouden. Eiser vindt dat de diagnose ME/CVS weliswaar na de datum in geding is gesteld, maar dat hij ook op de datum in geding al de klachten en beperkingen daarvan had. Dit moet dus worden meegenomen bij de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid. Omdat de medische beoordeling onjuist is, zijn de geduide voorbeeldfuncties volgens eiser niet passend.

Wat vindt de rechtbank?

Ten aanzien van het horen in bezwaar

3. Eiser voert aan dat in bezwaar ten onrechte geen hoorzitting met een medewerker van het Uwv heeft plaatsgevonden.

4. De rechtbank overweegt dat de verplichting om te horen is opgenomen in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In artikel 7:3 van de Awb staan situaties beschreven wanneer van het horen kan worden afgezien.

5. Het Uwv is van mening dat eiser een uitvoerig bezwaarschrift met medische bijlagen heeft ingediend. Verder wijst het Uwv er op dat eiser in zijn bezwaarschrift het volgende heeft opgenomen:
“(..) Als er onduidelijkheden zijn in dit bezwaarschrift, wil ik deze graag toelichten tijdens een in te plannen fysieke hoorzitting.(..)”
Volgens het Uwv zijn de bezwaren voldoende duidelijk naar voren gekomen in het bezwaarschrift, zodat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden.

6. De rechtbank overweegt dat dit niet valt onder één van de situaties uit artikel 7:3 van de Awb om van het horen te mogen afzien. Voor zover het Uwv de verklaring van eiser in het bezwaarschrift opvat als een verklaring om geen gebruik te maken van het recht om gehoord te worden, overweegt de rechtbank dat eiser met zijn verklaring niet expliciet heeft afgezien van het horen. Dit betekent dat het Uwv ten onrechte heeft afgezien van het horen. Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb is genomen. De rechtbank ziet aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Omdat eiser in beroep alsnog de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunten toe te lichten en dit niet tot een andere uitkomst leidt, is aannemelijk dat eiser door dit gebrek niet is benadeeld. De rechtbank zal hierna beoordelen of het besluit in stand kan blijven.

Ten aanzien van de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek

7. Eiser voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is, omdat er geen spreekuur met de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft plaatsgevonden.

8. De rechtbank volgt eiser niet. De primaire verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, heeft eiser op een fysiek spreekuur gezien, waarbij psychisch onderzoek is verricht en heeft de door eiser meegenomen medische informatie kenbaar betrokken bij de beoordeling.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht en heeft alle beschikbare medische informatie meegewogen bij zijn oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden uitgelegd hoe zij tot haar oordeel is gekomen. Zoals het Uwv ter zitting heeft toegelicht, maakt een verzekeringsarts bezwaar en beroep een eigen afweging om af te zien van een (fysiek) spreekuur als er een compleet beeld bestaat van de beperkingen en aan een (fysiek) spreekuur geen behoefte meer bestaat.n

De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491.

Ook waren er destijds nog geen nieuwe medische gegevens ingediend. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiser voert aan dat hij het medisch onderzoek onzorgvuldig vindt, omdat de inhoud van de brief van Sinaï Centrum van 20 april 2022 niet door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is meegewogen. Volgens eiser volgt daaruit dat sprake is van een medische eindsituatie en er geen behandeling meer openstaat voor de restklachten.

10. De rechtbank overweegt dat het bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid gaat om de belastbaarheid van eiser per datum in geding. Dat heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook beoordeeld en de brief van het Sinaï Centrum is hierbij betrokken door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot een andere conclusie komt dan eiser ten aanzien van de medische eindsituatie, betekent niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de inhoud van de brief van het Sinaï Centrum niet heeft meegewogen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van de medische beoordeling

11. Eiser voert aan dat zijn beperkingen zijn onderschat. Omdat twijfel was ontstaan over de juistheid van de beoordeling van het Uwv, heeft de rechtbank drs. P.E.W. Geurts als deskundige benoemd, die op 7 november 2023 een deskundigenrapport heeft ingediend. De deskundige kan zich verenigen met de belastbaarheid zoals deze is vastgesteld in de Functionelemogelijkhedenlijst (FML) van 25 augustus 2021.

12. Eiser heeft aangegeven zich op onderdelen niet met de conclusie van de deskundige te kunnen verenigen. Eiser voert verder aan dat de deskundige ten onrechte niet ingaat op de combinatie van de complexe PTSS en het chronische vermoeidheidsyndroom ME/CVS en welk effect die combinatie al dan niet op de urenbeperking voor eiser zou kunnen hebben. De deskundige gaat ook niet in op de vraag of de urenbeperking goed is vastgesteld en waarom de chronische vermoeidheid van eiser in combinatie met zijn complexe PTSS geen grotere urenbeperking zou kunnen rechtvaardigen. De knieklachten zijn volgens eiser niet in geding.

13. Volgens vaste rechtspraakn

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2456.

geldt als uitgangspunt dat de rechtbank het oordeel van een onafhankelijke, door haar ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gegeven motivering haar overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft alle beschikbare medische informatie in de beoordeling betrokken. De deskundige heeft inzichtelijk gemotiveerd op welke onderdelen van de FML eiser beperkt moet worden geacht. In de door eiser aangevoerde gronden worden geen aanknopingspunten gevonden om het standpunt van de onafhankelijke deskundige niet te volgen. De rechtbank licht dit hierna toe.

14. De deskundige concludeert in het rapport van 7 november 2023 dat er geen sprake is van een situatie van GBM. Er is namelijk geen sprake van een medische opname, chronische bedlegerigheid, ADL-afhankelijkheid, een terminale aandoening, een sterk wisselende belastbaarheid waardoor er slechts incidenteel benutbare mogelijkheden zijn of een onvermogen tot basaal functioneren. Evenmin wordt verwacht dat eventuele benutbare mogelijkheden binnen drie maanden na datum in geding (duurzaam) verloren gaan.

15. De deskundige concludeert verder dat er beperkingen zijn aangenomen op de psychische belastbaarheid en de kniebelastbaarheid van eiser. Hierbij is volgens de deskundige voldoende rekening gehouden met de gestelde diagnoses, klachten en beperkingen van eiser. Ook de gestelde urenbeperking kan verantwoord worden. Er is sprake van een ernstige onderliggende psychische aandoening, ook al is deze in remissie, zodat een urenbeperking vanuit een preventieve overweging gegeven kan worden. De deskundige verwijst naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 januari 2022 en 6 november 2022.

16. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op het deskundigenrapport meegedeeld dat zij zich kan vinden in het rapport, nu de deskundige haar eerder ingenomen standpunt onderschrijft.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deskundige haar conclusie over de beperkingen ten aanzien van de klachten van eiser op zorgvuldige wijze bereikt en inzichtelijk gemotiveerd. De deskundige heeft voldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid en waarom geen verdergaande urenbeperking aan de orde is. De vermoeidheidsklachten en PTSS zijn betrokken in de beoordeling. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 6 november 2022 concludeert dat op het moment dat het Vermoeidheidscentrum de diagnose ME/CVS had gesteld, eiser net twee keer Covid-19 had doorgemaakt waarbij bekend is dat een substantieel deel van de mensen die Covid-19 doormaken langdurig vermoeidheidsklachten kunnen blijven houden. Op het moment dat er een andere verklarende diagnose valt te stellen die vermoeidheid kan geven, kan de diagnose ME/CVS niet worden gesteld volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiser heeft hier niets tegen ingebracht wat zorgt voor twijfel aan deze conclusie. Nog daargelaten of de diagnose ME/CVS medisch is vastgesteld, geldt volgens vaste rechtspraakn

Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 19 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:729.

echter ook dat een diagnose niet bepalend is voor het vaststellen van arbeidsbeperkingen. Het gaat om de medisch objectiveerbare beperkingen die bij eiser zijn vast te stellen. Bij de vraag welke beperkingen eiser heeft, is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. Aan hoe eiser zijn klachten zelf ervaart kan verder geen doorslaggevende betekenis toegekend worden. Daarvoor is een rapport van een andere arts nodig. Eiser heeft echter geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat de deskundige de beperkingen van eiser op de datum in geding heeft onderschat. Dat eiser het niet eens is met de vastgestelde beperkingen, kan daarom niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. De rechtbank volgt dan ook het oordeel van de deskundige. De beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling

18. Tegen de arbeidskundige beoordeling heeft eiser geen zelfstandige beroepsgronden naar voren gebracht, anders dan dat hij de functies om medische redenen niet kan verrichten. Nu de medische gronden niet slagen en de rechtbank de juistheid van de medische beoordeling als uitgangspunt neemt, bestaat er geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide functies. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 21 januari 2022 heeft gemotiveerd waarom de belastbaarheid van eiser in de functies niet wordt overschreden.

Conclusie

19. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat eiser per 11 augustus 2021 55,47% arbeidsongeschikt is. Het beroep is ongegrond.

20. Omdat niet aannemelijk is dat eiser is benadeeld door het overslaan van de hoorzitting in de bezwaarfase zal de rechtbank het gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Dit betekent dat er weliswaar een gebrek is, maar het besluit niet hoeft te worden vernietigd. Wel moet het Uwv vanwege het gebrek het griffierecht aan eiser vergoeden. Daarnaast veroordeelt de rechtbank het Uwv gedeeltelijk in de door eiser gemaakte proceskosten vanwege het gebrek. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,-. De rechtbank kent 1 punt toe voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1. De rechtbank kent ten aanzien van het bijwonen van de eerste zitting van 12 september 2022 geen punt toe, omdat deze zitting digitaal heeft plaatsgevonden en vanwege problemen met de verbinding van Skype vrij snel moest worden geschorst. Op de tweede zitting van 17 oktober 2022 is het beroep pas inhoudelijk behandeld. Voor het bijwonen van deze zitting kent de rechtbank 1 punt toe, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1. De rechtbank kent ten aanzien van het bijwonen van de zitting van 3 maart 2023 geen punt toe, omdat op deze digitale zitting enkel kort besproken is welke deskundige benoemd zou gaan worden en eiser zijn inhoudelijke standpunten al op de zitting van 17 oktober 2022 naar voren heeft gebracht. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vanwege de schending van de hoorplicht vergoed kunnen worden.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2024.

griffierrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

ECLI:NL:RBMNE:2024:3135 - PONT Data&Privacy (2024)
Top Articles
Latest Posts
Article information

Author: Clemencia Bogisich Ret

Last Updated:

Views: 5724

Rating: 5 / 5 (80 voted)

Reviews: 95% of readers found this page helpful

Author information

Name: Clemencia Bogisich Ret

Birthday: 2001-07-17

Address: Suite 794 53887 Geri Spring, West Cristentown, KY 54855

Phone: +5934435460663

Job: Central Hospitality Director

Hobby: Yoga, Electronics, Rafting, Lockpicking, Inline skating, Puzzles, scrapbook

Introduction: My name is Clemencia Bogisich Ret, I am a super, outstanding, graceful, friendly, vast, comfortable, agreeable person who loves writing and wants to share my knowledge and understanding with you.